Ernesto 'Che' Guevara (1928-1967); Revolutionaire dromer

JEAN CORMIER: Che Guevara

448 blz., Editions du Rocher 1995, ƒ 57,-

DARIEL ALARCÓN RAMÍREZ en MARIANO RODRÍGUEZ: Les Survivants du Che

229 blz., Editions du Rocher 1995, (vert. uit het Spaans van de Cubaanse oorspronkelijke uitgave), ƒ 53,-

Ernesto 'Che' Guevara is de beroemdste guerrillero van deze eeuw. Bijna dertig jaar na zijn dood is onlangs schijnbaar niet alleen zijn lijk teruggevonden maar is ook eindelijk de eerste biografie van de Cubaanse revolutionair van Argentijnse afkomst verschenen. Het lijvige boek van de Franse journalist Jean Cormier, waarin minutieus de levensloop van 'Che' of 'El Che' wordt gevolgd, is gebaseerd op honderden getuigenissen.

Che Guevara werd op 14 juli 1928 als Ernesto Serna geboren in een burgerlijk - hoewel vooruitstrevend denkend - Argentijns milieu. Al tijdens en vlak na zijn medicijnenstudie maakte hij lange reizen door Latijns-Amerika. Uit die periode stamt zijn revolutionaire roeping. “Ik kwam in nauw contact met de armoede, de honger. Ik heb de door ondervoeding en constante repressie veroorzaakte verslechtering kunnen waarnemen”, schreef hij naar huis.

De politieke radicalisering voltrok zich snel bij Ernesto. In 1952 verbleef hij in Bolivia tijdens de revolutie en in 1954 dook hij op in Guatemala, waar hij deelnam aan het gewapend verzet tegen de - door de Amerikanen georkestreerde - omverwerping van de linkse president Arbenz. Het jaar daarop sloot Guevara zich aan bij een groep Cubanen onder leiding van de gebroeders Castro, die hun land van de dictatuur van Batista wilden verlossen. In 1956 landden de rebellen in het desolate gebied van de Sierra Maestra. Toen zij vijfentwintig maanden later zegevierend Havana introkken, had Guevara al een onaantastbare faam als guerrillaleider verworven.

Ondanks de neiging van biograaf Cormier om 'Che' uit de guerrilla-jaren als een halve heilige af te schilderen, genoot die onder zijn medestrijders en de plaatselijke bevolking onmiskenbaar groot prestige. Hij was dokter, el comandante en leraar tegelijk. De jonge recruten hield hij voor: “Zonder alfabetisering weet je niet waarom je een geweer vasthoudt”. 's Nachts gaf Che ideologische lessen over de revolutie. Terwijl de anderen na afmattende dagtochten uitgeput in slaap vallen, sloeg Guevara een boek open. Hij leek bezeten van een extreem positieve mensleer en was ervan overtuigd dat 'de nieuwe mens' na de revolutie zou kunnen worden opgevoed tot ware gemeenschapszin en naastenliefde. Als guerrillaleider paste hij een egalitaire en onbaatzuchtige moraal toe. Een getuige: “Ik heb gezien hoe Che weigerde te eten en zijn portie gaf aan anderen die hongeriger waren dan hij, en hoe hij zijn sigaar van mond tot mond liet gaan.”

Morele statuur

Fidel Castro en Guevara beseften dat zij alleen kans hadden om Batista te verslaan als zij de boeren in de Sierra Maestra voor zich konden winnen. Naast het doden van regeringssoldaten en het buitmaken van wapens, was het helpen bij het binnenhalen van de oogst dus een belangrijke tactiek in hun strijd. De Barbudos (zoals de bebaarde guerrillastrijders in de volksmond heetten) slaagden in hun opzet. Maar dat zij daarbij altijd met fluwelen handschoenen zouden zijn opgetreden, is minder waarschijnlijk. Voorraden werden betaald met bonnen die door Che waren ondertekend. De boeren en kooplui accepteerden de papiertjes, vooral omdat zij geen keuze hadden, zoals Cormier zelf schrijft.

