Nederlandse bedrijven optimistisch over euro

De top van het Nederlandse bedrijfsleven is optimistisch over de invoering van de euro, de gemeenschappelijke munt van de Europese Monetaire Unie. Hetzelfde geldt voor de voorzitters van de werkgeversorganisatie VNO/NCW en van de vakcentrale FNV. “Eenzelfde munt op een markt van 250 miljoen mensen vergemakkelijkt onze activiteiten”, zegt Unilevers treasurer Atsma. Maar er is ook nervositeit. “De euro moet nog reputatie krijgen. De markten volgen dat heel scherp.”

In de top van het Nederlandse bedrijfsleven en van de vaderlandse vakbeweging bestaat er opvallend weinig twijfel over: de Europese Monetaire Unie (EMU) en de gemeenschappelijke Europese munt - pakweg: euro - zullen er komen. Alleen over timing, tempo en praktische uitwerking wordt nog wel uiteenlopend gedacht. Maar het principe zelf van Europa's monetaire eenwording staat nauwelijks of niet ter discussie. Zowel in werkgevers- als werknemerskring zijn dan ook geluiden te horen als: 'Er is geen reëel alternatief', 'Het is al bijna een onomkeerbaar proces', 'Zelfs zonder EMU zouden we eenzelfde macro-economische richting uitdrijven', of 'EMU en euro bieden eigenlijk alleen maar voordelen'.

Dit optimisme in de top van bedrijfsleven en vakbeweging moet wel in combinatie worden gezien met de onwetendheid en afwachtende houding bij de leiding van veel kleinere bedrijven en op de werkvloer zelf. Daar is nog weinig bekend over EMU of euro, laat staan over ingrijpende gevolgen of eventuele risico's. “Er is nog zoveel onzeker”, reageert ook communicatie-directeur Rapati van een middelgrote onderneming als Stork. “Laat de politici in Europa nu eerst maar eens een ei leggen en dan kijken we verder.”

Deze combinatie van optimisme en afwachting in Nederland contrasteert nogal met de meer sceptische houding die in het Duitse bedrijfsleven zou bestaan. Zo bleek vorige maand uit een enquête van de overkoepelende Duitse kamer van koophandel onder 25.000 ondernemingen dat 45 procent een monetaire unie per 1 januari '99 niet wenselijk vindt. En 57 procent acht zoiets zelfs onwaarschijnlijk. Voornaamste reden voor de Duitse twijfel: zorg over aantasting van de D-mark, zonder twijfel gevoed door de vele onzekerheden in het huidige pre-EMU-tijdperk.

“Ook bij sommige bedrijven in Nederland beluisteren we nog wel eens scepsis die wordt ingegeven door twijfel over de vraag of de EMU wel van voldoende kwaliteit zal zijn om de beoogde voordelen waar te maken”, zegt voorzitter Alexander Rinnooy Kan van VNO/NCW. “Maar tegelijk geloven wij dat er in Europa geen alternatief is voor de EMU, als wij de integratie van de Europese economie en de versterking van de Europese concurrentiekracht tenminste serieus nemen.”

Zijn traditionele tegenspeler Johan Stekelenburg van het vakverbond FNV erkent dat Europa's monetaire eenwording op de doorsnee werkvloer geen brandend onderwerp is. “Ik zie nog geen werknemers in Groningen samen met collega's in Florence de barricaden opgaan om de sociale component van de Europa's monetaire eenwording af te dwingen”, erkent de opperste vakbondsleider. Maar ook hij noemt de EMU en de euro 'eigenlijk onvermijdelijk'. “Het is de weg die wij zijn ingegaan”, aldus Stekelenburg, “en terugkeer is alleen mogelijk op straffe van grote instabiliteit in de Europese verhoudingen, een renationalisering met een expliciet Duits overwicht in Europa, en een verslechtering van de Europese concurrentiepositie tegenover Azië en Amerika.”

