Kan de Nederlandse soldaat wel vechten? Het liefste leger van Europa

Van bewapende Navo-soldaat is de Nederlandse militair veranderd in een geüniformeerde burger, opgeleid voor VN-vredestaken. In Srebrenica werd de keerzijde zichtbaar. Een portret van de krijgsmacht: te lief en te laf, of juist een voorbeeld voor de wereld? Iedere brigade een psycholoog en een maatschappelijk werker. Over de afkeer van macho-gedrag in het Nederlandse leger.

Verkeersdrempels dragen ertoe bij dat de Van Horne kazerne in Weert veel weg heeft van een woonwijk. “Dat is nog niets vergeleken met wat er straks gaat gebeuren. Dan gaan de hekken om de kazerne weg, dan wonen de militairen gewoon in de samenleving,” vertelt legervoorlichter Maarten Beneker, die enthousiast is over de “vermaatschappelijking” van de krijgsmacht. Maar hoe moet het dan met de bewaking van de wapens? Dat is volgens Beneker heel eenvoudig. Die wapens doe je in een opslagplaats en die bewaak je. Hebben militairen dan geen persoonlijk wapen meer in de kast naast hun bed, waarmee ze tijdens een onverwachte alarmoefening bij nacht en ontij naar buiten stormen? Beneker kijkt verbaasd op van zo'n ouderwetse vraag. Generaal buiten dienst A.K. van der Vlis, die vorig jaar opstapte als chef defensiestaf omdat hij bezuinigingen op de defensiebegroting niet kon aanvaarden, vindt de vraag al even ongebruikelijk: “Een persoonlijk wapen in de kast is al lang niet meer nodig.” De dreiging voor Nederland is na de Val van de Muur immers weg; het is vrede en de wapens kunnen in de opslag blijven.

Kan de Nederlandse soldaat wel vechten? Van der Vlis heeft zich net als veel andere militairen geërgerd aan krantecommentaren waarin na de val afgelopen zomer van de moslimenclave Srebrenica werd uitgelegd dat er geen Nederlandse krijgshaftige militaire traditie bestaat; het gedrag van Nederlandse militairen in voormalig Joegoslavië moet worden verklaard uit een weinig heroïsche Nederlandse cultuur. Daarom leidt hij eind november een conferentie met de titel “Nooit meer vechten?” waar onder andere wordt ingegaan op de vraag 'Hoe relevant zijn nu precies de verschillen in veiligheidspolitieke en in militaire tradities tussen de Fransen, Engelsen en Amerikanen bijvoorbeeld? En hoe zit het eigenlijk met Nederland - te lief en te laf om Srebrenica te verdedigen?' Deelnemers aan de conferentie zijn in hoofdzaak militairen, in Rijswijk bijeen op de voormalige Hogere Krijgsschool. Die is tot Instituut Defensie Leergangen omgedoopt nu de Koude Oorlog voorbij is en Nederlandse militairen geacht worden meer over humanitaire hulp en handhaving van de internationale rechtsorde te denken dan over vijanden.

Juist op die plaats vertelt de Nederlander dr. J.W. Honig, medewerker van het Department of war studies van het Londense King's College, dat het droevig gesteld is met de internationale reputatie van de Nederlandse krijgsmacht. Het Nederlandse leger staat volgens hem bekend als “democratisch en niet betrouwbaar”. Het lijkt hem niet gemakkelijk om iets aan dat beeld te veranderen. Nederland is volgens Honig een land met een groot gebrek aan militaire expertise, aan kennis over de mogelijkheden van de combinatie van militair en diplomatiek optreden in een oorlogssituatie. Luitenant-generaal B. Droste, bevelhebber der luchtstrijdkrachten, weet niet wat hij meemaakt. “Een dolksteek in de rug” noemt hij Honigs opmerkingen. Maar Honig neemt geen woord terug. “Het is in het buitenland moeilijk te begrijpen als na de val van Srebrenica verschillende militairen en de minister van defensie elkaar tegenover de pers tegenspreken. Ook begrijpt men niet dat de zorg voor het eigen personeel zo groot is, dat zelfs in een oorlogssituatie het op verlof sturen wordt doorgezet”, houdt hij de Nederlandse militairen voor.