Na de overwinning op Batista op 1 januari 1959 riep de nieuwe ministerraad Che uit tot Cubaans staatsburger. Eind 1959 volgde zijn benoeming tot president van de nationale circulatiebank. De dokter-guerrillo mocht dan begaafd en leergierig zijn, en mogen bogen op een hoge morele statuur, in deze nieuwe functie werd hij niet door enige financieel-economische kennis gehinderd. Met zijn olijfgroene uniform, wilde baard en zwarte baret met ster viel hij wel sterk op in het internationale gezelschap van bankdirecteuren.

Als coryfee van de Cubaanse revolutie droeg Guevara een revolutionair, proletarisch en internationalistisch humanisme uit. De betekenis van het marxisme lag voor hem niet zozeer in de klassestrijd, als wel in het feit dat het de weg kon effenen voor de hombre nuevo, de nieuwe mens. Het was misschien geen wonder dat hij zich als minister meer onderscheidde door zijn briljante verhandelingen over de internationale revolutie dan door zijn praktische beleid.

Guevara liet zich echter niet ontmoedigen door de werkelijkheid. Zijn radicalisering ging zo ver dat hij in Cuba's relaties met het buitenland alle marktmechanismen wilde schrappen. “De Revolutie moet het stompzinnige reformisme voorbijstreven. Daarvoor is het nodig de rentabiliteit, het individuele winststreven te veroordelen”, meende hij. Voor het VN-forum in New York betoogde Guevara in 1964 dat zeker het socialistische kamp in het onderlinge verkeer geen marktprincipes meer mocht hanteren. Anders werd men maar medeplichtig aan de kapitalistische uitbuiting.

Che had met deze aanval vooral de Sovjet-Unie op het oog. Achter de schermen werd Fidel Castro voor deze demarche hardhandig door Moskou op de vingers getikt. Een conflict tussen de twee vrienden werd daardoor onvermijdelijk. Gezien de Amerikaanse blokkade van Cuba kan Castro zich geen breuk met de Sovjet-Unie veroorloven. Op dat moment verloor Che de politieke basis voor zijn revolutionaire vocatie. Alleen het militaire alternatief bleef nog over: de stichting van 'nieuwe Vietmans' in de derde wereld.

Guevara gaf zijn Cubaanse nationaliteit op en vertrok in 1965 naar Kongo (het huidige Zaïre) om daar een nieuwe revolutionaire haard aan te steken. Maar met de opleiding van plaatselijke guerrillastrijders werd het niets. De honderden Afrikanen die Che voor de revolutie had gemobiliseerd, lieten hem op het beslissende moment in de steek.

Lijdensweg

In 1966 begon het laatste bedrijf van Guevara's revolutionaire furie: zijn strijd in Bolivia. Die onderneming is van het begin af aan een lijdensweg geweest. De vijftig guerrillero's onder aanvoering van Che moesten het opnemen tegen een overmacht van duizenden militairen, bewapend en bijgestaan door Amerikaanse adviseurs. Honger, dorst, verwondingen en insekten waren de dagelijkse vijanden. In zijn Boliviaans Dagboek, dat ook in Nederland uitkwam in 1968, zijn Guevara's serene en laconieke aantekeningen over de campagne te lezen. Cormier wijdt er een heel hoofdstuk aan. Het is het dagboek van een militair leider; privé-ontboezemingen zal men er vergeefs in zoeken.

De Boliviaanse onderneming heeft nooit enige kans van slagen gehad. De steun van de boeren die op Cuba van beslissende betekenis was geweest, moesten de Barbudos dit keer missen. Ook moest Che het zonder de logistieke steun van de Boliviaanse communisten stellen. Wat heeft Che zelf van deze uitzichtloze expeditie gedacht? Slechts eenmaal klinkt er een persoonlijke noot in zijn dagboek door. Op 14 juni 1967 noteerde hij: “Ik ben 39 jaar geworden en ik ga onverbiddelijk naar een leeftijd die mij zal doen nadenken over mijn toekomst als guerrillero”.