Voordelen van een gemeenschappelijke munt? Robert Ruijter, 'group director of finance' bij het steeds anglofieler Philips, hoeft geen seconde na te denken. “Een belangrijk voordeel voor ons is de eenheid van systemen, programma's en organisaties die je in Europa kunt doorvoeren”, betoogt hij. “En niet te vergeten, het eliminineren van valutaschommelingen binnen Europa, dat is voor ons zeer substantieel. Als je in landen zit met een sterke munt als Nederland, Duitsland of Oostenrijk en er vinden elders forse devaluaties plaats, zoals de afgelopen jaren in Engeland met 21 procent, Spanje met 30 procent, en Italië met zelfs 35 procent, dan betekent dat direct commercieel nadeel.” Ruijter ziet nog een voordeel. “Als je één valuta krijgt, gaan andere zaken waarschijnlijk ook sneller. Als bijvoorbeeld de stekkers van stopcontacten eindelijk ook gelijk worden, is dat voor ons een leuke uitdaging.”

Treasurer B.F. Atsma van Unilever, verantwoordelijk voor het financiële reilen en zeilen van de multinational, heeft een identiek oordeel. “Eenzelfde munt op een markt van 250 à 300 miljoen mensen vergemakkelijkt onze activiteiten en verlaagt de transactiekosten”, legt hij uit. “Meer in het algemeen zien we dat de EMU de ledenlanden dwingt om financiële tekorten terug te dringen en een betere balans te bewaren tussen inkomsten en uitgaven. Zo'n gezond beleid komt iedereen ten goede.” Wel moet de kerngroep van eerste EMU-leden, die aan de EMU-criteria voldoen, er zijns inziens voor oppassen dat de 'nog-niet-leden' afdrijven. “Dan zouden we verder van huis raken”, vreest Atsma.

“Bedrijfsonderdelen en marktkansen worden beter vergelijkbaar”, signaleert Rinnooy Kan. “Ook de directe kosten voor bedrijven kunnen verminderen door invoering van één munt. De Europese Commissie heeft berekent dat bedrijven in de Unie per jaar zo'n 40 à 50 miljard kosten maken vanwege de vele munten. Denk aan kosten van boekhouding, bij het maken van prijslijsten, bij het omwisselen van geld. Alleen in Nederland al zou dit op jaarbasis een besparing van ongeveer 2 miljard gulden mogelijk maken.”

Verder maakt de euro-munt het, volgens de werkgeversvoorman, mogelijk de rol van de dollar in de internationale handel wat terug te dringen. Wat hij gunstig vindt. “Want voor Nederlandse bedrijven is het onnodig hinderlijk dat 20 procent van de Nederlandse handel in dollars wordt afgerekend, terwijl slechts 5 procent van onze handel met de VS plaatsvindt.”

Johan Stekelenburg van de FNV deelt in het EMU-enthousiasme van het grootkapitaal. Al drukt hij zich wat zuiniger uit. “De voordelen overwegen wel”, aldus de vakbondsleider. “Ook in die zin dat aan de huidige monetaire politiek voor ons nadelen kleven. Wij hebben in Nederland bijvoorbeeld voorop gelopen met loonmatiging en ik heb dat steeds gesteund. Maar door de keiharde gulden zijn de positieve gevolgen daarvan voor ons nauwelijks zichtbaar. Ik denk dat we met één Europese munt meer voor die loonmatiging worden beloond.”

Tegelijk bespeurt Stekelenburg het risico dat de zeer sterke nadruk op monetaire criteria bij de invoering van de EMU een 'dempende werking' op Europese economieën kan hebben. “Waar nu alle nadruk valt op de reductie van overheidsschuld en begrotingstekort, kan er in achterrakende regio's best behoefte zijn aan sociale fondsen”, vindt Stekelenburg. “Of aan investeringen in bepaalde strategische sectoren waardoor de structuur van de economie wordt versterkt.”

