Regelneven in de taal

Zal door het recente Spellingsbesluit veel veranderen? Hoogstwaarschijnlijk niet. De tweedeling die er al was zal wel blijven bestaan. Enerzijds de officiële codificatie, die er vanuit cultureel oogpunt nu eenmaal moet zijn en die terug te vinden zal zijn in woordenboeken, groene boekjes, schrijfwijzers, spellingsprogramma's voor tekstverwerkers en leerboeken der Nederlandse taal. Voornamelijk leerkrachten en correctoren zullen uit hoofde van hun beroep gedwongen zijn zich de nieuwe regels eigen te maken.

Anderzijds de doorsnee volwassen burgers, die in hun eigen persoonlijke schrijfsels wel gewoon hun spellende gang zullen blijven gaan. Ik zelf zal bijvoorbeeld waar mogelijk 'ks' vermijden ten faveure van de 'cs', om de eenvoudige reden dat ik 'cs' in de meeste woordbeelden mooier vind staan dan de altijd wat stakerige en hakkerige 'ks'. Geen taalkundige overweging dus, maar een esthetische, en waarom zou je voor persoonlijk gebruik geen persoonlijke voorkeursspelling mogen hebben, ook al is daarbij de logica zoek?

Iets vergelijkbaars stond in een ingezonden brief van mevrouw Van Campen vorige week in deze krant: “Wat bij alle logische overwegingen geheel buiten de gezichtskring van de taalkundigen lijkt te liggen is de natuurlijke muzikale opbouw van een taal, te horen aan kleine afwijkingen die aan het intuïtieve muzikale gevoel van de sprekende mens tegemoet komen.” Woorden moeten lekker lopen en daarom worden soms klanken weggelaten of ingevoegd, en zulke veranderingen zijn dan terug te vinden in een van de taalkundige regelgeving afwijkende schrijfwijze. “'Bessenjam' is muzikaal onlogisch omdat de 'n' niet makkelijk voor de 'dzjem' of 'sjem' is uit te spreken. Daarom laten we zo veel n-en weg.” N-en die, als ik het goed begrijp, er van overheidswege in 'pannenkoeken' nu toch in moeten.

Op eenzelfde manier moeten mensen die om redenen van auditieve smaak beslist met een rollende 'r' willen spreken af en toe sjoemelen, omdat die klank in allerlei Nederlandse woorden helemaal niet lekker medeklinkt. Als ze dat niet doen krijgt hun spreken al snel iets gemaakts en declamerends.

De ene 'n' erin, de andere eruit. Auteurs van een oudercursus met de titel Hordenlopen, waarvan ik de boekuitgave begeleid, belden me op met de vraag wat ze moesten doen nu het volgens de nieuwe regels 'hordelopen' is geworden. Net als ik vonden ze dat onbegrijpelijk daar zo'n loop nooit uit slechts één hindernis bestaat.

Het is niet zo dat ik tegen spellingsregels ben, maar wat ik niet begrijp is de dwang dat - behalve in officiële teksten - het tot op de laatste 's' achter de komma nauwkeurig moet. Ik ben niet voor schrijf-maar-wat-je-hoort. Een 'kompjoeter' is een wangedrocht. Je mag best de herkomst van allerlei woorden kunnen aflezen aan een ingewikkelde schrijfwijze, maar kleine afwijkingen van de standaardspelling moeten dan niet meteen als “fout” worden betiteld.

Eigenlijk vind ik alleen spellingsfouten hinderlijk waar een gebrek aan logisch denken uit spreekt en dan uiteraard alleen nog bij mensen die verstandelijk voldoende begaafd zijn om beter te kunnen weten. Daarbij gaat het voornamelijk om de spelling van werkwoordsvormen. Daar zit een systeem achter, waarin de samenhang tussen de zinsdelen wordt weerspiegeld. Wie wat doet; wie wat met wie of wat doet; wie wat wanneer doet, enzovoort. De grammaticaregels van zinsbouw en verbuigingen die nodig zijn om uit te drukken hoe de verbanden liggen, worden bij het schrijven uitgedrukt in systematische combinaties van lettersymbolen, die voor iemand met een redelijke intelligentie en een beetje inspanning heel goed te begrijpen en toe te passen zijn.

