De mijnstreek van Wallonië heeft de stoflongen ingeruild voor werkloosheid; De kathedraal van de armoede

Toen Vincent van Gogh er het evangelie ging prediken was de Borinage met zijn talloze steenkoolmijnen en staalfabrieken een bloeiend industriegebied. Nu is dit de armste streek van België en één van de armste regio's in West-Europa. Sinds twee jaar krijgt de Borinage subsidie van de Europese Unie; voorzichtig vestigen zich er enkele buitenlandse bedrijven. Het leven onderaan de slakkenberg.

De lucht is er rokerig en mistig. De arbeiderswoningen, meestal klein en veeleer hutten te noemen, liggen verspreid langs de holle wegen. De arbeiders zijn geheel zwart als zij uit de donkere mijnen komen, gelijkerwijs de schoorsteenvegers. Maar hier en daar ziet men nog bemoste daken, en vriendelijk schijnt 's avonds het licht door de vensters met kleine ruiten. Zo beschreef Vincent van Gogh, in brieven aan zijn broer Theo, de Borinage: de Waalse mijnstreek waar hij van 1878 tot 1880 werkte als evangelist. De Borinage was toen een bloeiend industriegebied met talloze steenkoolmijnen en staalfabrieken. Het ligt immers in Wallonië, het vroegst geïndustrialiseerde gebied van het Europees continent.

Honderd jaar na Van Gogh heeft de Borinage de steenkoolmisère ingeruild voor die van de werkloosheid. Van de actieve beroepsbevolking zit één op de drie zonder baan. De Borinage (letterlijk: kolendelven) ligt in de provincie Henegouwen, de armste streek van België en één van de armste regio's in West-Europa. Binnen Henegouwen is de Borinage één van de armste delen. De streek, bestaande uit dertien gemeenten met poëtische namen als Montignies-sur-Roc en Fayt-le-Franc, strekt zich uit ten zuidwesten van Mons (Bergen) tot aan de Franse grens.

Rijdend door de Borinage wordt zichtbaar waarom België, naast Spanje, het land van het surrealisme is. Morsige cafés dragen er exotische namen als Paradise Beach. Op dorpspleinen staan verroeste kolenkarren gevuld met viooltjes. De kleine woningen, die zich langs de weg aaneenrijgen, worden afgewisseld door meubelgiganten en McDonald's-restaurants. Dan weer zijn er uitgestrekte vlakten, met hier en daar enkele huizen, tegen elkaar geleund alsof ze bescherming zoeken tegen de kou. Het land is bezaaid met industriële overblijfselen: een groen uitgeslagen terril (storthoop van een kolenmijn) met daarop een immens kruis of een verlaten mijnschacht. De corons, lange rijen arbeidershuizen, staan er nog en de straten heten nog altijd Arbeidslaan of zijn vernoemd naar socialistische voormannen.

In Cuesmes, een paar kilometer ten zuiden van Mons, is het markt. Houten kramen vol ondergoed, fruit, slippers of vis. In dit dorp woonde Van Gogh van 1879 tot 1880 bij de mijnwerkersfamilie Decrucq en maakte hij tekeningen van het land en de mijnwerkers. Op het dorpsplein van Cuesmes pronkt een immense mijnwerkerslamp, een herinnering aan de mijnen die al jaren gesloten zijn. Op de hoek van de markt is het onvermijdelijke Maison de Peuple, het volkshuis waar de Waalse Parti Socialiste vergaderingen belegt en feesten organiseert. Maar het volkshuis is vooral café, waar vanaf 's ochtends vroeg pils wordt getapt. 'Ici coule le vieux temps', hier glijdt de oude tijd voorbij, staat op het raam. De formicatafels zitten vol - mannen met pet, die stug doordrinken.

