Frankrijk neemt ijsvrij voor een winter-revolte ; Het verstand van de straat

Drie weken nu is Frankrijk in de greep van een massale verdoving. Staken is lastig, maar het is ook carnaval en kermis: op straat worden vuren gestookt en worst verkocht en zijn verkeersregels verleden tijd. Het conflict stelt luid en duidelijk de vraag: wat is de sociale dimensie van Europa? Verstandig Frankrijk komt in opstand.

Wat bezielt Frankrijk? Waarom moet een volk dat zo mooi kan praten vandaag weer de straat op om uit zijn woorden te komen? Waarom hebben miljoenen mensen, die zeer op hun comfort zijn gesteld, zich drie weken goedmoedig laten gijzelen door een paar honderdduizend ambtenaren die hun voordelige pensioen willen redden? Waarom is Frankrijk bezig zich failliet te staken?

Omdat Frankrijk ontzag heeft voor slachtoffers en het heden ziet als het begin van weer een bladzijde geschiedenis. Omdat Fransen niet kunnen luisteren, hun regeerders voorop. Omdat zij genieten van het drama en het ijsvrij van de winter-revolutie. Omdat zij net zo conservatief zijn als de stakers. Omdat zij aanvoelen wat Europa bezig is te verliezen, beter misschien dan de meeste andere volkeren die zich vandaag in Madrid haasten naar nog meer EMU. Het Gare du Nord is schoon en leeg. Vliegveldmuziek drebbelt uit de luidsprekers. Een dakloze zit, zelfs door de duiven verlaten, in zijn tassen te hannesen. Aan het eind van de perrons, tussen de sporen 34 en 35, staat op een betonnen paal de verkeersleidingspost voor de Grandes Lignes, dag en nacht bezet door de stakers. En paar honderd mannen hebben zich, zoals iedere morgen, naar binnen gehesen om te beslissen over weer een dag staken. Weer een dag zonder geld.

Hier worden anders de treinen naar Lille, Brussel, Amsterdam en Londen gedirigeerd. Geen zware hendels om de seinen om te zetten. Een paar beeldschermen, schakelpaneeltjes en telefoons, dat is alles. Op een witte achterwand staan alle sporen in schema, met een groen en een rood lampje per baanvak. Alle groene èn rode lampjes branden. Alles kan, en niets.

Alain Bord, regionaal secretaris van de honderd jaar oude vakcentrale CGT in het district Paris Nord spreekt de mannen toe. “Jullie hebben 't gehoord, op een paar depots praten ze weer over hervatting van het werk. Het is waar, we hebben onze pensioenen veilig gesteld, maar geen enkele garantie gekregen over onze ziektekas, de fiscalisering van de premies en al die andere ingrepen. De regering mag de hervorming van de spoorwegen hebben ingetrokken, maar de lopende afvloeiingsprogramma's zijn niet stopgezet. Onze salarissen zijn bevroren. Weg met het Plan-Juppé! Laten we doorgaan tot we winnen!”

Geheime stemmingen, daar doen ze niet aan bij de spoorwegbonden: iedereen mag het woord voeren. Ook een niet-staker wiens vrouw aan de eindeloze files een ernstige aanval van astma heeft te danken. Jammer maar helaas, is de gemompelde reactie van de aanwezigen. Een niet-vakbondslid grijpt de microfoon: “Voor het eerst betekent sociale hervorming in dit land achteruitgang. Laten we doorvechten.”

Na drie kwartier volgt de stemming. Wie is vòòr voortzetting van de staking? Vrijwel alle handen gaan omhoog, sommigen steken er twee op. Tegen? Niemand. Onthouding? Twee. Geklap om de moed er in te houden. Een paar jongere cheminots pakken hun racefiets op en dragen hem weer de trap af. De anderen lopen in groepjes de kou in en verdwijnen over een brug, daar waar de metro anders de ontelbare sporen naar het noorden bovengronds kruist. Gisteren werd voor het laatst gestemd. Frankrijk heeft meer dan drie weken geleefd onder een massale verdoving. De staking is een ramp voor wie in december zijn slag moet slaan: de ganzenvetmesters kunnen hun foie gras niet verzenden, de juweliers, de restaurateurs, de warenhuizen zien geen klanten. Wie zijn leven in een voorstad heeft gebouwd op goed railvervoer loopt uren, lift op hoop van zegen, wacht eindeloos op noodbussen, poolt met bekend geworden vreemden of logeert op kosten van de baas in een ongezellig hotel.

