Nederlandse ex-topambtenaar realiseert de klassieke boerendroom in de voormalige DDR; Boeren zonder grenzen in onbedorven Bellin

Voor Nederlandse veehouders is het nu buigen of barsten. De klassieke oplossing is emigreren, inmiddels ook naar Oost-Europa. De voormalige DDR telt inmiddels 130 Nederlandse boeren. Eén van hen is Piet Ritsema, die in het dorp Bellin 750 melkkoeien onder zijn hoede heeft. Als topambtenaar op Landbouw bracht hij met de superheffing de melkproduktie in Nederland omlaag. Als boer in de ex-DDR kan hij, bevoorrecht door Brussel, nog onbekommerd uitbreiden.

Hij loopt met besmeurde laarzen door modder en mest onder het opsnuiven van een kruidig aroma. “De lucht van kuilgras, dat ruik ik graag.” Piet Ritsema: een lange, kalende man van 38, donker van opslag, geboren Groninger, gewezen directeur op het ministerie van landbouw. Hij start zijn oude VW-Golf voor een ritje van Zehna naar Bellin, hoofdkwartier van het Oostduitse boerenbedrijf dat hij sinds 1 september samen met Hartmut Grosse bestiert. Tot voor kort had hij een auto met chauffeur, privé-secretaresse en een fraai bureau: de glamour van de ambtelijke top met bijpassend inkomen. “Dat is dus allemaal voorbij, maar het deert me niet. Er staat zoveel tegenover, zeker in deze streek.” Hij gebaart naar het golvende land, waar juist een troep ganzen in V-formatie overheen trekt. “Het is hier mooi en nog onbedorven.”

De ehemalige DDR op een heldere najaarsdag, een kilometer of vijftig onder Rostock aan de Oostzee. Deelstaat Mecklenburg-Vorpommern, gemeente Bellin. Het dorp van die naam telt zeshonderd zielen en wordt beheerst door het poortgebouw van een voormalig landgoed. Daarnaast een bescheiden kantoortje, voorzien van de tekst 'Belliner Agrar GmbH und Co KG', een commanditaire vennootschap waarachter grote getallen schuilgaan: 1.700 hectare boerenland, waarvan 1.300 voor akkerbouw (tarwe, gerst, rogge en koolzaad), 750 melkkoeien van het ras SMR (Schwartzbuntes Milchrind) en 580 stuks jongvee. “We hadden ook nog achthonderd schapen, maar daar viel werkelijk niets mee te verdienen. Dus heb ik ze met pijn in het hart moeten opruimen.”

Ritsema is verantwoordelijk voor de veestapel sinds hij afgelopen zomer met zijn vriendin Heleen Vermij (36) een aandeel van één derde in deze agrarische onderneming verwierf. Als boerenzoon voelt hij zich eindelijk op zijn plaats: “Ik heb altijd boer willen worden”. Toch was zijn stap opmerkelijk, omdat hij in Nederland carrière had gemaakt als ambtenaar. Zijn laatste post was directeur landbouw, één van de hoogste functies op het departement, bij het gelijknamige ministerie. Hij heeft er naar zijn zeggen zonder spijt afscheid van genomen, anders dan recentelijk van die schapen. “Laat ik voorop stellen dat ik in Den Haag al die jaren met plezier heb gewerkt, eigenlijk iedere dag, maar er zaten ook nadelen aan. Wat me tegenstond, was de bureaucratie. Vaak had ik het gevoel dat ik alleen maar papier heen en weer zat te schuiven. Moest ik doorgaan tot aan mijn pensioen, nog eens dertig jaar? Dat lokte me niet en ik wilde nu eenmaal boer worden.”

Ook in het Oostduitse Agrar-kantoortje ligt papier, maar minder dan in de burelen aan de Bezuidenhoutseweg. Ritsema: “Het mooie van dit beroep is dat je met tastbare dingen bezig bent. En met zoveel dingen tegelijk. Als boer moet je een goed ondernemer zijn, handelaar en onderhandelaar. Vanmiddag krijg ik iemand van de melkfabriek op bezoek. We vragen een renteloze lening om de melktanks te vernieuwen en ik denk dat het lukt, want met 4,2 miljoen liter per jaar zijn we grootleverancier. Een boer is veelzijdig. Hij moet verstand hebben van vee en veeziektes, hij moet tegelijk bouwvakker en architect zijn en over technische vaardigheden beschikken om de trekker te repareren. En dan nog een beetje ambtenaar in verband met de regelgeving. Nee, zelf zit ik zelden op de trekker. En koeien melken doe ik ook te weinig. Dat doen onze mensen. Elektrisch natuurlijk. Ook hier gaat de automatisering onverminderd door. We hebben dertig man personeel, maar het zijn er honderdvijftig geweest en het zullen er nog minder worden.”

