'Haïtiaanse volk heeft werk nodig'

RENE PREVAL, de 52-jarige Haïtiaanse presidentskandidaat namens de regerende Lavalas-beweging, zal morgen vrijwel zeker worden gekozen als het nieuwe staatshoofd van zijn land. Op 7 februari volgend jaar zal hij dan het presidentschap overnemen van zijn vriend en politieke medestander Jean-Bertrand Aristide, die volgens de Haïtiaanse grondwet geen tweede, aansluitende ambtstermijn als president mag vervullen.

PORT-AU-PRINCE, 16 DEC. René Préval is nu nog directeur van het Haïtiaanse Fonds d'Assistance Economique et Social (FAES) maar vanaf zondag is hij vrijwel zeker de nieuwe president van Haïti. Tijdens de zeven maanden tot aan de militaire staatsgreep van september 1991 was de landbouwkundig ingenieur die onder andere in België heeft gestudeerd, minister-president onder de huidige president Aristide. Zijn optreden toen kreeg niet overal lof, zijn directeurschap van het FAES wel.

U bent vrijwel zeker van de overwinning, maar bent u zich ervan bewust dat vele Haïtianen graag willen dat Aristide nog drie jaar aanblijft om hem zo te compenseren voor zijn gedwongen ballingschap tijdens de periode van de militaire dictatuur?

“Ik ben als kandidaat gekozen door een grote politieke familie, de Lavalas-beweging. De president heeft, trouw aan de bepalingen van de grondwet, beloofd verkiezingen te organiseren. Die worden morgen gehouden en wij zullen daardoor nog eens drie plus twee dus in totaal vijf jaar aan de macht zijn.”

Aristide is een halve heilige in dit land. Ik kan me indenken dat hij ook na 7 februari een belangrijke rol zal spelen in de politiek.

“President Aristide is ook een lid van de grote Lavalas-familie die mij heeft gekozen. Hij is een groot patriot, een serieus en eerlijk mens en hij zal altijd een belangrijke rol spelen in het politieke leven van Haïti. De president is ook een vriend, mijn persoonlijke vriend, een politieke vriend. We zullen hand in hand werken om de levensomstandigheden van de Haïtianen te verbeteren.”

U weet dat de Amerikanen moeite hadden met uw optreden als premier? Hoe ziet u de verhouding met de VS na 7 februari?

“Ik ben niet op de hoogte van problemen die ik met de Amerikanen zou hebben gehad. Vice-president Dan Quayle kwam hier in 1991 en juichte de inspanningen van de regering toe. Ook de Wereldbank, de Interamerikaanse Ontwikkelingsbank en het Internationale Monetaire Fonds hebben in hun rapporten het optreden van de toenmalige regering goedgekeurd. Net voordat de militairen de macht overnamen scholden de VS de schuld van Haïti kwijt. Dit zijn allemaal bewijzen van de Amerikaanse steun voor de zeven maanden van mijn kabinet in 1991”.

De door onder andere de Amerikanen geëiste, maar nog steeds niet uitgevoerde privatisering van staatsondernemingen is een van de problemen waarmee u te maken krijgt.

“Privatisering is niet de kern van het probleem. Het is beter om te praten over modernisering van de economie. En binnen dat perspectief kan er een of andere vorm van privatisering komen. Dat wil zeggen: concessies, verhuur, verkoop van aandelen, dat alles is mogelijk en wenselijk in bepaalde gevallen, die we elk op hun eigen merites zullen moeten beoordelen. Het Haïtiaanse volk heeft dringend werk nodig. We zullen er alles aan doen om voorwaarden te scheppen waardoor particulier kapitaal, zowel het Haïtiaanse als het buitenlandse, terugkeert naar Haïti. ”

De kwestie van een eventuele verlenging van een buitenlandse militaire of politiële aanwezigheid na het einde van het VN-mandaat in maart '96 is door Aristide overgelaten aan de nieuwe regering. Vereist de veiligheidssituatie in Haïti volgens u een verlenging van dit mandaat?

“President Aristide heeft het land een enorme dienst bewezen door het afschaffen van het Haïtiaanse leger, dat de belangrijkste factor van de onveiligheid was. Nu de nieuwe politiemacht is geschoold en versterkt, heeft de president bevolen de talloze wapens die er nog in het land zijn in beslag te nemen. Afhankelijk van het verloop van die ontwapening zullen we het veiligheidsklimaat beoordelen. In februari moeten we kijken of het voldoende is verbeterd.”

    • Reinoud Roscam Abbing