“Het is hier een ellende”, antwoordt een man aan de bar, op de vraag of hij uit Cuesmes komt. “Er is geen werk meer. Jongeren nemen ze in dienst, ik ben te duur.” De 43-jarige Guy, gewezen fabrieksarbeider, moppert door: “Tot twintig jaar geleden was het hier goed. Er was werk, de fabrieken waren open, er waren winkels. Nu is hier niets. Het is de fout van de overheid, van die daar.” Hij wijst naar een portret boven de bar van de burgemeester van Mons, de socialist Maurice Lafosse. “Niet waar”, werpt patronne Sophie vanachter de bar tegen. “Het is niet de schuld van de burgemeester, het zijn de tijden die veranderd zijn.” Een tweede klant mengt zich in het gesprek: “Het probleem is dat alles duurder is geworden. De prijzen stijgen, de lonen gaan omhoog.” Terwijl haar twee klanten steeds heftiger tegen elkaar opbieden wie de schuld heeft van de misère, zegt Sophie rustig: “De problemen begonnen toen in 1961 de twee mijnen werden gesloten. Mijn vader heeft er nog gewerkt, hij is gestorven aan stoflongen. Nu is er geen werk meer.” L angs de weg, even buiten Cuesmes, ligt plots een verlaten mijn. Een enorm bakstenen gevaarte, geclasseerd als monument. In de schachttoren huizen duiven, die opvliegen bij het onverwacht bezoek. Het lijkt alsof de plek overhaast is verlaten. Er staan nog een paar roestende treintjes, de rails zijn slechts gedeeltelijk verwijderd. Van hieruit is de terril te zien, waar tot begin jaren zestig de slakken op gestort werden.

In de Borinage werd al in de dertiende eeuw steenkool gedolven. Aanvankelijk werden de steenkoollagen aan de oppervlakte geëxploiteerd, door kleine bedrijven die gerund werden door een gezin of een paar arbeiders. In de vorige eeuw moest men steeds dieper graven om bij de zwarte aarde te komen. De Borinage groeide uit tot een van de sterkst ontwikkelde industriegebieden van Europa. Tegelijkertijd groeide een militant zelfbewustzijn. Nog altijd hebben de socialisten de absolute meerderheid in het grootste deel van de Borinage. In Quaregnon, niet ver van Cuesmes, keurde het congres van de Belgische Werkliedenpartij in 1894 het Charter van Quaregnon goed, dat nog altijd de beginselverklaring is van de Parti Socialiste.

Mons is het handelscentrum van de Borinage, maar wil er niet toe gerekend worden. De oude bourgeois-stad zet zich af tegen het achterland, de arbeidersstreek. De universiteitsstad werd ook niet zichtbaar geraakt door de aftakeling van de industrie. Toch is ook Mons een rode stad, maar het socialisme is meer intellectualistisch tegenover het arbeiderssocialisme van de Borinage.

Tot midden jaren zestig ging het goed in de Borinage. In Wallonië was meer werk dan in Vlaanderen. Vlamingen, Italianen en Polen trokken naar de Borinage. Maar sindsdien liet de wet van de remmende voorsprong zich voelen: onrendabele mijnen moesten sluiten, wat later ging het ook slechter met staalindustrie, textiel, glas, en aardewerk. Aanvankelijk werd geprobeerd via arbeidsplaatsen bij de overheid een deel van de werkloosheid weg te werken, maar dat bracht geen structurele verbetering. Sinds 1993 komt de provincie Henegouwen als 'achtergebleven gebied' in aanmerking voor subsidie van de Europese Unie voor de economische wederopbouw, in eurojargon: doelstelling 1.

Nog altijd vallen er ontslagen in de Borinage. In Colfontaine staat een vestiging van Alcatel Bell op het punt te saneren waarmee honderd werknemers op straat komen te staan. Tijdens een betoging onlangs tegen de dreigende ontslagen eiste een vakbondsleider: “Deze regio moet doelstelling 1 van doelstelling 1 worden”. Inderdaad werd de Borinage vorige week uitgeroepen tot prioriteit binnen Henegouwen. De Waalse premier Robert Collignon stelde positieve discriminatie voor deze streek voor die maar niet meer tot bloei wil komen.

