Geen bloed voor negen uur graag

MARTIN BELL: In Harm's Way. Reflections of a War Zone Thug

275 blz., geïll., Hamish Hamilton 1995, ƒ 50,35

Martin Bell, verslaggever van de BBC-televisie, heeft in tachtig landen gewerkt en elf oorlogen verslagen. Hij was de enige televisie-journalist die bijna onafgebroken in en vanuit Sarajevo heeft gewerkt. Bosnië, zo schrijft hij in zijn boek In Harm's Way, en zo zei hij vorige maand nog eens in een uitgebreid vraaggesprek met zijn eigen BBC-televisie, is zijn laatste oorlog, want nu wil Martin Bell “vredescorrespondent worden - als er zoiets bestaat”.

In zijn boek, zijn eerste en naar eigen zeggen ook zijn laatste, schildert Bell de valkuilen die een journalist in een zo extreem wrede en gecompliceerde oorlog als die in Bosnië te wachten stonden: het terrein was moeilijk en vaak ontoegankelijk, de strijdende partijen waren onberekenbaar en manipuleerden, hun motieven waren veelal duister en ondoorgrondelijk, en de risico's waren groot, zeker voor de televisiejournalist die wordt geacht met oorlogsbeelden te komen en die dus veel meer dan een schrijvende journalist dicht bij de frontlijn moet zitten. Uit dat isolement moet die dan ook nog ervoor zorgen dat zijn beelden en zijn commentaar op de een of andere manier Londen bereiken.

Ontsnapt

Er zijn maanden geweest dat Bell avond aan avond op het BBC-scherm verscheen, een korte man met grijs haar, onveranderlijk gekleed in een wit pak (en, maar dat bleef altijd onzichtbaar voor de kijker, groene sokken), altijd rustig, beheerst en afstandelijk, zelfs onder extreme omstandigheden: de beste in zijn vak. Dat Bell nog leeft is eigenlijk een wonder. Hij verloor diverse mensen van zijn team - Tihomir Tunukovic alias Tuna bijvoorbeeld, de Kroatische cameraman en vertaler die door de Serviërs bij Jajce met een luchtdoelraket met gepantserde auto en al een ravijn in werd geschoten.

Bell werd één keer gewond toen hij drie granaatscherven in de onderbuik kreeg. Maar hij is vele malen slechts op het nippertje aan de dood ontsnapt, de laatste keer afgelopen lente, toen hij met zijn gepantserde auto door de Serviërs met zwaar geschut werd bestookt en bijna van de weg op de berg Igman werd geblazen. De BBC maakte het zijn mensen minder gemakkelijk dan Sky News en ITN, die zich na de eerste maanden alweer uit Bosnië terugtrokken, of CNN, dat zijn beste verslaggevers simpelweg verbood zich aan de frontlijn te vertonen: hun sterverslaggever Peter Arnett wilde wel naar die frontlijn, maar mocht niet langer dan tien minuten zijn hotel uit, en gaf daarom maar van het dak van het televisiegebouw in Sarajevo zijn tevoren woord voor woord met de thuisredactie doorgenomen commentaar op beelden die CNN van andere televisiestations had gekocht.

De gevaren in het veld en de problemen met de communicatie waren daarbij niet de enige. Een ander front waarop Bell dagelijks slag moest leveren was het thuisfront, het department of preconceived notions, zoals hij het noemt, de sceptische redactie in Londen die de berichtgeving zo ongecompliceerd mogelijk - zwart versus wit en goed versus kwaad - gepresenteerd wilde hebben. Bells uitzendingen mochten nooit langer duren dan één minuut en 42 seconden, in zijn eigen woorden een reductio ad absurdum. In honderd seconden werd hij elke avond geacht de gecompliceerde oorlog in Bosnië zo uit te leggen dat de leek er nog iets van begreep.

Martin Bell had enerzijds faciliteiten tot zijn beschikking waar andere journalisten slechts van konden dromen: niet alleen de eigen staf van cameralieden, 'geluidsmannen', producenten en vertalers, de satellietschotels en de moderne apparatuur die elke televisieploeg heeft, maar ook een eigen (gepantserd) wagenpark, een eigen survival-cursus en zelfs eigen supply lines met eigen chauffeurs die met Land Rovers uit Split voedsel en apparatuur kwamen brengen. Het was met van Bell gestolen apparatuur dat de Bosnische Serviërs hun TV-Pale opzetten.