Doorleren

Bij zijn afscheid van het ministerie, afgelopen zomer, werd Ritsema togesproken door de directeur-generaal. “Kom, hoe heet die man ook weer, die nieuwe. Stom dat ik zijn naam al kwijt ben, zo snel gaat dat blijkbaar...” Maar de strekking van de speech is hem niet ontgaan. “Jammer dat iemand met zoveel praktijkervaring vertrekt.” De woorden sloegen op Ritsema's achtergrond en buiten-departementale bemoeienis met rundvee. Hij mocht dan geen hele boer zijn, een halve was hij wel - altijd geweest en altijd gebleven. “Ik kom uit een boerenfamilie en dat vak heeft me van kinds af aan getrokken. Ik kon bij wijze van spreken eerder melken dan lopen.”

Zijn vader was veehouder in Thesinge, tien kilometer boven de stad Groningen. Als de oudste van zes kinderen leek Piet de aangewezen figuur om Ritsema senior te assisteren en later op te volgen, maar zo vanzelfsprekend was dat niet. “Ik deed het aardig op school en daarom zeiden mijn ouders: jij kan beter doorleren.” Na het atheneum wilde hij dierenarts worden, maar pogingen om de bewuste opleiding in Utrecht te volgen mislukten doordat hij twee keer werd uitgeloot. Hij is toen rechten gaan studeren in Groningen en solliciteerde na het behalen van de meestersgraad (1980) met succes bij de instelling die zijn hang naar het boerenbedrijf enigszins kon bevredigen: het ministerie van landbouw en visserij, toen nog zonder natuurbeheer. Hij kwam er op de juridische afdeling terecht (met Europees recht als specialisme), werd plaatsvervangend directeur van die sector, klom op tot plaatsvervangend directeur-generaal landelijke gebieden en kwaliteitszorg en eindigde als directeur landbouw. Een 'zware' directie die heel agrarisch Nederland omvat, tot en met champignonteelt en nertsfokkerijen.

Een florissante loopbaan, zeker voor iemand van zijn leeftijd, al doet hij er, overeenkomstig zijn Groningse genen, tamelijk nuchter over. “Een kwestie van hersens, maar ook van het geluk dat je een paar interessante klussen krijgt.” In zijn geval dateert zo'n klus uit 1984, toen de Europese superheffing op melk werd ingevoerd. Minister Braks verklaarde, kort samengevat, voor de televisie: “Geen boer komt hierdoor in moeilijkheden en wie toch problemen vreest, moet ons maar schrijven.” Dat laatste is in overweldigende mate gebeurd: na de uitzending kwamen een slordige dertigduizend brieven binnen. Ritsema gaf leiding aan een groep juristen en landbouwingenieurs die de affaire moest afwikkelen en dat deed hij blijkbaar op een manier die voor hem de weg naar hoge ambtelijke posten ontsloot.

Bij dat alles bleef hij als liefhebberij het boerenambacht praktizeren. “Ik woonde in Woerden, maar er ging geen vakantie voorbij of ik was in Thesinge om te melken. Vaak ook in de weekeinden trouwens. Dan nam ik vrijdags de trein en keerde 's zondags terug.” Dat het bloed kroop waar het niet gaan kon, bleek voorts uit pogingen alsnog fulltime veehouder te worden. “Dat begon al tijdens mijn rechtenstudie in Groningen. Met Heleen, mijn vriendin, ben ik in Frankrijk, speciaal in de Limousin, wezen kijken. Een prachtige streek, maar niet wat we zochten. De bedrijfjes daar waren eenvoudig te klein om aan de kost te komen. Je zou dan wel boer worden, maar je hele leven een armoedzaaier blijven.”

Cowboys

Zelfs heeft Ritsema serieus overwogen naar Texas te emigreren. “Maar Heleen wilde niet tussen al die cowboys wonen.” Via ambassade en emigratiedienst had hij pakken informatie gekregen, die hij aan zijn broer Fred doorgaf. “En die heeft er zijn voordeel mee gedaan. Fred zit nu in Texas achthonderd koeien te melken.”