Het idee voor één Europese munt dateert al uit de ludieke jaren zestig maar raakte pas na 1989 in volle omvang op de agenda. Pas vier jaar geleden werd met het Verdrag van Maastricht een definitieve keus gemaakt voor een Economische en Monetaire Unie (EMU) en een gemeenschappelijke Europese munt. Landen die hun begrotingstekort en hun schuldenquote weten te beperken tot de respectieve maxima van 3 procent en 60 procent, of wat dat laatste betreft 'overtuigende vordering' in die richting maken, mogen EMU-lid worden.

Zoals het er nu naar uitziet zullen per 1 januari 1999 zes tot acht landen, waaronder Duitsland, Benelux, Frankrijk en Oostenrijk, hun munten formeel kunnen koppelen waarna de Europese munt eerst de 'professionele geldmarkt' gaat beheersen. Uiterlijk op 1 januari 2002 wordt na een periode van intense voorbereiding en voorlichting de Europese munt in het alledaagse 'chartale' geldverkeer geïntroduceerd. Pas dan worden munten, biljetten en bankafschriften van de Europese doorsnee-burger in die euro-munt uitgedrukt. Medio 2002 moet de monetaire eenwording voltooid zijn.

Zoals de monetaire expert prof. A. Bakker het vorige maand in zijn oratie aan de Vrije Universiteit zei: “Er is geen sprake van één big bang maar van twee: een dubbele knal. Met een na-ontsteking van zes maanden worden vervolgens de laatste restanten van de nationale munten uit de weg geruimd.” Al mogen er wat Duitsland betreft best wat nationale symbolen op één kant van die gemeenschappelijke euro staan. Als de Europese leiders het tenminste eens worden tijdens de Madrileense top van dit weekeinde. Waar het, volgens ingewijden, nog steeds naar uitziet.

Blijft de vraag: hoe onomkeerbaar is Europa's monetaire eenwordingsproces? Is er kans op uitstel, vertraging of zelfs chaos en paniek op de financiële markten? Wat gebeurt er als op het laatste moment massaal tegoeden in D-marken worden omgezet? Het feit dat de Centrale Banken zulke omzettingen dan ongelimiteerd kunnen toestaan, is nauwelijks een oplossing voor bedrijven die inmiddels contracten en schulden in euro's hebben. Kortom, lopen we het risico van een 'monetair Schengen'?

“Dat is een dodelijke metafoor”, oordeelt VNO/NCW-voorzitter Rinnooy Kan hoofdschuddend. “Er is bij iedereen wel een zekere nervositeit of de euro-munt voldoende sterk zal zijn. De reputatie van die munt is doorslaggevend. En die reputatie zijn we nu aan het vormen. De markten volgen dat heel scherp.” Maar wanneer wordt het proces onomkeerbaar? “Wij zijn daar al dicht bij”, vermoedt de werkgeversvoorzitter. “Er is zoveel politiek gezag in geïnvesteerd. Het zou een ongelofelijke déconfiture zijn als 't niet door zou gaan. Zoiets is eigenlijk niet voorstelbaar. Dat zal ook één van de boodschappen van de komende EU-top van Madrid moeten zijn.”

Toch wilde Alexandre Lamfalussy, president van het Europese Monetaire Instituut, voorloper van Europa's Centrale Bank, eind vorige maand tijdens een bijeenkomst met Bondsdagleden in Bonn niet uitsluiten dat 't tijdens het monetaire integratieproces tot valutaire turbulentie zal komen. “Gemakkelijke oplossingen bestaan dan niet”, zei Lamfalussy. “Maar die onrust zal beheersbaar zijn. Als we de goede landen in de EMU kiezen hoeft er geen turbulentie op te treden.”

Treasurer B.F. Atsma van Unilever meent eveneens dat de overgang naar een muntunie niet vrij is van risico en dat er geen garantie op succes valt te geven. “Maar als de regeringen op tijd de juiste besluiten nemen, zich aan afgesproken criteria houden, en daarmee vertrouwen scheppen, ook op de financiële markten, is er geen reden om aan succes te twijfelen.”