Het zou nog erger worden. De astma waaraan Guevara chronisch leed, eiste zijn tol; medicamenten waren er niet meer. De groep van vijftig strijders was inmiddels tot zeventien uitgedund. Het einde kwam in een nauwe vallei die door het leger was omsingeld. Op 17 oktober werd Che gevangengenomen met twee van zijn metgezellen. De volgende dag werd de Guerrillero heroico doodgeschoten. Zes mannen wisten de omsingeling te doorbreken en uit het ravijn te ontsnappen.

Een van hen was de Cubaanse revolutionair 'Benigno', schuilnaam van Dariel Alarcón Ramírez. Zijn Les survivants du Che is gebaseerd op aantekeningen die hij destijds maakte over de voettocht vol ontberingen door bergen en woestijnen, die voor de enkele overlevenden vijf maanden later in het veilige Chili zou eindigen. Zijn bijna dertig jaar later aan zijn vriend Mariano Rodríguez vertelde verslag is een aangrijpend relaas, waarin een blijvende bewondering voor Che doorklinkt.

Menselijke offers

Benigno moet voor Guevara een gaaf voorbeeld zijn geweest van de nieuwe mens. Hij was als jongen nooit naar school geweest, zijn intellectuele vorming ontving hij tijdens de guerrilla-oorlog op Cuba van Che Guevara, die hem in de jungle examens afnam. Hij scheen het levend bewijs van de ontplooiing van het menselijk potentieel van Latijns-Amerika zoals de revolutionairen dat predikten.

Che's charisma, zijn koelbloedigheid, zijn knappe uiterlijk, alles werkte mee om al voor zijn dood een legendevorming rondom zijn persoon op gang te brengen. Voor vele jongeren werd hij eind jaren zestig het symbool van de romantische revolutionair. Tijdens de Parijse Mei-opstand van 1968 ontplooiden studenten een spandoek met een van Che's beroemde uitspraken: “Laten we realistisch zijn, laten we het onmogelijke vragen”.

Natuurlijk was Guevara niet de revolutionaire Christusfiguur die zijn vurigste aanhangers (en biograaf Cormier) van hem wilden maken. Zijn twee echtgenoten hebben maar weinig gezien van Che, voor wie het najagen van de internationale revolutie absolute voorrang had. Ook was de praktijk van de hombre nuevo minder idyllisch dan de theorie wilde. Che was hard voor zichzelf, maar zeker ook voor zijn medestrijders. Offers waren volgens hem nodig voordat de nieuwe mens er zou komen. De afstand van idealisme naar bezetenheid en vervolgens naar meedogenloosheid is dan snel afgelegd.

Wat heeft Guevara in hemelsnaam bewogen om zich in het uitzichtloze Boliviaanse avontuur te storten? Biograaf Jean Cormier blijft het antwoord schuldig. Hij rept ook met geen woord over de vraag of Fidel Castro heeft geprobeerd zijn vriend van de onzalige expeditie af te houden of dat de president hem juist daartoe heeft aangemoedigd, aldus zijn kameraad bewust de dood injagend.

Che's eigen motivaties op dit terrein geven geen uitsluitsel. Al in 1959 schreef hij: “Wat zal ik worden? Ik weet werkelijk niet waar ik mijn huid zal laten.”

Er is meer op Che Guevara van Cormier aan te merken. De auteur besteedt onvoldoende aandacht aan het feit dat Che tijdens zijn ministerschap op een zijspoor is gezet door de bonzen van de Cubaanse CP, die de Sovjet-versie van het communisme minder riskant vonden dan Che's revolutionair humanisme. Bovendien laat het boek door de puur journalistieke benadering veel vragen open. Het feit dat Hilda Guevara, dochter van Che, haar medewerking verleende, doet bovendien de vraag opkomen of de vrijheid van Cormier hierdoor niet is ingeperkt.

Fundamenteler is de kritiek dat Cormier - ondanks zijn ijver - in anekdotiek is blijven steken. Guevara is in zijn visie de Graaf van Monte-Christo van het wereldcommunisme geworden. Het heeft de schrijver kennelijk aan intellectuele bagage ontbroken om zijn held in een relevante politiek-historische context te kunnen plaatsen.