Maar de gekte gaat veel verder. Mannen en vrouwen die er niet over piekeren lid van een vakbond te worden lopen mee onder woeste vaandels. Honderdduizend mensen uit alle sectoren demonstreerden dinsdag in Marseille - het waren er zo veel dat de kop van de stoet vastliep op de staart. Nog steeds staat een ruime meerderheid van de Fransen achter de stakers, ook al weten de meesten niet bij benadering wat het Plan-Juppé inhoudt. Het geeft niet. Iedereen heeft zorgen, iedereen wil de arrogantie van de macht wel eens afstraffen.

Staken is ook carnaval en kermis. Overal branden vuren op straat, zijn worsten en broden te koop. Post hoeft niet beantwoord te worden, rekeningen niet betaald. Verkeersregels zijn verleden tijd, zelfs het dubbel parkeren op de stoep verovert een vaste plaats in de nieuwe etiquette van het kleinvervoer. Maar de hovaardigen ontlopen hun rechtvaardig lot niet: ook wie zich per tweewieler spoedt over een zee van dampend blik, zal vroegtijdig het loodje leggen, geveld door dieselwalm en stress. Het begon een maand geleden als een knap plan om het groeiende gat van een paar honderd miljard franken in het ziekenfonds, de AOW, de kinderbijslag en de overige sociale verzekeringen te dichten. 'Moedig', zeiden de meeste commentatoren toen premier Alain Juppé was uitgesproken in de Assemblée Nationale. De socialisten, eerste secretaris Lionel Jospin voorop, hadden moeite een oppositie-toon te vinden. Veel van Juppé's voorstellen leken sterk op wat de socialisten onder Mitterrand tevergeefs hadden gewild.

De grootste vakcentrale van het land, de CFDT van Nicole Notat, wilde op onderdelen onderhandelen maar stemde in met de algemene lijn. De nummers twee en drie, CGT en Force Ouvrière (FO), lieten bij monde van hun geharnaste voormannen Louis Viannet en Marc Blondel weten dat er niets van deugde. FO was jaren de 'redelijke' der syndicaten en kon zich zodoende een sterke plaats bezorgen in de besturen van de ziektekassen. Ook daar wilde Juppé mee breken: het parlement zou het laatste woord krijgen over de begroting van de sociale zekerheid. Dat alleen al was een revolutie waard voor een natie van pillenslikkers, die met tien procent van het bruto nationaal produkt tot de actiefste consumenten van ziekenzorg behoren.

Op 24 november staat de eerste grote manifestatie op straat, in Parijs en in de provincie. Frankrijk ligt één dag stil. De vakbonden van spoorwegpersoneel krijgen extra respons op hun oproep tot actie omdat de regering vòòr december het nieuwe vijfjarenplan van de spoorwegen (SNCF) wil tekenen. De bonden bouwen al maanden verzet op - het hele bestaan van hun leden als bijzondere ambtenaren staat op het spel. De 24-uurs-staking van 24 november bij het spoor blijkt permanent.

In de week van 27 november verspreidt de olievlek zich snel. De RATP, bus en metro van Parijs, volgen. Bij de post, de belastingen, de telefoon, op de vliegvelden, overal waar de staatssector domineert, wordt gehoor gegeven aan de oproep tot solidariteit. Ook waar de staking niet massaal is, raken de loketten onbemand. Op 4 december staat voor de toegangspoorten van Parijs zeshonderd kilometer file. Frankrijks verkeersinfarct is gelukt.

Op Sinterklaasavond verschijnt premier Juppé voor het eerst op de televisie. Hij houdt pedagogisch voet bij stuk, papa is moe maar niet boos. Donderdag 7 december trekken grotere manifestaties door de straten. De druk blijft toenemen. Op 10 december geeft Juppé de spoorwegmannen hun zin en hun directeur de schuld. CGT en FO ruiken meer bloed.

Afgelopen dinsdag brachten zij in het hele land moeiteloos vele honderdduizenden op de been, misschien wel de twee miljoen mensen waarvan Juppé had gezegd: als het er zo veel zijn, ben ik weg. Van Marseille tot Caen golfde het verzet door de straten. Op de Place de la Bastille in Parijs marcheerden vijf uur na het begin van de optocht nog drommen manifestanten langs, vuurrode fakkels in de hand, als bezetenen trommelend op oliedrums. Wie met hen een eindje meeliep ontmoette onzekere jonge ambtenaren en hartelijke ouders die gewoon wat toekomst en warmte voor hun kinderen vroegen. Wie deze demonstranten in de gezichten keek zag ook veel armoede. De massa van de Franse werknemers zit amper tegen de drieduizend gulden bruto, velen er onder. Een welvarend land met supersnelle treinen, een arm land met een laat twintigste-eeuws knakworst-proletariaat. Michel Albert (65) is lid van de Raad voor de monetaire politiek van de Banque de France. Hij was directeur van het Franse Planbureau, rechterhand van premier Barre en president-directeur van de grote genationaliseerde verzekeringsmaatschappij AGF. Hij werd bekend met zijn boek Capitalisme contre capitalisme (1991), waarin hij twee soorten kapitalisme schetst in de ontwikkelde wereld na de val van de Muur: het harde neo-Amerikaanse model en het Rijnlandse model, de sociale markteconomie zoals beoefend in Duitsland, Nederland, Zwitserland en Scandinavië. Waar Frankrijk in het verhaal thuishoorde, bleef altijd enigszins de vraag.