Zijn collega Ruijter van Philips laat weten: “Ik maak me niet echt bezorgd. Er zijn rigide richtlijnen vastgesteld om toegelaten te worden tot de EMU en om lid te kunnen blijven. Na de aanvaarding van de gemeenschappelijke valuta verplichten de deelnemende landen zich een aantal beleidsmatige zaken aan elkaar te koppelen en op elkaar af te stemmen. Wat ook het doel is van de EMU als geheel. Worden D-mark, gulden of op langere termijn de euro daardoor bedreigd? Wij zien dat als onderneming niet zo.”

Zeer uitgesproken toonde zich onlangs onderdirecteur dr. A. Bakker van De Nederlandsche Bank tijdens zijn oratie aan de VU. “Ik acht het gevaar van een opbreken van de monetaire unie in de beginjaren irrealistisch”, aldus de nieuwbakken hoogleraar monetaire en bancaire vraagstukken. “Niet alleen de politieke maar ook de economische kosten van het uiteenvallen van de unie zouden hoog zijn, prohibitief hoog.” Hij vervolgde: “De vraag of de financiële markten de onverbrekelijke koppeling tussen de munten zullen uittesten is mijns inziens een non-issue. De Europese Centrale Bank is voldoende geëquipeerd om die koppeling te garanderen omdat zij de ongedeelde, volledige verantwoordelijkheid voor het monetaire beleid binnen het uniegebied heeft.”

Johan Stekelenburg beaamt: “Ik denk dat het een onomkeerbaar proces is.” Maar hij knoopt daar verrassend aan vast: “Dat is juist voor de vakbeweging een beetje vervelend. Want bij ons leeft het gevoel dat het monetaire eenwordingsproces in een meer sociale richting moet worden bijgestuurd. Dat uitgangspunt benadrukken we steeds weer, maar middelen om het hard te maken hebben we als vakbeweging nauwelijks. We kunnen en zullen niet dreigen met 'de EMU gaat niet door tenzij de sociale component meer nadruk krijgt.”

Toch wil de FNV-voorzitter via de nationale parlementen en het Europese parlement blijven proberen om de werkgelegenheid als niet-monetair criterium in het Verdrag van Maastricht te introduceren. “Verwaarloos je de sociale factor in het proces van monetaire eenwording, dan zullen de mensen die wij vertegenwoordigen de hakken in het zand zetten”, zegt Stekelenburg. “Daarmee zou je een pijler onder het EMU-proces wegtrekken en dat is onverstandig want de unie heeft nu juist brede steun nodig.”

Toch voelt financieel directeur F. Pistorius van het Limburgse DSM er niets voor om de werkgelegenheid tot EMU-criterium te verheffen. “Je kunt nog zoveel meer criteria stellen, over milieubehoud of concurrentiekracht en zo”, zegt hij. “Maar je kunt het beter bij monetaire criteria houden. Anders maak je de zaak te ingewikkeld en verklein je de kans op EMU. Bovendien leidt goed monetair beleid op termijn sowieso tot meer werkgelegenheid.”

De Amerikaanse monetarist David Roche probeerde die laatste stelling onlangs in de Wall Street Journal in enkele cijfers te vatten. De werkloosheid, zo schreef hij, bedraagt 11 procent in Europa, 5 procent in de VS en 3 procent in Japan. Dat duidt, volgens Roche, op een Europese 'systeemfout' en hij denkt precies te weten waar die zit: in Europa gaat 50 cent van iedere gulden naar de overheid, in de VS 35 cent en in Japan 20 cent. Kortom de niet-produktieve overheidssector in Europa is te groot. Dus als de EMU er in Europa toe leidt dat de overheid kleiner wordt en de particuliere produktieve sector groter, is dat goed voor de werkgelegenheid.