Onvergeeflijk

Aan de andere kant was er een thuisredactie die het hem vaak nog moeilijker maakte dan hij het al had. Dat werd in de loop van de oorlog nog erger, toen hem verzocht werd de lijken, het bloed en de wonden liever weg te laten. Bell geeft in zijn boek een discussie weer met zijn thuisredactie, kort nadat een Britse hulpwerker door mujahideen is vermoord. Een bedeesde vrouwelijke collega vraagt Bell uit Londen wat hij te bieden heeft, aan beelden. “Er komen toch geen ...” - lange pauze - “lijken in voor, hè?” Nee, antwoordt Bell, het slachtoffer lag in de autopsiekamer, “dus absoluut geen lijken”. “Niets dat de mensen van slag kan brengen?” “Nou”, antwoordt Bell, “het verhaal op zichzelf is behoorlijk schokkend. Het gaat om moord, weet je, en om een behoorlijk brute ook.” Waarop zij vraagt: “Is er bloed? We willen geen bloed zien, ten minste niet voor het nieuws van negen uur. Dat staat in de richtlijnen, weet je.”

Bell: “Daarop volgde een lange discussie, waarin mijn argument dat mensen bloeden als ze worden neergeschoten, lijnrecht tegenover het hare stond, dat ze de kijkers niet wilde verontrusten.”

Als het boek van Bell één boodschap bevat, dan is het die dat dit soort zelfcensuur - geen bloed, geen lijken - een verkeerd beeld geeft van de oorlog en die uiteindelijk minder afschuwelijk maakt dan oorlog nu eenmaal is: het weglaten van de verschrikkingen maakt die oorlog acceptabel, en dat is volgens hem onvergeeflijk.

Dat argument bracht hij ook naar voren tijdens het BBC-interview van vorige maand, en tijdens een lezing voor een internationale conferentie van televisiestations in Berlijn, eveneens vorige maand. Bell beschuldigde daarbij de BBC openlijk van het toepassen van censuur en van het romantiseren van de oorlog: “We tonen de soldaten die in de ruïnes aan het schieten zijn - dat wat we de bang bang noemen. We tonen niet wat er aan de andere kant gebeurt. Dat maakt de oorlog mooier en dat leidt ertoe dat oorlog uiteindelijk wordt beschouwd als een acceptabel middel om geschillen te beslissen.” Volgens Bell is oorlog in werkelijkheid “een zaak van slechte smaak, waarbij slachtoffers die doodbloeden dat niet gracieus buiten beeld doen”. Wie dat niet laat zien, aldus Bell, “vervalst de wereld om ons heen”. En hoe langer de oorlog duurde, hoe banger de BBC werd om de verschrikkingen van de oorlog in beeld te brengen. “Natuurlijk schokken deze beelden. Maar als onze beleidsprioriteit is mensen niet te schokken, waar zijn we dan mee bezig? In onze angst mensen te schokken lopen we het risico hen op zeer gevaarlijke manier te misleiden.”

In Harm's Way geeft een beeld van de oorlog uit het standpunt van de televisiejournalist die zijn elfde en verreweg moeilijkste oorlog verslaat, die daarbij gevaar loopt, die vrienden verliest, die zich zorgen moet maken hoe ver hij kan gaan en hoever hij zijn mensen kan laten gaan en die voortdurend beducht moet zijn om de tuin te worden geleid door alle partijen in de oorlog: de drie strijdende partijen, maar ook de VN-vredesmacht. De zwaarste kritiek bewaart Bell voor die vredesmacht, en dan vooral voor een man die hij aanvankelijk zeer bewonderde, generaal Sir Michael Rose.

Rose maakte al voor zijn aantreden als VN-commandant indruk op Bell wegens zijn rol in de Falkland-oorlog. Rose is een man met een “formidabele reputatie”, “a tough no nonsense soldier who champed at bits and suffered no fools around him”. Hij maakte in korte tijd grote schoonmaak in de organisatorische puinhoop die zijn voorganger Briquemont had nagelaten: VN-soldaten werden her en der tegengehouden, hun vredebewarende taak werd niet nagekomen, de stemming was in mineur en nationale contingenten blauwhelmen gehoorzaamden het opperbevel niet meer.

