Jill Wentzel, liberaal activiste over Zuid-Afrika; 'Soms denk ik, het ging te snel'

JILL WENTZEL: The Liberal Slideaway

430 blz., The South African Institute of Race Relations 1995 1), ƒ 45,-

Ze heetten liberals, maar ze waren van alles. Bovenal ging het om een losse verzameling blanke Zuidafrikanen, een heterogeen gezelschap van conservatief-liberalen en sociaal-democraten, vrije-marktfanaten en aanhangers van staatsregelarij, lieve mevrouwen van de charitas en woedende jongeren die bommen wilden gooien. Ze hadden slechts met elkaar gemeen dat ze niet in de ligstoel op de veranda wensten te wachten tot de apartheid overging.

De groep mocht klein zijn, haar stem klonk over de hele wereld. Schrijvers zoals Alan Paton, politici als Helen Suzman, juristen, kerkleiders, academici en journalisten stelden zich in woord en geschrift teweer tegen de rassenscheiding en de totalitaire staat die haar in stand hield. Via buitenlandse ambassades in Pretoria en via de internationale media vonden zij het oor van de wereld met hun informatie over het lot van de vermoorden en de gemartelden, van de miljoenen zwarten die van hun land werden verdreven, van de tallozen die zonder proces in gevangenschap verkommerden. De liberals waren het levend bewijs dat niet alle blanken in Zuid-Afrika racisten waren.

Nu het land eindelijk een democratie is, geregeerd door de zwarte meerderheid, zou een zekere tevredenheid onder deze groep te begrijpen zijn. Maar daarvan in geenszins sprake. Dat blijkt uit het verhitte debat over de rol van de blanke intelligentsia in de strijd tegen de apartheid dat onlangs werd aangezwengeld door Jill Wentzel met haar felle en kritische The Liberal Slideaway. Wentzel is nu 61 jaar en zij is zelf decennia lang in de liberale beweging actief geweest, maar in haar boek verwijt zij de Zuidafrikaanse liberalen dat ze in de jaren tachtig bewust hun ogen hebben gesloten voor de wreedheden van het ANC. De people's war, de opstand van de zwarte bevolking onder leiding van het Verenigd Democratisch Front, de bovengrondse arm van het verboden Afrikaans Nationaal Congres, ging gepaard met veel geweld en intimidatie. De liberalen zwegen daarover, en daarmee hebben ze volgens de auteur hun eigen principes - mensenrechten, vrijheid van meningsuiting, rechtsgelijkheid - verraden.

“Er hangt in Zuid-Afrika nog steeds een verschrikkelijke politieke correctheid in de lucht,” zegt Wentzel in haar kantoor in Johannesburg. “Het is afschuwelijk. Met de termen 'links' en 'rechts' wordt geschermd alsof het scherpgeslepen messen zijn, terwijl de woorden in werkelijkheid allang hun betekenis hebben verloren. Er zijn zo veel heilige koeien in dit land, zoveel dingen die je niet mag aanvallen. Als je de nieuwe regering kritisch volgt, ben je een racist of wil je alleen je privileges beschermen. Dat krijg je zelfs van mede-liberalen te horen. Onder ieder woord liggen momenteel zes bommen.”

Grijstinten

Wentzel heeft geen gemakkelijk thema aangesneden. Decennia lang heeft het debat in Zuid-Afrika geleden onder de monotonie van goed en kwaad, maar ook in de roes van de overwinning is ruimte voor grijstinten moeilijk te vinden. Zij heeft bovendien in sommige ogen haar positie tegen. Ze werkt als senior researcher bij het Zuidafrikaanse Instituut voor Rassenrelaties. Dit onafhankelijke onderzoeksinstituut bracht als baken van betrouwbaarheid de feiten over de gevolgen van de apartheid naar buiten. Het weigerde alle 'politieke' moorden toe te schrijven aan de Inkatha Vrijheidspartij en de apartheidsstaat, en bleef wijzen op de rol van het ANC in het bloedvergieten. Veel 'progressieven' vonden het daarom verdacht, en menige liberaal zonk weg in twijfelzucht.

Wentzel beschrijft dat wegglijden in het politiek-morele slagveld aan de hand van haar persoonlijke ervaringen als vooraanstaand activist in de Black Sash. Deze organisatie van vooral blanke vrouwen werd in de jaren vijftig opgericht uit protest tegen de grondwetswijziging die kleurlingen van de kiezerslijst in de Kaap moest verwijderen. Wentzel beschrijft hoe gaandeweg veel vrouwen, geconfronteerd met de alledaagse wreedheden, zo walgden van het systeem dat zij elke kritiek verloren tegenover de methoden die zwarten in hun strijd gebruikten. Oog in oog met het bloedvergieten van zwarte zijde deed volgens Wentzel de 'twintig-twee-regel' steeds meer opgeld: voor twee zinnen kritiek op geweld van links, moest men eerst in twintig zinnen de apartheid van alles de schuld geven. “Er was een verknoopte houding in liberale kring: we weten dat ze moorden, maar we doen net alsof het niet waar is.”

In The Liberal Slideaway geeft Wentzel talloze voorbeelden van de uitwassen van de strategie van het ANC. Inwoners van de townships die weigerden deel te nemen aan de huurboycot of aan stakingen liepen het risico dat hun huis werd afgebrand. Zwarte bestuurders en politiemannen in de zwarte woongebieden werden gebrandmerkt als collaborateurs en verjaagd. Velen vonden de dood door de gruwelijke 'halssnoermethode', waarbij het slachtoffer werd getooid met een autoband vol benzine die vervolgens werd aangestoken.