Voor Johan Stekelenburg is dat te simpel. “Recente studies naar de effecten van 'Europa '92' en de EMU tonen zonder meer aan dat de sociale gevolgen juist voor zwakke regio's in de lidstaten vaak ongunstig zijn.” Omdat de marktwerking dus z'n gebreken blijkt te hebben, eist de FNV-voorman 'een voortvarend en doeltreffend werkgelegenheidsbeleid op Europees niveau'. Daarbij beveelt hij naast sociale fondsen en gerichte investeringen in infrastructuur ook het instrument van de regelgeving aan. Enkele voorbeelden: door parttimers dezelfde rechten te geven als fulltimers waardoor de herverdeling van werk voor werknemers aantrekkelijker wordt; door de belastingdruk op arbeid te verminderen; of door minder btw te heffen op arbeidsintensieve diensten.

Nog een elementaire vraag: leidt het navolgen van de strenge EMU-criteria niet tot een kleinere overheid die minder heeft te beslissen en te besteden? Met alle gevolgen van dien voor de manoeuvreerruimte van nationale overheden, niet alleen op financieel-economisch terrein maar op veel breder maatschappelijk gebied? En dreigt Europa daarmee niet harder, sociaal flexibeler en Angelsaksischer van karakter te worden?

Piet Kroon, huiseconoom van het christelijke vakverbond CNV, ziet het zo'n vaart niet lopen. “We zitten nu al jaren met onze gulden gekoppeld aan de D-mark en dat legt ons ook monetaire beperkingen op”, zegt hij. “Heeft dat onze manoeuvreerruimte op andere terreinen zoveel beperkt? Ik denk het niet. Nederland deed bijvoorbeeld veel meer aan loonmatiging dan Duitsland. En daardoor konden we ons hogere sociale uitgaven permitteren dan onze oosterburen. Als nu andere landen gaan meedoen in EMU-verband, worden ze eigenlijk ook min of meer aan de D-mark worden gekoppeld. Dus wat verandert er? Hoogstens worden gulden en mark iets minder sterk en dat heeft voor ons zeker voordelen.” Daarom gaat Kroon er van uit dat wij ook binnen de EMU de aard van ons belastingstelsel, de hoogte van de sociale uitgaven en andere zaken zelf kunnen bepalen.

Van Rinnooy Kan zou een wat meer Angelsaksisch gekruid Europa best mogen. Maar hij vraagt zich af of dat er in zit. “Een kleine overheid is wenselijk maar zeker geen noodzakelijk gevolg van monetaire integratie”, oordeelt hij. “Daar komt bij dat een bescheiden overheid met een bescheiden overheidstekort natuurlijk een heel actieve en krachtige overheid kan zijn. Dat wordt nogal eens met elkaar verward. Het misverstand moet dus niet zijn dat wie pleit voor monetaire integratie ook de taken van de nationale overheid wil uithollen.” Overigens gelooft de werkgeversvoorman dat van de Europeanen - met of zonder EMU - meer aanpassing en dynamiek wordt geëist. En niet alleen op monetair terrein. Al was het alleen maar om de groeiende concurrentie uit Amerika en Azië het hoofd te bieden.

Wat het tempo van de overgang naar de EMU en de gemeenschappelijke munt betreft, lopen de opvattingen sterk uiteen. “We geven als bedrijf de voorkeur aan een zo kort mogelijke overgangsperiode”, zegt Philips' financiële directeur Robert Ruijter. “Heb je een lange interimperiode waar nationale en euro-munten naast elkaar bestaan, dan wordt de kans op verwarring en spijtoptanten groter. In plaats van een tweetraps-raket van drie jaar en nog eens een half jaar zouden wij liever een ééntrapsprojectiel zien met een zo kort mogelijke periode er na.” Een complicerende factor is, volgens Ruijter, dat Philips te maken heeft met marktpartijen die tot op 't laatste moment de nationale munten zullen gebruiken waardoor de onderneming zelf ook pas dan helemaal overstag kan.