Vier jaar later en temidden van een heftige sociale crisis toont hij zich optimistisch over Frankrijks kansen. Dat moet hij ook wel, anders stijgt de rente, maar hij lijkt het te menen. “Frankrijk is wat betreft de financiering van haar bedrijfsleven meer het neo-Amerikaanse model genaderd dan veel andere Europese landen. De beurs is gemoderniseerd, de financiële markten nemen de rol van de banken over. Het succes van de privé-economie en -industrie is onmiskenbaar. Sinds tien of vijftien jaar heeft men een Rijnlandse monetaire politiek gevolgd. De hoofdprioriteiten zijn de strijd tegen de inflatie en de bevordering van de markteconomie. Dat is het Frankrijk dat is onderworpen aan de internationale concurrentie.

“De publieke dienstverlening, dat is het andere Frankrijk, dat nog niet is ontwikkeld. De huidige crisis toont aan dat niet de uitbreiding van de sociale politiek de essentie is van het Rijnlandse model, maar de dialoog. In november zijn twee belangrijke boeken uitgekomen, een van Francis Fukuyama en een van Alain Peyrefitte. Ze gaan beide over het thema 'vertrouwen'. In dit land heeft men lang vermeden de waarheid te zeggen. Men heeft gelogen tegen de Fransen over de realiteit van de economie en de tekorten. Ook los daarvan krijgt Frankrijk af en toe koorts. Meestal is het land gezond. De laatste grote koorts-aanval was in 1968, toen men even dacht dat Parijs een volksdemocratie werd. In 1981 kreeg het land opnieuw koorts na de verkiezing van Mitterrand, die had gezegd dat het mogelijk was 35 uur te gaan werken en voor 40 uur betaald te krijgen. Na anderhalf jaar was dat voorbij. Van de huidige sociale koorts kan je zeggen dat iedere regering dezelfde politiek van tekort-reductie zou volgen. Er zijn mensen die kritiek hebben op deze opvatting, die zij de pensée unique noemen. Ik ben er van overtuigd dat er sprake is van een réalité unique. Die realiteit komt spoedig weer in zicht.

“Mijn vader had een droom voor mij: hij hoopte dat ik bij de spoorwegen zou gaan werken. Dat zou mij een baan voor het leven en een goed pensioen bezorgen. Ik heb het beter willen doen. Ik kon examens halen, op de ENA studeren en werd lid van wat 'de elite' wordt genoemd. Maar ik geloof heilig in het Rijnlandse model. Als president van AGF heb ik de eerste ondernemingsraden van Europa ingevoerd. Vraag maar aan de bonden hoe dat liep. Er is hier nu een zenuwcrisis, Frankrijk is moe en ziet de dingen niet meer helder, maar daar achter zie ik goede dingen in het verschiet. Voorbeelden? Renault, dat was net de spoorwegen vijftien jaar geleden. Nu maken ze prima auto's tegen concurrerende prijzen. De Rijn stroomt helaas niet door Frankrijk, maar gelukkig lopen er heel wat aanvoerrivieren van de Rijn in dit land.” 1958, 1968, 1981, 1995. De nationale koortsaanvallen. En daartussen de mijnstakingen van '62 en '63, de onderwijs-stakingen van '70, '84 en '86, de dol geworden vrachtwagenchauffeurs, de eindeloze stakingen bij Renault, de bliksemoorlog tegen de verlaging van het minimum-jeugdloon onder Balladur. Frankrijk moet af en toe uit zijn dak. De socioloog Alain Touraine, nog steeds een van Frankrijks helderste schijnwerpers, zei deze week: “Het Franse drama is dat de staat alles heeft opgegeten. Noch de bonden noch de werkgevers zijn in staat hun rol te spelen.”

Daardoor wordt er te veel gedecreteerd en te weinig onderhandeld. Voor Touraine een reden om als winstpunt van de huidige crisis, enig machtsherstel te zien voor het diep weggezakte Franse syndicalisme. Niet om Frankrijk verder te ketenen aan alle historisch bedongen voorrechten, maar om enig sociaal overleg mogelijk te maken. “Deze staking gaat over de nationale dialoog. Wij moeten onze politieke economie herbouwen.”

