Ons hart is stoffige kelder vol ongedierte waar Zijn licht schijnt

Het overwinnen van de zonde; daar draait het bij de Noorse broeders om. In het dagelijks leven proberen ze iedere bewuste zonde te weerstaan en zo nederigheid te betrachten tegenover de schepping. Een van de broeders noemde onlangs als voorbeeld dat hij de tuin van zijn huis was ingelopen en aan de pruimenboom een mooie, grote pruim had zien hangen. In gedachten had hij deze als het ware automatisch aan zichzelf toegeschreven, totdat een innerlijke stem hem op het zelfzuchtige karakter van die gedachte had gewezen.

De Noorse broeders vormen een betrekkelijk onbekende groep van een kleine tweeduizend belijders die vier keer per week in verschillende Nederlandse gemeenten samenkomen. Zij omschrijven zichzelf als een groep mensen die volgens de richtlijnen van de bijbel proberen te leven. De Noorse broeders zijn eind vorige eeuw ontstaan als een zogeheten opwekkingsbeweging, toen in Noorwegen de marinier Johan Oscar Smith werd gegrepen door een toewijding aan Jezus Christus.

Eerlijkheid tegenover jezelf is voor de Noorse broeders het belangrijkst, want zo word je van de zelfzucht verlost, wordt het leven heilig gemaakt en gaat het lijken op dat van Jezus Christus. De broeders kijken geen televisie, de vrouwen dragen nooit lange broeken. Op de samenkomsten hebben zij het hoofd bedekt.

Die samenkomsten, zoals onlangs in Terwolde, komen op een buitenstaander even serieus als oprecht over. Volwassen mannen en vrouwen, maar ook veel jongeren, belijden tegenover hun geloofsgenoten hun fouten en danken God, met veel verwijzingen naar bijbelteksten, voor de genade die hun desondanks ten deel valt. Een man getuigt dat als iemand hem op zijn wang slaat het niet de klap is die hem ergert, maar de boosheid in hemzelf om die klap. Een vrouw herinnert aan een uitspraak waarin wordt gezegd dat “ons hart is als een stoffige kelder vol ongedierte waarin God tot in de schuilhoeken Zijn licht laat schijnen”. Zij zegt dat als zij zichzelf maar voortdurend in acht neemt, het eindelijk uit zal zijn met het gemopper en met dagen dat alles tegenzit.

Trachten geen aanstoot te nemen aan welke ergerniswekkende zaken ook is waar de Noorse broeders mee bezig zijn. Ja, getuigt een man, wat is het toch heerlijk om op die spijker van de noodzakelijke zelfkritiek te slaan, o, wat een interessante spijker.

Een van de leidende broeders in de Noorse opwekkingsbeweging is J. Littooy uit Almelo, een voormalige predikant in de baptistenkerk, die jaren geleden een bezoek aan Noorwegen bracht. Wat hij daar beleefde en ook in praktijk wilde brengen bleek niet verenigbaar met opvattingen in zijn baptistengemeente. Aanvankelijk kreeg hij de handen nog wel op elkaar met bijvoorbeeld zijn verzoek om hem voortaan geen dominee meer te noemen maar gewoon broeder. Zijn aansporingen om door middel van het belijden van zonden het hart rein te maken en zo het dagelijkse leven te heiligen, vonden ook weerklank binnen de kerk. De hele kerkeraad bekeerde zich. Maar na een jaar, in 1959, kwam er in de gemeente een tegenbeweging op gang. Littooy besloot zijn tegenstanders voor te zijn en nam tijdens een vergadering waarop zijn hoofd moest vallen eigener beweging afscheid. Vijftig getrouwen volgden hem. Zo onstond de broederschap in Almelo.

Ook zijn collega in Twello, broeder W. van der Linden, moest dertig jaar geleden zijn predikantschap bij de christelijk-gereformeerde kerk opgeven. Van der Linden had in Noorwegen geproefd van de opwekkingsbeweging en kon zijn werk uiteindelijk niet meer met zijn innerlijke beleving in overstemming brengen. De kinderdoop begon hem tegen te staan, het niet volkomen doorleefde geloof van zijn gemeente kon hem niet meer bekoren. Hij bekeerde zich. Het eerste getuigenis legde hij samen met zijn vrouw af, gewoon thuis op de slaapkamer. Het hele gezin is inmiddels bij de broederschap betrokken. Mijn leven, zegt een van zijn dochters, is een offer.

    • Arjen Schreuder