Aan de noodzakelijke bijstellingen binnen Philips zelf tilt Robert Ruijter niet zwaar. Hij zegt: “Eigenlijk zijn we daar allang mee bezig. Eerst hadden we allerlei systemen op nationaal niveau en dat werden al steeds meer bredere regionale systemen. Je probeert bijvoorbeeld nu al de logistiek voor Europa als één geheel te managen wat betekent dat je voor het hele continent nog maar zes of zeven grote voorraadcentra nodig hebt. Daar vandaan wordt inmiddels gefactureerd zodat je nu al dezelfde systemen hebt voor meerdere landen. Alleen heb je nu nog te maken met verschillende valuta die je steeds ten opzichte van elkaar moet bijstellen.” Hij resumeert: “Wat we bij monetaire eenwording krijgen is eigenlijk een verdere vereenvoudiging van onze systemen. Dat moet wel georganiseerd worden maar erg complex is het niet.”

Treasurer Atsma van Unilever hamert er evenzeer op: hoe korter de overgangsperiode des te beter. Wat zaken als financiering en grote financiële transacties betreft voorziet hij dat grote bedrijven als Unilever al snel na 1 januari 1999 de gemeenschappelijke Europese munt zullen gaan gebruiken. Al ziet hij de nodige haken en ogen. “Neem contracten”, oppert Atsma. “De meesten bevatten ook financiële bepalingen in geld. Om die te veranderen heb je Europese regelgeving nodig, die er nog niet is. En die moet dan weer worden vertaald in nationale wetgeving waarbij er voor gezorgd moet worden dat die contracten in alle landen eenzelfde uitwerking houden. En dan zijn er nog contracten tussen Europese en niet-Europese partijen...”

Toch houdt de financiële man van Unilever goede moed. “Ik heb ooit een paar jaar voor mijn baas in Brazilië gewerkt en dan moesten er soms van de ene op de andere dag drie nullen af. Na een paar dagen werd er dan toch weer gefactureerd. Als het moet kan er een hoop.” De omschakeling van software-programma's schrikt Atsma dan ook nietn af. “Onze software wordt sowieso regelmatig vervangen.”

Alexander Rinnooy Kan van het VNO/NCW pleit er zelfs voor de hele tweede overgangsfase van een half jaar in te dikken tot een luttel weekeinde of zelfs een dag. “Waarom laten we de consumenten niet gewoon vóór EMU-day bij de bank euro's ophalen, zoals zij dat ook voor een buitenlandse vakantie doen, waarna vanaf EMU-day de euro de 'nationale munt' wordt. De gulden kan dan alleen nog via de bank tegen euro's worden ingewisseld zoals dat na een buitenlandse vakantie gebruikelijk is. Zo is het in een etmaal te regelen.”

Johan Stekelenburg vertrouwt deze truc allerminst. “Ik begrijp van onze nationale bankdirecteur Duisenberg zelf dat hij die 3,5 jaar zeker nodig heeft voor het omwerken van alle systemen en het aanmaken van 20 miljard nieuwe bankbiljetten en 60 miljard nieuwe munten. Dat doe je niet zo maar even.” Voorts mogen de snelle managers van het bedrijfsleven van de vakbondsleider niet vergeten dat er ook bij de overheid ongelooflijk veel moet worden omgezet. Neem alleen al de belastingdienst, de sociale dienst of de studiefinanciering. En dan hebben wij nog één van de meer efficiënte overheden in Europa. In een land als België moet een beetje besluit eerst in tijdrovende wetgeving worden vastgelegd.

Ook in de bancaire sector, waar verreweg het meeste transitiewerk wacht, is men minder jachtig. “Er zijn er die de maximale periode van drie plus een half jaar veel te lang vinden”, aldus onderdirecteur Bakker van De Nederlandsche Bank. “Als belangrijkste argument wordt de vrees voor aantasting van de geloofwaardigheid genoemd als het allemaal langer gaat duren. Zorgvuldigheid gaat hier echter boven snelheid. Bovendien acht ik het gevaar van een opbreken van de monetaire unie in die beginjaren irrealistisch. Niet alleen de politieke maar ook de economische kosten van het uiteenvallen van de unie zouden hoog zijn, prohibitief hoog.”

    • Ferry Versteeg