Onder de tram

Op de conferentie vraagt een dienstplichtig luitenant het woord, drs. R.W. Terpstra. In zijn burgerkleding doet hij meer denken aan een jonge manager dan aan de spreekwoordelijke ouwe stomp die de laatste honderd dagen van zijn dienstplichttijd dagelijks een centimeter van een meetlint afknipt. Hij houdt zich bezig met militair strategische aangelegenheden bij de defensiestaf op het ministerie. Ook temidden van de bevelhebbers wordt hij niet gehinderd door schroom. Hij heeft een verhaal over de Nederlandse krijgsmacht dat de aanwezigen met trots kan vervullen. “In heel Europa geldt Nederland als het voorbeeld hoe de democratie in de krijgsmacht kan binnendringen”, houdt hij de zaal voor. “Oosteuropese landen hangen aan onze lippen.”

Applaus krijgt hij niet: van onbetrouwbaarheid, onkunde en lafheid willen de generaals niets weten. Maar ze voelen er evenmin voor om de vermaatschappelijkte Nederlandse krijgsmacht het buitenland ten voorbeeld te stellen. Generaal Droste moppert over de korte, ambtelijke werkweek binnen het leger. Luitenant-generaal buiten dienst prof. W.J. Loos, die aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA) in Breda militair operationeel management doceert en over militaire zaken publiceert in De Telegraaf, schetst het beeld dat hij heeft van de Nederlandse krijgsmacht. Het personeel is weinig beschikbaar. Het gebeurt zo vaak dat iemand op verlof is, dat steekproeven uitwezen dat de kans om een militair op zijn werkplek aan te treffen 1 op 7 is. “Doorgeschoten” noemt Loos de militaire werktijdregelingen. Militairen hebben bijvoorbeeld een 38-urige werkweek, maar werken in de praktijk veertig uur per week. Daarom mogen ze jaarlijks twaalf extra ATV-dagen opnemen. De vakantie mag 23 tot 26 dagen duren. Tijdens oefeningen mag er geen verlof worden opgenomen, zodat er nogal eens een opeenhoping van verlofdagen ontstaat. Overuren bij oefeningen worden extra betaald. Uitzending voor VN-taken resulteert in hogere salarissen. Na terugkeer in Nederland is er recht op recuperatieverlof. Defensie onderzoekt nog de mogelijkheden voor verdere arbeidsduurverkorting; ook die zou uitgekeerd kunnen worden in de vorm van een extra, periodiek verlof.

Met de bereidheid om zich in te zetten heeft de Nederlandse militair nooit een probleem. De luitenant-generaal b.d. weet ook hoe dat komt: “Die bereidheid hangt af van de kwaliteit van de leiding.” De discipline bij de krijgsmacht “is onder invloed van het maatschappelijk gebeuren een tikje onder de tram geraakt”, maar de laatste tijd gaat het geleidelijk beter. Wat de betrouwbaarheid van de krijgsmacht betreft, vindt Loos “imageverbetering” afdoende.

Tijdens de koffiepauze mopperen de aanwezige militairen veelvuldig op minister Voorhoeve van defensie, die als ethicus en moralist de mentaliteit van een welzijnswerker zou hebben. Ze voelen zich in de steek gelaten door de minister die het sinds de val van Srebrenica niet voor hen heeft opgenomen, maar onderzoeken heeft laten verrichten. Omdat de legertop een spreekverbod heeft is er niemand die het parlement en het publiek vertelt hoe het er in oorlogsomstandigheden aan toe gaat, is de redenering. “Een generaal die z'n mond open doet wordt al bijna ontslagen, ook al was het alleen maar om te geeuwen,” kenschetst Loos de stemming.

Een hopeloos geval

Maar de belangrijkste vraag die de militairen sinds Srebrenica beantwoord willen zien, is of de Nederlandse militair beschouwd moet worden “als een hopeloos geval, waarmee de wereld moet leren leven”, zegt prof. dr. G. Teitler. Hij doceert internationale betrekkingen aan de KMA en militaire geschiedenis aan het Koninklijk Instituut voor de Marine. Hij steekt de generaals een hart onder de riem door de traditie van krijgshaftigheid van Franse militairen “een verzinsel” te noemen. “Het Franse leger heeft bedoelde traditie tegen het einde van de vorige eeuw uit de duim gezogen”, zegt hij.