De speurtocht naar ander emplooi voltrok zich bij vlagen en kreeg een nieuwe impuls na de val van de muur in Berlijn, waarmee het eind van de DDR werd ingeluid. Onder het communistische regime waren de kleine Oostduitse boeren gedwongen samen te werken in coöperaties, zogeheten LPG's (Landwirtschaftliche Produktionsgenossenschaften); grootgrondbezit was na de oorlog onteigend en voornamelijk opgedeeld onder boeren en arbeiders. De omwenteling van eind 1989 en vervolgens de vereniging van beide Duitslanden hadden ook in agrarische zin verstrekkende gevolgen. Door de afschaffing van diverse landbouwsubsidies raakten veel van die LPG's en andere boerenbedrijven in financiële nood, zodat ze ten dode waren opgeschreven. Nederlandse boeren die in eigen land onvoldoende uit de voeten konden, roken hun kans en wisten soms voor een appel en een ei honderden Oostduitse hectares te verwerven.

Ook Ritsema ontwaarde een wenkend perspectief. “In 1992 ben ik met Heleen bij twee van die Nederlandse pioniers wezen kijken in de buurt van Thüringen en Magdenburg. Het waren grote bedrijven en dat fascineerde ons. We kregen er een kick van. Dus telden we ons geld, rekenden wat financiële steun van familie mee en maakten ons op zo'n bedrijf over te nemen.”

Die transactie mislukte echter door wat hij noemt de “ingewikkelde eigendomsverhoudingen”. Later werd hem een nieuwe kans, maar in andere vorm geboden door een ontmoeting met de Oostduitser Hartmut Grosse, die Nederland bezocht om apparatuur voor de kaasbereiding aan te schaffen. Grosse was aandeelhouder in een voormalig landgoed te Bellin, samen met een kleinzoon van de stichter, Friedrich Wilhelm Schloman. Ze wilden er iemand bij hebben om investeringen in akkerbouw en koestallen te financieren en juist op dat moment trof men Ritsema, die zich naderhand met zijn partner in de commanditaire vennootschap inkocht om er per 1 september 1995 daadwerkelijk aan de slag te gaan.

Drie maanden later op het kantoortje in Bellin. Ritsema tapt bekers koffie voor zijn gasten. Heleen, die in Nederland bij een onderwijsvakbond werkte en hier bij Agrar de computer bedient, is zojuist met haar zuster voor een korte vakantie naar het schiereiland Rügen vertrokken. Hun anderhalfjarig zoontje Menno verblijft in de Kinderkrippe, een combinatie van crèche en kleuterschool. Ritsema: “Toen ik in Woerden woonde, voelde ik me altijd een noorderling in het westen, een tijdelijk adres. Maar in Bellin voel ik me thuis. Ik hoop vurig dat mijn zoon Menno hier ook eens boer zal worden. Dat hoopt tenslotte iedere boer.

“Met de bewoners kan ik goed overweg. Nuchtere mensen, echte noorderlingen, net als Groningers. Ik mag ze graag. Als zij hun dialect spreken en ik Gronings, dan verstaan we elkaar, allemaal Nedersaksisch geloof ik. Cultuurverschillen? Minder dan ik had verwacht. Ze zijn hier alleen formeler. Geen Piet en Heleen, maar meneer en mevrouw.” En over zijn 53-jarige compagnon Grosse: “Die was natuurlijk trouw aan het communistisch regime, maar geen partijlid. En ook geen typische Duitser, want hij heeft gevoel voor humor.”

Een bezoek aan het complete bedrijf komt grotendeels neer op autorijden. Vijf dorpen en gehuchten liggen als enclaves op de 1.700 hectaren akkers en weiland. Ook Mariënhof, waar de Ritsema's voorlopig onderdak vonden in een groot, maar vervallen pand, dat ooit als vakantie-oord diende. De stallen liggen verspreid over Zehna en Bellin. Een aannemer uit Vlagtwedde (“Die werkt goedkoper dan de Duitsers”) is druk doende de oude gebouwen te moderniseren, een investering van 3,5 miljoen mark. Een nieuwe melkunit naar visgraatmodel is bijna klaar. “Daar gaan straks 28 koeien tegelijk in, ofwel 130 per uur.”

Van riante bedrijfsresultaten is vooralsnog geen sprake. Door slechte oogsten was Agrar GmbH in de rode cijfers geraakt en speelt nu volgens Ritsema ongeveer quitte. “Het kan dus beter allemaal, ook wat de koeien betreft. De melkproduktie ligt momenteel rond de 5.500 liter per dier per jaar en dat moet naar 6.500, want ze zitten nog lang niet aan hun top. Nog beter is de veestapel op den duur te veranderen in Holsteins. Dat heb ik ooit bij mijn ouders in Thesinge meegemaakt en de melkgift vloog omhoog. Dat hoop ik ook hier te beleven.”

