Dik

MONIQUE GOOREN: Honger in je hoofd. Leven in de schaduw van een eetobsessie

160 blz., Balans 1995, ƒ29,90

Een op de vier meisjes van veertien doet wel eens aan de lijn. Dat bericht stond een maand geleden in deze krant, naar aanleiding van een onderzoek dat TNO Gezondheid en Preventie had uitgevoerd naar de eetgewoonten onder schoolkinderen. Of de deskundigen dat aantal opzienbarend vinden of verontrustend, werd niet vermeld. De lijnende meisjes bleken zwaarder te zijn dan de niet-lijnende meisjes. Een uitkomst die minder voor zichzelf spreekt dan men misschien zou denken. “Volgens projectleider dr.J. Meulmeester laat deze uitkomst zien dat meisjes niet gaan lijnen omdat ze een verkeerd schoonheidsideaal voor ogen hebben”, zo stond er in het bericht. Een ingewikkelde mededeling. Als ik het goed begrijp, dan staat hier dat een op de vier meisjes niet op dieet is omdat zij aan anorexia nervosa lijdt, maar omdat zij, volgens de huidige schoonheidsnormen althans, te dik is en dus niet mooi.Monique Gooren, schrijfster van Honger in je hoofd, zal dit bericht met gefronste wenkbrauwen gelezen hebben. Haar hele boek is gewijd aan haar even hardnekkige als vergeefse pogingen om te voldoen aan 'het' schoonheidsideaal. Zij was dertien toen ze aan haar eerste dieet begon. Dat zij niet de enige was die tobde met haar uiterlijk, deed niets af aan de ernst van de zaak. “Terwijl de helft van alle leeftijdgenoten kampt met uiterlijke tekortkomingen als pukkels, beugels en vet haar; te dun, te dik, te lang of te klein is, worden de schoonheid en kracht van het lichaam door iedere puber genadeloos nagestreefd en gekoesterd”, zo merkt Gooren, 22 jaar later, ironisch op.

Renate Dorrestein stelde in Het perpetuum van de liefde (1988) op felle toon de maatschappij verantwoordelijk voor de dood van haar jongere zus, die leed aan anorexia nervosa en zelfmoord pleegde. Zo fel is Monique Gooren niet. Zij had duidelijk niet de bedoeling een aanklacht te schrijven, al ligt er wel enige boosheid ten grondslag aan haar autobiografische relaas. Die boosheid richt zich onder meer op haar moeder, die haar niet accepteerde zoals zij was: een klein, gedrongen meisje, dat verder in niets verschilde van andere kinderen. Boos is ze ook op de afslankinstituten, die veel beloven, maar hun cliënten vooral geld uit de zak kloppen. En net als Dorrestein neemt Gooren het 'de wereld' kwalijk dat zij meisjes en vrouwen ertoe aanzetten hun buitenkant belangrijker te vinden dat hun binnenkant. Maar bovenal is ze boos op zichzelf die jarenlang gevangen zat in “een vicieuze cirkel van eetbuien en hongerkuren, afvallen en aankomen”. Honger in je hoofd is geen sociologische studie. Het is de montere en vermakelijke, maar toch wel leerzame beschrijving van persoonlijke lotgevallen.

De 'zusters in etensnood', zoals ze worden genoemd, zullen zich erin kunnen herkennen. En misschien ook hun voordeel kunnen doen met de slechte ervaringen die Gooren opdeed met uiteenlopende afslankprogramma's. Want als er iets is waartegen zij zich afzet, dan is het wel tegen het vermaledijde dieet. Op termijn, zo houdt zij haar lezers bij herhaling voor, leidt dat slechts tot een nog grotere eetlust en dus tot gewichtstoename. “Een dieet druist dwars tegen de natuurlijke behoeften van het lichaam in”, stelt Gooren nijdig vast. “Ik kon het twee dagen volhouden, een week, een maand. Vroeg of laat sloegen de stoppen door.”

De slotsom van Honger in je hoofd is dan ook dat hongeren alleen maar tot groot ongenoegen leidt, en niet tot het zo bitter nagestreefde schoonheidsideaal. Je moet jezelf leren accepteren, in alle onvolmaaktheid, daar komt het wel ongeveer op neer. Maar leg dàt maar eens uit aan een veertienjarige.