Volgens Teitler bevindt de Koninklijke Landmacht zich in een aanpassingsfase. Tijdens de Koude Oorlog werd er alleen maar geoefend. “De intensiteit van de Bosnische gebeurtenissen is in vergelijking daarmee van een volstrekt andere orde van grootte. De mentale en organisatorische aanpassing, die met deze omschakeling gepaard had moeten gaan, heeft te wensen overgelaten,” zegt hij. Maar waarom hebben Nederlanders het moeilijker met die aanpassing dan Britten of Fransen? “Een verklaring hiervoor kan zijn dat de Nederlandse samenleving een buitengewoon hoog zorggehalte heeft ontwikkeld. De krijgsmacht heeft zich van dit verschijnsel bepaald niet afgesloten. Het is daarom denkbaar, dat de confrontatie met 'het veld' hierdoor wat stroever verloopt dan elders.”

Riedel geven

Vijf onderofficieren in de Weertse Van Horne kazerne, die in Libanon, de Sinaï en ex-Joegoslavië met militairen uit andere landen hebben samengewerkt, hebben van een stroeve aanpassing geen weet. Integendeel. Sergeant-majoor B. Eekma beschouwt de Nederlandse militairen internationaal gezien als “voorlopers”. Sergeant eerste klas S. Verlaat vertelt tevreden dat de Nederlandse krijgsmacht veel meer vermaatschappelijkt is dan bijvoorbeeld de Duitse, Franse of Amerikaanse. “Bij anderen heerst veel meer een mentaliteit van bevel is bevel. Wij geven de Nederlandse soldaat meer vrijheid van handelen, we geven vertrouwen. We zijn minder hiërarchisch dan anderen. Vroeger kreeg je een preciese opdracht hoe je iets moest doen. Nu is de Nederlandse militair flexibel, hij doet alles wat hem voor de voeten komt.”

Het vijftal - van wie drie een cursus volgen aan de Hogere Onderofficiers School - voelt zich het meest verwant met Deense en Noorse militairen, omdat die net als Nederlanders informeel zijn en niet in de eerste plaats op militaire rangen letten. Van militair machtsvertoon willen ze niets weten. Sergeant eerste klas F. Brandenburg: “Tien jaar geleden hadden we een verdedigende taak. Nu zijn daar zaken als crisisbeheersing bijgekomen. Het ging eerst om oorlog voeren. Nu gaat het om praten en onderhandelen.”

Met weerzin praten de onderofficieren over Britse militairen, die als ze als peacekeepers een wegversperring tegenkomen “even een riedel met hun wapens geven” om indruk te maken, en daarna gaan praten. Eekma: “Zo zijn wij Nederlanders niet. Wij hebben een andere mentaliteit dan de Britten. Wij willen geen machtsvertoon. We zijn geen cowboys.”

Zeer tevreden zijn de onderofficieren over de arbeidsvoorwaarden in de krijgsmacht die door de vakbonden zijn afgedwongen. Ze hebben met name waardering voor de invloed die de vakbond van dienstplichtigen VVDM sinds begin van de jaren zeventig heeft uitgeoefend. Ze beschrijven het militaire beroep tijdens de Koude Oorlog als een baan van acht uur 's morgens tot vijf uur 's middags. Pas de laatste jaren is de onzekerheid gekomen: “Misschien ben ik volgende week uitgezonden”.

Bijzonder te spreken zijn de militairen ook over de psychologische hulp die beschikbaar is. “Je kunt snel je verhaal kwijt, er is nazorg als je die nodig hebt,” zegt Brandenburg. Maar Eekma voegt daaraan toe dat hij het soms bij de Landmacht wel “te soft” vindt. Hij trekt een vergelijking met de marine, waar hij vroeger diende. “De marine had een echte gevechtstaak, daar was meer dril nodig,” zegt hij. Maar vervolgens overweegt hij dat hij al dertien jaar weg is bij de marine en dat het daar inmiddels ook “softer” geworden kan zijn.

Ontwricht

Kolonel drs. A. Lobbezo was ooit infanterie-officier en is nu als klinisch psycholoog hoofd van de Afdeling Individuele Hulp, die in 1975 als organisatie apart van de geneeskundige dienst is opgezet voor psychologische bijstand binnen de Landmacht. “Binnen de NAVO lopen wij voorop”, meldt hij tevreden in zijn kantoor in een Amersfoortse villawijk. “Dat is ook in voormalig Joegoslavië gebleken. In 1992, toen nog geen enkel land een psycholoog in de voorste lijn had, was er al een Nederlandse psycholoog in Sarajevo.”

