Klassiekers

MICHEL KNAPEN: De bron en de stroom, 25 hoogleraren over hun grote wetenschappelijke voorbeeld

250 blz., Tilburg University Press 1995, ƒ 32,50

In de meeste proefschriften staan maar zelden verwijzingen naar de klassieke studies van het vakgebied, viel wetenschapsjournalist Michel Knapen op. Hij vroeg zich af of klassiekers als The general theory of employment, interest and money van de econoom John Maynard Keynes en Wirtschaft und Gesellschaft van de socioloog Max Weber hedendaagse wetenschappers nog wel weten te inspireren. Om die vraag te beantwoorden, sprak hij met vijfentwintig hoogleraren van de Katholieke Universiteit Brabant over hun grote voorbeelden, en bundelde hij zijn bevindingen in De bron en de stroom.

Ernst Hirsch Ballin, oudminister van justitie en nu hoogleraar internationaal recht, opent de rij met een lofzang op de filosoof Thomas van Aquino. Dat hij in zijn kamer op het ministerie een ronde tafel liet neerzetten, komt volgens hem voort uit zijn 'ontmoeting met Thomas'. De thomistische redeneerwijze van argument, tegenargument, beoordeling en antwoord leent zich volgens hem uitstekend voor rondetafelgesprekken. Wat Hirsch Ballin verder ziet in deze katholieke oerdenker blijft duister, vooral door zijn karakteristieke plechtstatige, abstracte verteltoon.

Knapen schrijft dat hij voor zijn boek de journalistieke 'methode-Wittkampf' heeft gebruikt. Daarbij stelt de interviewer zich terughoudend op en laat de geïnterviewde zelf zijn accenten leggen, zelf aangeven welke elementen uit het leven en werk van de inspiratiebron van belang zijn geweest. In de praktijk heeft dat ertoe geleid dat de wetenschappers nogal oeverloos praten. Het lijkt alsof de gesprekken min of meer integraal zijn afgedrukt, met weglating van haperingen en stoplappen. Het gevolg is een merendeels tergende saaiheid, waarbij de neiging groeit om de genoemde klassiekers vooral niet te (her)lezen.

Alleen zeer goede vertellers komen daardoor uit de verf in dit boek. Zo'n rasverteller is bijvoorbeeld de hoogleraar Rechtsfilosofie Bert van Roermund. Zijn enthousiasme voor Jean Jacques Rousseau is werkelijk aanstekelijk. Hij slaagt er zelfs in om begrip te wekken voor de op het oog hardvochtige uitspraak die de Franse denker deed na de aardbeving van Lissabon in 1755: “Dan hadden de duizenden doden maar niet in de huizen van zeven etages moeten wonen, maar op het platteland.”

Ook het verhaal van Paul Cobben (hoogleraar moderne wijsbegeerte) springt eruit. Niet omdat zijn betoog nieuwsgierig maakt naar zijn grote voorbeeld Hegel (“Een ijdel man, maar in zijn geval vind ik dat terecht.”), maar omdat Cobben op scherpzinnige en hartstochtelijke wijze weet over te brengen wat een filosoof drijft en wat denken fascinerend maakt.

Boeiend zijn eveneens de biografische details die Herman Beck (hoogleraar fenomenologie van de godsdiensten) vertelt over de tegendraadse godsdienstwetenschapper Fokke Sierksma. Die trapte gelovige studenten op hun ziel, foeterde studenten uit om hun vermeende hoerenbezoek en gaf soms in beschonken toestand college. Hij is overleden aan een leverkwaal. Sierksma was, kortom, het romantische type wetenschapper dat alleen in vroeger tijden voorkwam, toen wetenschap nog een individuele bezigheid was en hoogleraren niet de verantwoording voor vakgroepen droegen en nog tijd hadden om dikke boeken te schrijven voor het nageslacht.