Produktiebeperkingen van hogerhand hoeven geen belemmering te zijn, want die bestaan in Oost-Duitsland nog niet. Ritsema: “Voor de ex-DDR geldt voorlopig een uitzondering op de Brusselse regelgeving. De melkquota zijn nog niet toegedeeld en dat betekent dat je zoveel mag melken als je wilt. Je stelt in feite je eigen quotum vast en dat kost je niets, terwijl de Nederlandse boer flink voor zijn quotum moet betalen.”

Daar zit wel een paradoxaal kantje aan. Een oud-superheffingsambtenaar werkt nu mee aan vergroting van de Europese melkplas. Ritsema: “Ik zie die paradox niet zo goed. Destijds kon ik van harte instemmen met de regeling voor Nederland, omdat de omstandigheden daar zoveel anders zijn dan hier, in Oost-Duitsland. Intensief boeren tegenover extensief boeren op uitgestrekte landerijen. In Nederland grazen twee à drie koeien op een hectare land, hier één koe op twee hectaren. Dat maakt een enorm verschil, ook qua vervuiling. Mestoverschotten kennen we in Mecklenburg niet. Onze koeien produceren zelfs onvoldoende mest voor de eigen afdeling akkerbouw. Zeker, ook hier bestaan milieuregels, maar ze worden soepeler toegepast dan in Nederland omdat de situatie zo anders is. Het noorden van de oude DDR is nog echt een schoon gebied.”

Toeristische meerwaarde

Dat geeft de streek volgens Ritsema ook een toeristische meerwaarde, die ondernemende types moet aanspreken. Terug in Bellin verwijst hij naar het voormalige landgoed en speciaal het hoofdgebouw, daterend uit 1912 en in communistische tijden opvangcentrum voor Namibische kinderen, die elders in de DDR een militaire training voor de verzetsbeweging Swapo kregen. Het monumentale complex, eigendom van Treuhand, die de omschakeling van plan- naar markteconomie begeleidt, staat sinds de 'Wende' leeg en wordt te koop aangeboden. “Een uitgelezen kans voor wie een hotel of conferentie-oord wil beginnen”, aldus Ritsema. “Ook Hollanders kunnen zich melden.”

Het loopt nog niet storm. Wie zich wel aandient, is Cees Roele, maar die heeft andere oogmerken. Als landbouwattaché van de Nederlandse ambassade in Berlijn komt hij juist vandaag kennismaken met Ritsema, nieuweling onder de immigranten. Met in zijn koffertje een fles dubbele graanjenever, die bij zijn gastheer zeer in de smaak valt en veilig op een oude archiefkast wordt gezet.

Volgens Roele telt Oost-Duitsland inmiddels 130 Nederlandse boeren, die met wisselend succes hun bedrijf uitoefenen. “De één doet het beter dan de ander, maar de meesten zitten hier nog te kort om een oordeel te vellen. Dat vraagt de nodige tijd. En vergeet niet: boeren gebeurt hier op zoveel grotere schaal. Van zeventig naar zevenhonderd koeien, dat is wel een ander verhaal, een andere vorm van managing. Mislukkingen? Ach, als boeren niet klagen en dominees niet vragen, dan heb je het einde der dagen. Zo ongeveer.”

Of er ook boeren bij zijn die de Nederlandse milieuregels ontvluchtten? Roele: “Ik ken er welgeteld één.” Ritsema: “Wat niet wegneemt dat het Nederlandse milieubeleid en zeker het mestbeleid te streng is voor de boer. Natuurlijk, er moet wat gebeuren, want we hebben er met z'n allen een rotzooi van gemaakt, maar dan in een tempo dat de boer kan bijhouden. Vervuiling die in vijftig jaar is ontstaan, krijg je niet in tien jaar weggewerkt.”

Was dát dan de reden dat hij de ambtenarij verliet? Ritsema: “O nee, in geen geval. Er is wel beweerd dat ik uit onvrede met het beleid ben vertrokken, maar dat is onzin. De mestregelgeving was het enige waar ik vraagtekens bij had, maar dat heeft bij mijn beslissing tot emigreren geen rol gespeeld. Het ging me puur om het boer zijn.”

Roele, in oprechte bewondering: “Ook ik ben van boerenkomaf en zou het ook wel willen, maar ik durf de stap niet aan. Piet Ritsema heeft iets gedaan waar ik al jaren van droom, maar waar ik het lef niet voor heb.”