Bij de marine wordt psychologische hulp in geval van nood apart aangevoerd. Het kleine korps mariniers (2900 militairen) moet het ook met de hulp van de marine doen. De Koninklijke Luchtmacht kan psychologische hulp naar een vliegbasis brengen als dat nodig is. Bij de Landmacht vallen de commando's in de praktijk meestal buiten de psychologische hulpverlening. “Zij pissen, poepen, doen alles met elkaar. Daar moet je als buitenstaander niet tussenkomen”, redeneert Lobbezo.

Tijdens de Koude Oorlog was het de bedoeling dat iedere brigade door een klinisch psycholoog en eventueel een maatschappelijk werker gevolgd zou worden voor de opvang van militairen met gevechtsstress. Volgens Lobbezo had Nederlandse deelname aan de vredesmacht van de Verenigde Naties begin van de jaren tachtig in Libanon als gevolg dat er medisch en sociaal ontwrichte mensen terugkwamen die langdurige therapieën nodig hadden. Daarom wordt er de laatste jaren meer preventief gewerkt. Het militaire kader wordt getraind om bij afwezigheid van professionele hulpverlening eerste opvang te verzorgen voor soldaten met stressverschijnselen.

Militairen die uit voormalig Joegoslavië terugkeren krijgen gesprekken met een psycholoog en een maatschappelijk werker. Na negen maanden krijgen ze nog een vragenlijst om aan te geven of ze wel of geen problemen hebben. Volgens Lobbezo heeft de “actieve psychologische benadering met eerste hulp ter plekke” tot gevolg dat later minder langdurige therapieën nodig zijn. Hij baseert zich voor een deel op ervaringen van Amerikaanse en Israelische militaire psychologen. Maar daarnaast hecht hij groot belang aan de verslagen van hulpverlening na rampen als wervelstormen in de Verenigde Staten of de aardbeving bij het Japanse Kobe. In zijn koffertje heeft hij het vertrouwelijke verslag van de psychologische hulpverlening aan politieagenten na het neerstorten van een vliegtuig in de Bijlmer. De politie zou door de aandacht die hun werd opgedrongen zozeer de problemen hebben uitvergroot dat de hulp averechts werkte. Lobbezo heeft nog geen oordeel, hij gaat het rapport eens rustig bestuderen.

De gedachte internationaal voorop te lopen, of het nu gaat om psychologische bijstand of het toelaten van homoseksuelen, is wijdverbreid binnen de krijgsmacht. Majoor der mariniers E.J.M. Blommestijn, een cursist bij het Instituut Defensie Leergangen in Rijswijk, noemt ook een voortrekkende rol van Nederlandse militairen. Op Nederlands initiatief is bij een Amerikaans trainingscentrum in Zuid-Duitsland een opleiding voor vredeshandhaving opgezet, wat een andere manier van denken vereist dan optreden tegen een vijand. Blommestijn, die als marinier gewend is intensief met Britse militairen samen te werken: “Deze training is de cornerstone voor de Amerikaanse peacekeeping geworden. Het is een filosofie waar we trots op mogen zijn. De Amerikanen hebben gezegd: hadden we deze training maar gehad voordat we naar Somalië gingen.”

Ondergraving

Jongere officieren die een opleiding volgen bij het Rijswijkse instituut hebben niet de zorgen van generaals. Generaal b.d. Van der Vlis zegt dat men in het buitenland weet dat Nederlandse militairen goed zijn. “Maar we hebben zaken als lange haren en vakbonden nooit kunnen uitleggen.” Hij prijst de openheid van de Nederlandse militaire organisatie, die volgens hem een verbetering is in vergelijking met de feodale verhoudingen die hij als beginnend militair aantrof. “Maar met een zo gedetailleerd werk- en rusttijdenbesluit als we nu kennen, is niet te werken.”

Majoor Blommestijn, branieachtig schuin op zijn stoel: “Vakbonden hebben gezorgd voor aansluiting bij de maatschappelijke ontwikkelingen. Die kunnen niet buiten de defensie worden gehouden.” Majoor P. Oppers valt hem bij:“Wij zijn een afspiegeling van de samenleving.” Kapitein J. de Jong vult aan: “In Duitsland waren jaarlijks tankschietwedstrijden. Voor Nederland deden langharige dienstplichtigen mee. Die wonnen wel steeds de beker.”

