Het einde van de tekorten

DE EUROPESE CENTRALE banken hebben hun rente opnieuw een slagje naar beneden geschroefd. De Duitse rente is terug op het niveau van vòòr de Duitse eenwording, wat Nederland betreft ligt het officiële rentetarief zelfs op het laagste peil sinds 1936. Dit is uitzonderlijk. Anders dan in de crisisjaren dertig is nu sprake van een welvarende economie. Maar de inflatieverwachtingen zijn laag en kennelijk hebben de financiële markten er het volste vertrouwen in dat dit de komende jaren zo zal blijven. Het betekent - terzijde - dat de markten vertrouwen hebben in de overgang van de harde Europese nationale munten in een gemeenschappelijke munt in 1999.

Structureel is iets anders aan de gang, niet alleen in Europa, maar wereldwijd. Na ruim een kwart eeuw raken begrotingstekorten in de industrielanden uit de mode. In wisselende snelheden zijn Westerse overheden bezig hun tekorten te verminderen of stellen ze zich ten doel om binnen een beperkte termijn de tekorten weg te werken. Onder economen bestaat geen spraakmakende stroming meer die pleit voor verhoging van de overheidsuitgaven ter stimulering van de economie. In vrijwel alle industrielanden zijn toonaangevende politici bekeerd tot het geloof in het einde van de tekorten.

De Verenigde Staten nemen de radicaalste stappen. Het Witte Huis en het Congres ruziën nog over de invulling van de Amerikaanse bezuinigingen, maar het doel, een federaal tekort van nul in het jaar 2002, ligt vast. Zo'n doelstelling valt natuurlijk nooit precies te bereiken - de Amerikaanse economie laat zich niet met fijnafstemming achter de komma sturen - en het is niet uitgesloten dat de politieke bereidheid om een einde te maken aan het federale begrotingstekort over enkele jaren weer zal verslappen. Maar als richtsnoer is dit beleidsdoel van immense betekenis.

DE EUROPESE UNIE heeft zichzelf met de criteria van het Verdrag van Maastricht al in 1991 duidelijke begrotingsnormen opgelegd. Met een maximaal toegestaan tekort van drie procent en een staatsschuld van zestig procent zijn die aanzienlijk minder streng dan het Amerikaanse streven. Maar onder druk van Duitsland (dat, anders dan Nederland en ondanks de kosten van de vereniging nu al voldoet aan het verdrag van Maastricht) groeit de bereidheid om deze norm strikter te interpreteren. De landen die willen meedoen aan een toekomstige gemeenschappelijke munt zouden zich moeten houden aan een gemiddeld begrotingstekort van één procent. De steun voor dit 'stabiliteitspact' neemt toe. In Nederland komt het neer op een extra ombuiging van zo'n twaalf miljard gulden.

Niet alleen de Duitse voorliefde voor stabiliteit en het onderlinge wantrouwen van de deelnemende landen in de voorgenomen Europese muntunie (het tekort van één land vertaalt zich in een hogere rente voor alle deelnemende landen), ook de Amerikaanse vastberadenheid om orde op zaken te stellen speelt daarbij een rol. De landen van de Europese Unie kunnen het zich eenvoudigweg niet permitteren om ver uit de pas te lopen.

DE GEVOLGEN van het einde van de tekorten zijn verregaand. Om te beginnen komt daarmee een einde aan vijftig jaar gangbare Keynesiaanse wijsheid. De uitbouw van de sociale zekerheid in de industrielanden vanaf de jaren vijftig en zestig, de opvang van de oliecrises in de jaren zeventig met inflatie, de weigerachtige houding in de jaren tachtig om de uitgaven aan te passen aan de belastingverlagingen of om het stelsel van de sociale zekerheid te snoeien, hebben tot gevolg gehad dat de schulden van overheden in de industrielanden nu een recordhoogte hebben bereikt. Slechts een langdurig volgehouden beleid van begrotingsevenwicht zal aan deze opgebouwde schulden geleidelijk een einde maken.

Wat gebeurt er als overheden geen noemenswaardige tekorten meer hebben die ze moeten financieren? Dan doen de ministeries van financiën geen beroep meer op de kapitaalmarkten. Met andere woorden: de reusachtige besparingen die de bedrijven en burgers in industrielanden genereren, komen dan vrij voor andere bestemmingen. Eén waarschijnlijk gevolg hiervan is een blijvend lage rente en lage inflatie. Dat is goed voor investeringen en bestedingen, voor lastenverlichting of voor de financiering van pensioenvoorzieningen. Een ander waarschijnlijk gevolg is dat de besparingen van de industrielanden beschikbaar komen de opkomende economieën.

DIT ROOSKLEURIGE scenario is geen zekerheid en de grootste onzekerheid bevindt zich in de politieke wilskracht om door te zetten met de sanering van de overheidsfinanciën. Want de vruchten daarvan worden op de langere termijn geoogst, terwijl de prijs hiervoor in de vorm van sociale onvrede op de korte termijn moet worden betaald.