Indianen; Over mens en wereld en wind

ANDRÉ KLUKHUHN: Sterf oude wereld. Een inleiding tot de 21ste eeuw

453 blz., De Arbeiderspers 1995, ƒ 59,90

Zo nu en dan verschijnen er ook in Nederland boeken waarvan het belang de eigenlijke inhoud overstijgt, waarvan de diepere boodschap meer beklijft dan stijl of zinsbouw, en waarvan de betekenis duurzamer is dan de schrijver zelf heeft bedoeld.

Sterf oude wereld. Een inleiding tot de 21ste eeuw is zo'n boek. Het werd geschreven door de 55-jarige André Klukhuhn, die enige bekendheid geniet als organisator en drijvende kracht achter het Studium Generale van de Universiteit Utrecht, als scribent in HP/De Tijd, en als medewerker van het VPRO-programma 'God zij met ons'. Anderen zullen hem kennen als degene die samen met Piet Vroon zijn doctorsbul probeerde te retourneren aan de universiteit, of als de man die met gleufhoed, rode shawl en stoppelbaard geregeld het hoofdstedelijke café De Zwart en aanpalende vernissages met zijn aanwezigheid opluistert.

Zijn boek gaat over “hoe de mens, het enige wezen dat over een bewustzijn en cultuur beschikt, zich verhoudt tot zichzelf en de wereld waarin hij leeft”. Klukhuhn maakt in tien hoofdstukken een rondgang langs verschillende wijsgerige, cultuurhistorische en wetenschapsfilosofische aspecten die met dit wijdse thema te maken hebben. De hoofdstukken hebben titels zoals 'De waslijn, de knijpers, het netwerk en de wind', 'Hinken op één gedachte' en 'Schoonheid zal de wereld redden'.

Lezing van het volumineuze betoog zet onmiskenbaar aan het denken. Wie 'kunst, wetenschap, filosofie in één boek' wil vangen, zoals het buikbandje aanprijst, balanceert willens en wetens op de grens van ironie en almachtsfantasie. De lezer wordt dan ook gedwongen op ieder van de 453 bladzijden de vraag onder ogen te zien: is dit een grap of om te huilen, en is dit boek goed of overbodig.

Lot van de mens

Bij de afweging van dit laatste probleem gaat het niet zozeer over de inzichten van Klukhuhn aangaande de “ontzagwekkende complexiteit en de ontroerende schoonheid van de wereld”, en ook niet over het door hem geschetste lot van de mens in de volgende eeuw, die “zonder voorbehoud een keuze tussen democratie en milieu” schijnt te moeten maken, noch over het feit dat trouwe bezoekers van het Utrechtse Studium Generale veel bekends zullen tegenkomen.

Wat dit boek te bieden heeft aan betoog is op zichzelf weinig opwindend. Neerbuigende oppervlakkigheden (“Volgen we na het verval van de Griekse beschaving de geschiedenis van de westerse cultuur, dan belanden we in het tijdperk van de christelijke middeleeuwen”) worden afgewisseld met betekenisloze banaliteiten (“De werkelijke crisis van het Fin de Siècle lag in het letterlijke en figuurlijke geweld waarmee de gespletenheid aan de basis van de cultuur werd doorbroken”), of winderig postmodernisme (“we beleven het failliet van het grote verhaal van de moderne rationaliteit”).

Het probleem is niet alleen dat er weinig betoog is, maar dat het goeddeels verstopt zit onder een verpletterende cascade van citaten, quotes, aanhalingen, en passages van anderen. Een mooi citaat is altijd welkom, een snedig bon mot immer op zijn plaats: A book that furnishes no quotations is, me judice, no book - it is a plaything, zoals de gelukkig nu vergeten scribent T.L. Peacock ooit opperde. Bij Klukhuhn is de citeerdrift echter tot pathologische proporties uitgedijd.

Een steekproef leert dat er per pagina gemiddeld 2,6 (soms zeer uitvoerige) citaten staan, ofwel zo'n 1177 in totaal. Hier is de diagnose 'omgevallen boekenkast' of de bijnaam compilator maximus niet meer van toepassing. De neiging tot aanhalen is in dit boek geen stijlmiddel maar een psychologisch probleem. Klukhuhn plukt links en rechts, rijp en groen, als een Prikkebeen vangt hij alles wat beweegt, vlinders en strontvliegen gelijkelijk. Men moet vrezen dat hij zelf zo weinig te zeggen heeft dat hij anderen de pijnlijke stiltes laat opvullen.

Voor toekomstige cultuurhistorici is dit boek zo een Fundgrube om vast te stellen welke denkers, auteurs en publicisten modieus waren in het midden van de jaren negentig van deze eeuw, of althans de rigueur in kringen waar men gleufhoeden, rode shawls en stoppelbaarden op prijs stelt. Nietzsche dus in hoge mate, en Peter Sloterdijk, en dan zowat alles tussen René Descartes, Richard Rorty en Wim T. Schippers. Zo is dit een alleszins merkwaardig boek geworden: waar men het begrijpt, wordt er weinig gezegd, en waar iets wordt gezegd, is het een onbegrijpelijke stortvloed uit een veel te volle citatentrommel.

Vervreemding

Dat betekent niet dat de talloze tekortkomingen van dit werk het uiteindelijke belang ervan in de schaduw stellen. De blijvende betekenis van Sterf oude wereld schuilt, denk ik, in het gegeven dat het in toon, betoogtrant en opzet symptomatisch is voor een wijdverbreide geesteshouding. Men zou hier kunnen spreken van moderne zelfoverschatting; men zou ook kunnen reppen van de volkomen vervreemding van het geschreven woord die hand over hand toeneemt; misschien zou men moeten komen tot de diagnose van eigentijds narcisme. Wat het ook is, zelden is het zo handzaam in boekvorm verpakt.

Sterf oude wereld maakt duidelijk dat het boek allang niet meer iets is dat louter met toewijding, doorzettingsvermogen, originaliteit en zelfverloochening wordt vervaardigd. Per jaar verschijnen in Nederland meer dan tienduizend boeken. De vraag hoevele daarvan louter dienen als vergankelijk vehikel van auteursijdelheid en uitgeversverblinding durf ik niet te beantwoorden. Talloze zijn in ieder geval goed voor een drankovergoten presentatie, een interviewtje met een journalist, een fotootje in de krant, een snel en snedig stukje in een weekblad, een babbeltje in een praatshow, maar ze zijn schijnbaar helemaal niet meer bedoeld als duurzaam leesvoer.

In die zin is Klukhuhn misschien evenzeer slachtoffer als dader in de doordraaimolen van het literair-journalistiek complex. Maar met zijn op dun ijs rustende ambities, zijn veel te grote woorden, zijn ijzingwekkende drang om de lezer belerend toe te spreken met de wijsheid van anderen is hij wel een vertegenwoordiger van een culturele klasse en misschien ook van een generatie die ieder spoor van intellectueel leven tot platitude heeft gemaakt.

Aldus draagt dit boek bij tot inzicht in de beschavingsgeschiedenis van ons tijdsgewricht. Daarom had ik het niet willen missen.