Luchtaanvallen

Zijn reputatie verspeelde Rose in de herfst van vorig jaar, toen de Bosnische Serviërs de moslim-enclave Bihac aanvielen na een offensief van het Bosnische regeringsleger tot staan te hebben gebracht. Rose dreigde de Serviërs met luchtaanvallen als ze de grens van het 'veilige gebied' zouden overschrijden. Rose werd daarop telefonisch in ongezouten termen (“Don't fuck with us. Don't mess about. If you hit us this means all-out war.”) de les gelezen door Jovan Zametica, de in Cambridge opgeleide adviseur van de Bosnisch-Servische leider Karadzic, die hem aankondigde dat de Serviërs heel Bihac zouden veroveren en elke moslim zouden ontwapenen.

Rose bond in dat telefoongesprek onmiddellijk in. Hoewel de Bosnische Serviërs in Bihac verder opdrongen en de grens van het 'veilige gebied' bereikten, loog Rose de buitenwereld voor dat de fronten zich hadden gestabiliseerd. Toen duidelijk werd dàt hij loog, sprak hij schande van het gedrag van de Serviërs, zonder echter nog terug te komen op luchtaanvallen. Sterker: toen de Serviërs op een Britse Harrier schoten, wilde de NAVO massaal aanvallen. Rose stak daar niet alleen een stokje voor, maar haalde de NAVO er zelfs toe over voor een afkoelingsperiode niet meer bij Bihac te patrouilleren: tot twee keer toe boog Rose voor de Serviërs. Bihac, aldus Bell, was “het klassieke geval van de zwakte en het zelfbedrog van de VN”. Het was ook het dieptepunt van Rose's termijn in Bosnië. Bell: “De transformatie van de sheriff was fascinerend om te zien. Hij was in januari 1994 gekomen met de roep naar een 'gespierder' en 'robuuster' houding jegens de Serviërs. Toen hij een jaar later opstapte was er niets gespierds of robuusts aan de strijdmacht die hij leidde of zijn leiding, want de Serviërs hadden het initiatief. Zelfs zijn body language was defensief: hij liep met gekruiste armen.”

Bell maakt er geen geheim van moeilijk in de omgang te zijn: ruzies en conflicten worden niet onder tafel geveegd. Maar hij is tegelijkertijd uitzonderlijk kritisch op zichzelf en genereus. Ik heb nooit een boek gelezen met zoveel zelfkritiek: waar geruzied werd was het doorgaans de ander die achteraf van Bell gelijk krijgt.

Soms gaat hij zo ver in zijn zelfkritiek dat er een schaduw van ongeloofwaardigheid opdoemt. Zo maakt Bell er geen geheim van dat zijn objectiviteit vaak heeft geleden onder zijn sympathie voor de zaak van de moslims. Maar zijn reportages kennende vermoed ik dat hij wat overdrijft als hij schrijft: “Ik verklaar me schuldig aan zelfcensuur en zelfs (zoals een advocaat het zou zeggen) aan een verzwaarde vorm van zelfcensuur”. Hij heeft “publiekelijk gelogen, or at least allowed such shading of the truth that it had the effect of a lie”.

Angst

Ook van zijn angst maakt Bell geen geheim. Die was een voortdurende metgezel in de oorlog, van het begin af aan, maar hij nam onbeheersbare vormen aan nadat hij gewond was geraakt. Eerst waren er de slapeloosheid, de onverschilligheid tegenover mensen en zaken die niet met Bosnië van doen hadden, later de pure angst om steeds maar weer de frontlijn op te zoeken: “Ik betrapte me erop dat ik me vastklampte aan elk beschikbaar argument om er niet op uit te gaan. Uiteindelijk werd ik bijna te bang om nog de deur uit te gaan.”

Bell neemt zichzelf ook graag op de hak, om zijn bijgeloof bijvoorbeeld, dat eeuwige witte pak en die groene sokken - “andere kleuren komen niet in aanmerking” - en de amuletten van allerlei aard: een zilveren dollar in de rechter broekzak, een klavertje vier, een stukje slangehuid, een paar afbeeldingen van St. Christoffel en een koperen kaboutertje. Zonder al die spullen ging Bell niet op stap.

In Harm's Way is een mooi geschreven, menselijk en sympathiek boek over een ellendige oorlog, geschreven door een man die met kop en schouders boven zijn collega's van de internationale televisiestations uitsteekt en die ook na 33 jaar en elf oorlogen niet cynisch is geworden noch is afgestompt.