De liberalen zwegen meestal. Ze waren verdwaald tussen hun afkeer van onmenselijke middelen en hun streven naar een menselijke samenleving. Ze lieten het protest over aan mensen zoals aartbisschop Desmond Tutu. Die zette misschien wel meer dan zijn reputatie op het spel toen hij in 1985 na de openbare verbranding van een zwarte vrouw een menigte woedend toesprak: “Als jullie dit ooit weer doen, kan ik niet meer spreken voor de zaak van de bevrijding. Dan pak ik mijn koffers, neem mijn gezin mee en verlaat dit prachtige land waarvan ik met zoveel passie houd”. Het zou niet helpen, de necklace bleef in zwang.

De voorhoede van de zwarte revolutie waren de schoolkinderen. Velen gingen niet naar school onder het motto 'liberation before education', bevrijding voor scholing. Kinderen die wel onderwijs wilden volgen, werden met geweld gedwongen thuis te blijven. Jongeren oefenden vaak een ware terreur uit in de townships. Ze maakten een eigen rechtssysteem, de people's courts, en voerden executies uit wanneer de volksrechtbank zulks had beslist. De anti-apartheidsorganisaties die dagelijks het geweld van de politie veroordeelden, stonden met hun mond vol tanden tegenover deze praktijken. Het leidde er volgens Wentzel toe dat de wereld “een veel te simplistisch beeld” kreeg van de toestand in Zuid-Afrika - een beeld dat door een buitenlandse journalist cynisch werd omschreven als “Adolf Hitler tegen de Cosby Family”.

Nu worstelt ook de zwarte gemeenschap met de erfenis van zwart geweld. “Het sluiten van de ogen voor het moorden door tieners heeft een generatie van monsters geschapen”, concludeerde de zwarte krant The Sowetan al in 1992. “Zuid-Afrika zal de vruchten plukken van deze sociale ziekte.” De voorspelling is uitgekomen. De torenhoge misdaad en het achteloze moorden zijn niet alleen een gevolg van de apartheid, maar ook van de gewelddadige strijd ertegen. Het zwarte onderwijs is ineengestort en een generatie jonge zwarten is verstoken van opleiding en daardoor veroordeeld tot armoede of misdaad.

Heeft de liberale intelligentsia dit alles niet zien aankomen? Wentzel wijt de selectieve verontwaardiging van haar geestverwanten ten dele aan het blanke schuldgevoel. Afkomstig uit de gegoede blanke middenklasse durfde men de zwarte slachtoffers van onderdrukking eenvoudigweg niet te kritiseren. Men koesterde vriendschappen met zwarte leiders, en men was ondergedompeld in de opwinding en romantiek van de strijd tegen het kwaad. “Natuurlijk waren er liberalen die zich ongemakkelijk begonnen te voelen en zich afvroegen wat de gevolgen op termijn zouden zijn van de strijd. Maar ze voelden zich te unclean om vraagtekens te plaatsen.”

Zelf predikte Wentzel de weg der geleidelijkheid, de geweldloze vernietiging van het systeem van binnenuit. In de jaren tachtig werden de eerste resultaten daarvan zichtbaar. Het apartheidsbewind moest zich noodgedwongen aanpassen aan de economische en demografische werkelijkheid. Zwarte vakbonden werden toegestaan, zwarten drongen door tot de universiteiten, de regering begon meer geld te besteden aan het zwarte onderwijs en zwarten gingen wonen in de blanke gebieden van Johannesburg, zonder dat de staat er iets tegen kon doen.

Wentzel gelooft nu nog dat het systeem op den duur onder deze druk zou zijn bezweken, zonder dat al het bloedvergieten noodzakelijk was. De stille economische revolutie zou politieke rechten hebben afgedwongen.

De kritiek op haar overtuiging heeft al luid en duidelijk geklonken. Haar visie riekt naar blank paternalisme: de zwarten hadden zeker nog even geduld moeten hebben, en Nelson Mandela had het zeker nog een tijdje moeten uithouden op Robbeneiland, wordt er gesneerd.

Wentzel houdt voet bij stuk: “Wie weet was het via de georganiseerde weg even snel gebeurd als nu via de chaos. Ik vond het een leeg argument dat je de ogen moest sluiten voor de autoritaire strategieën van je eigen kant, omdat ze zogenaamd goed zouden zijn voor 'de gewone zwarte'. De werkelijkheid was dat mijn vrienden in de townships niet meer wisten wie ze meer moesten vrezen: de politie of hun eigen mensen. Ik zou de voorkeur hebben gegeven aan minder doden en minder lijden. Zou het niet beter zijn geweest als het allemaal wat langzamer was gegaan? Soms denk ik, het ging te snel. Ik begrijp dat mensen het daar niet mee eens zijn, maar het is een zelfonderzoek waard.”.

The Liberal Slideaway heeft als nuancering van de heroïek die de geschiedenis van de bevrijdingsstrijd tot nu toe domineert, overigens wel degelijk indruk gemaakt in Zuid-Afrika. Jill Wentzel kreeg deze maand in ieder geval een zeer liberale prijs toegekend: de 'Unconventional Hero Award'.

1) South African Institute of Race Relations, P.O. Box 31044, Braamfontein 2017, Zuid-Afrika, fax. 0027113392061