In vakbondskringen wordt niet zuinig genoten van de weerklank die het huidige protest-appèl geniet. Ledenwinst is altijd welkom, het en passant verslaan van een zittende minister-president van rechts is meegenomen, maar het gaat om meer dan een knock-out voor kerstmis. Voor de overleg-gezinde Nicole Notat is het interne verzet zwaar te verduren. Bij CGT en FO lijkt de oude tijd even terug.

Bernard Thibault (36) is een rijzende ster in vakbondsland. Hij is de leider van de spoorwegbond binnen de CGT. Met zijn koele blauwe ogen staat hij vaak een stap achter de grote baas Louis Viannet. In het glimmend glazen CGT-hoofdkantoor in Montreuil, waar de oude Marx nog heel wat wanden opvrolijkt, erkent Thibault dat het een geschenk uit de hemel was dat Juppé tegelijk het sociale verzekeringsplan en de rationalisatie van de spoorwegen wilde afhandelen. Dat gaf kans het verzet te bundelen.

Voor deze treinonderhoudsman, die al op zijn vijftiende als spoorweg-stagiaire meestaakte, is het een uitgemaakte zaak dat het Europa van Maastricht Frankrijk onder te zware druk zet. Uit de Unie stappen? “Uitgesloten. De onderlinge afhankelijkheid is te groot. Alleen, bij het begin van de Europese constructie is geen publiek debat gevoerd. Wij hebben slag moeten leveren om een referendum over Maastricht te krijgen. Ik heb tegen gestemd. Veel spoorwegmensen zijn ervan overtuigd dat het dogmatisch liberalisme van Maastricht slecht is voor de publieke diensten. De regering won het referendum krap. Ik ben ervan overtuigd dat zij het nu ruim zouden verliezen. Dat ligt achter ons, maar velen willen het verdrag herzien.

“Wij moeten knokken om de service public te verdedigen. Een betaalbare trein, telefoon, brievenbus voor iedereen is een deel van de geschiedenis van Frankrijk. Ons spoorwegnet was in de negentiende eeuw het beste vrachtnet van Europa. Nu is alles overgenomen door de weg. De economie globaliseert, maar het is niet nodig iedere samenleving in de zelfde mal te persen, zoals Maastricht wil. Bovendien is de sociale dimensie totaal vergeten. Dat is het grote gat. Dit conflict in Frankrijk stelt luid en duidelijk de vraag naar de sociale dimensie van Europa. Is er een ander Europa mogelijk? De EMU is moeilijk en het is de vraag of dat de eerste prioriteit is. Wat je ook doet, het moet de situatie van de mensen verbeteren. De economische elite zegt van wel. De mensen betwijfelen het. Het Europa van het geld is niet de weg.” Woensdag bestormden vijfhonderd daklozen het Centre Pompidou. Zij eisten warmte en ruimte voor overleg. Frankrijk is in opstand tegen de wereld, tegen Europa, tegen het onrecht, maar ook tegen een president die na zes maanden draaien de economische politiek van Duitsland is gaan volgen terwijl hij was gekozen op een programma van luisteren en begrijpen. Hij zou de fracture sociale, de maatschappelijke tweedeling eerst oplossen, waardoor de werkloosheid zou dalen en de begroting vanzelf in orde kwam. Hij gelooft er niet meer in, en zij niet meer in hem.

Voorlopig krijgt premier Juppé de schuld. Volgens de socioloog Michel Crozier (auteur van La Crise de l'intelligence, 1995) is niet de samenleving geblokkeerd, zoals hij in 1970 schreef, maar de elite. Het zou aansluiten bij wat de antropoloog Emmanuel Todd, voor de presidentskandidaat Chirac uitvinder van de fracture sociale, dezer dagen schreef: “De huidige beweging is misschien een van die grote momenten waarin Frankrijk zichzelf hervindt. Het is verstandig Frankrijk dat revolteert.”

Todd is niet de enige die hoopt op een andere politiek, een sociaal gemotiveerde economie die zich niet door Europa of de rest van de wereld laat overhaasten. Philippe Séguin, voorzitter van de machteloze Assemblée Nationale, zit gereed om op die basis Juppé af te lossen. Oud-minister Pasqua doet mee. Dat utopische conservatisme kan op dezelfde meerderheid rekenen die al deze stakingsweken niet boos wilde worden. Frankrijk houdt te veel van het leven om zich ontzag te laten inboezemen door de realiteit.