Bij vervoegingen en verbuigingen van werkwoorden kun je zelf uit de regels de spelling al redenerend afleiden. Bij afzonderlijke woorden ligt dat vaak anders en gaat het om onthouden dat “je dat nu eenmaal zo schrijft”. Wie weet hoe je 'thans' schrijft moet juist niet redeneren als hij 'nochtans' moet schrijven, want dan zou hij waarschijnlijk ten onrechte de 'h' tussenvoegen. Over de huidige spellingsregels van werkwoordsvormen is ook geen discussie gaande tussen taaldeskundigen, over de schrijfwijze van afzonderlijke woorden des te meer. Ook dat is een reden om niet te snel “fout” te roepen. Een mooi voorbeeld daarvan was deze week te horen tijdens de uitslag van het Nationaal Dictee toen juryvoorzitter Hella Haasse (toch een autoriteit op het gebied van taal) haar grote verbazing uitsprak dat 'onoirbaar' fout gerekend moest worden, want dat het 'onoorbaar' moet zijn, althans uitgaande van de oude voorkeursspelling.

Met dat dictee kan de Nederlandse en Vlaamse intelligentsia met goed fatsoen haar eigen quiz hebben, een spelletje op stand. Het zat trouwens vol woorden, waarvan je de schrijfwijze niet kunt herleiden, maar “nu eenmaal” moet weten. Het was een 'lokatie' met 'accomodatie' en 'attractie' tijdens 'vakantie'. Een van de juryleden sprak zelfs over “gemenigheidjes” en doelde daarmee op de misleiding waarin je terecht zou komen als je de spelling van bepaalde woorden probeerde te beredeneren. Hoewel nadrukkelijk werd gezegd dat de meeste deelnemers zich terdege hadden voorbereid was het foutengemiddelde 23. Een reden te meer om in het dagelijks schrijfgebruik niet te regelneverig te willen zijn.

Het dictee zat overigens ook vol leenwoorden, die inmiddels tot de vertrouwde Nederlandse woordenschat zijn gaan horen. Daarom verbaast me de weerkerende klaagzang over de zogenaamde huidige taalvervuiling door uit andere talen binnensiepelende woorden. Tenzij men gelooft in de Babylonische spraakverwarring, waar ieder volk van de Schepper voor eens en altijd een bepaalde woordenschat kreeg toebedeeld, kan men taal toch niet anders zien dan een zich voortdurend ontwikkelend instrument.

Er zitten in het standaard Nederlands al zo veel leenwoorden uit een grote waaier aan talen. Waarom zou dat al eeuwen gaande zijnde proces nu opeens moeten worden stopgezet? De afleiding 'intelligentsia' en de schrijfwijze daarvan zijn afkomstig uit het Russisch. Dat is toch aardig? Omgekeerd heeft het Nederlands - met name via de zeevaart - ook woorden afgestaan aan andere talen.

Wat ik wel weer hinderlijk vind, is als verbasterde buitenlandse, meestal Engelse, woorden worden gebruikt die niets aan de taalschat toevoegen. Je leest steeds vaker dat deskundigen van mening zijn dat de ene factor de andere 'faciliteert' en vervolgens samen ook 'interacteren'. Of het vreselijke 'de thuissituatie', terwijl wij toch spreken over 'de situatie thuis' of mooier nog 'de huiselijke omstandigheden'. En Arnon Grunberg moet in NRC Handelsblad niet schrijven dat tegen James Bond werd gezegd: “Je hebt een licentie om te doden, Bond, geen licentie om verkeersovertredingen te begaan.” Bond had voor het één wel en voor het ander geen vergunning.

Maar je zou bijvoorbeeld nieuwsgierig kunnen zijn wanneer het eerste Turkse of Marokkaanse woord zich in het alledaagse Nederlandse spraakgebruik begint te nestelen. En wat voor woord dat dan zal zijn. Het zou misschien toch een bescheiden mijlpaal zijn op weg naar integratie. En over de juiste spelling daarvan hoef je je de eerste tijd niet druk te maken.