Vermaatschappelijking is een belangrijke term voor deze officieren. De dienstplichtigenvakbond VVDM wordt al lang niet meer, zoals begin jaren zeventig, als ondergraving van de krijgsmacht gezien. Nederland is met lange haren en de VVDM juist koploper geweest. “Iedere militair is een verlengstuk van de maatschappij,” zegt luitenant ter zee der eerste klasse R. Ramaekers. Hij is commandant van een onderzeeboot geweest. Het gebeurde regelmatig dat als hij van boord ging zijn ondergeschikten al naar huis waren. “Maar niemand was te beroerd als er wat gedaan moest worden. Er werd weinig aandacht besteed aan verschillen in rang. Er heerste een familiesfeer aan boord. Dat verandert als er iets mis gaat. Dan gelden de gezagsverhoudingen.”

In een klein kamertje van de Leidse universiteit veronderstelt militair historicus dr. M. Bossenbroek dat de gedachten die binnen de krijgsmacht leven minder te maken hebben met Nederlandse tradities dan met de ontwikkeling van de hele Nederlandse samenleving in de jaren zestig en zeventig. In het negentiende-eeuwse Europa was Nederland een kleine mogendheid die neutraal wilde blijven. In Indië was Nederland een koloniale mogendheid en vochten Nederlandse militairen niet minder gewelddadig dan elders Fransen en Engelsen deden. “In Europa moet de Nederlandse militaire traditie vergeleken worden met die van landen als België en Denemarken. Maar in Indië traden we hard en superieur op, hoewel we onszelf het beeld voorhielden dat we niet agressief waren omdat we het beste met de mensen daar voor hadden.”

Wel signaleert Bossenbroek in de negentiende eeuw weinig enthousiasme voor de krijgsmacht bij de betere burgerij in het westen van het land. Alleen een officier bij de marine had een status, omdat de zeesoldaten de oude rol hadden van wereldwijde beschermers van de belangen van de Nederlandse koopvaardij. Een traditie van discipline of een gebrek aan discipline is er volgens hem niet. De mobilisatie was in 1870 een zootje en ging in 1914 redelijk. “Hoe zo'n mobilisatie verloopt hangt af van de toestand in de hele samenleving op zo'n ogenblik.”

Dr. H. Amersfoort, medewerker van de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht en bijzonder hoogleraar militaire geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, benadrukt dat het militaire optreden voor de Tweede Wereldoorlog in Indië geen enkele invloed had op het militaire denken in Nederland. “In Nederland wist men niet wat oorlogvoeren betekende. Nederland kende het verschijnsel oorlog alleen uit de literatuur. De militaire tijdschriften waren van een goed niveau, maar de praktijk bestond alleen uit de oefening.” Hij zegt bovendien dat onderzoek heeft uitgewezen dat gevechtservaring al na vijf jaar vergeten is.

Als de Nederlandse krijgsmacht nu specifieke kenmerken heeft, zijn die volgens hem het gevolg van een tolerant politiek klimaat. “De legerleiding had in de jaren zeventig gezien de maatschappelijke en politieke omstandigheden nauwelijks een andere keus dan met de soldatenvakbond te overleggen. Sinds de tweede helft van de jaren zeventig geniet ook een groot deel van het beroepspersoneel van de krijgsmacht van verworvenheden van de vermaatschappelijking. Het klimaat was in Nederland toleranter dan in bijvoorbeeld Frankrijk. In Nederland zijn de strijdkrachten nooit als een instrument voor machtspolitiek beschouwd, zoals in Frankrijk en Engeland.”

Op de conferentie over 'Nooit meer vechten?' in Rijswijk uit prof. Teitler zijn ergernis over de veronderstelde “vaderlandse eigenaardigheden” naar aanleiding van het optreden van Dutchbat in Srebrenica. Hij zegt: “De Nederlandse krijgsmacht heeft weleens eerder in actie moeten komen na een lange vredesperiode. Zij kwam weleens eerder moeizaam uit de startblokken. Toch is het niet juist om in deze regelmaat een traditie te lezen. Zulke gebeurtenissen overkomen een krijgsmacht.”

    • Ben van der Velden