“Sinds 1993 zijn er in de Borinage 144 banen bijgekomen”, zegt Francis Biesmans, de ambtenaar belast met de doelstelling 1-dossiers voor Henegouwen. “Geen groot succes, vergeleken bij het oosten van Henegouwen waar in dezelfde tijd 400 arbeidsplaatsen zijn gecreëerd.” Belgische investeerders steken hun geld liever niet in de Borinage, die voor hen nog altijd een negatieve klank heeft. Toch is er hoop, meent Biesmans, nu Collignon positieve discriminatie heeft aangekondigd. “Ook de vakbonden hebben een project gelanceerd: Vooruit met de regio!” D e laatste jaren vestigen zich voorzichtig wat buitenlandse firma's in de Borinage. Ze zien als voordeel dat er nog veel ruimte is in deze regio, die niet ver van Brussel ligt zonder dat er van hieruit veel files zijn. De nieuwe bedrijven bouwen vaak voort op regionale tradities, zoals aardewerkproduktie. Zo worden er nieuwe keramische materialen geproduceerd. In het oude mijnwerkersdorp Grand-Hornu is sinds enige tijd een vestiging van IBM en van een aantal bedrijven die zich bezig houden met speerpunttechnologie. Ze zijn gehuisvest in een gerestaureerde mijnnederzetting, in 1810 opgericht door de Fransman Henri Degorge. Het imposante, neoklassieke complex werd door een plaatselijke dichter omschreven als 'la cathédrale boraine'.

Degorge stichtte een voor die tijd revolutionaire mijnnederzetting, waar arbeiders zowel werkten als woonden. De ruim vierhonderd arbeidershuizen, die nog altijd bewoond worden, waren allemaal even hoog en met 55 vierkante meter voor die tijd ruim. Ook de straten waren met hun twaalf meter breedte royaal, maar inmiddels zijn ze volgebouwd met schuren, serres en andere aanbouwsels. De bouwlust duurt nog voort: overal klinkt getimmer en geklop. In 1953 werd de laatste schacht van Grand-Hornu gesloten, een jaar later stopte alle activiteit na een besluit van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal die de steenkoolontginning wilde reguleren.

De 'cathédrale boraine' verviel tot een ruïne, die twintig jaar geleden werd opgekocht door de architect Henri Guchez. Mede door zijn inspanningen werd het complex, waar delen van de film Lust for Life over het leven van Vincent van Gogh werden opgenomen, in 1993 verklaard tot monument. De renovatie is bijna af. Slechts een vervallen huis moet nog opgeknapt worden. 'Centre d'Art contemporaine' meldt een groot bord: hier komt het eerste museum van moderne kunst van Wallonië. Het moet volgend jaar af zijn. Initiatiefnemer is Laurent Busine, directeur van het museum van moderne kunst in Charleroi. “Je kunt overal een museum bouwen, maar dan wordt het de zoveelste in de rij. Ik gebruik liever plaatsen die een innerlijk leven hebben”, verklaarde Busine de keuze voor deze plek.

Niet toevallig wordt juist hier, niet ver van Mons, een museum opgericht. Na de federalisering van België besloten het Frans gewest en de Waalse gemeenschap Mons tot culturele hoofdstad van Wallonië te maken. Luik werd de economische hoofdstad, Namen de politieke en Charleroi de sociale. De verdeling is niet tot ieders genoegen. “We hebben ons laten beetnemen met cultuur”, klaagde de vakbondsleider die in Colfontaine protesteerde tegen de ontslagen bij Alcatel.

Naast de mijnnederzetting van Grand-Hornu ligt een modern wooncomplex, begin jaren tachtig gebouwd door Guchez. De Cité Hadès, in de streek bekend als 'cité fantôme', is een prestigieus woningbouwproject. Een wijk voor het jaar tweeduizend moest het worden, een oppepper voor de streek waar alles verloren ging. Maar het werd een “vraie histoire boraine”: het complex leed onder vochtproblemen, muren scheurden, waterleidingen sprongen. De aannemer ging failliet, huurders vluchtten, de woningen werden leeggeroofd. Nooit meer dan vijftig gezinnen hebben in de Cité Hadès gewoond. Nu staat er schimmel op de muren, de ramen zijn ingeslagen. Binnen is alles gesloopt: aanrecht, verwarming, badkuip, leidingen, alles is verdwenen.

Toch gloort ook hier voorzichtig hoop. Een hoekje van de Cité wordt opgeknapt. De buitenkant is opnieuw geel geverfd, binnen is tapijt gelegd, kantoorstoelen worden naar binnen gedragen. Nee, nee, men heeft geen toestemming om de pers te woord te staan. Maar de nieuwsgierigheid wordt toch bevredigd. Bij de ingang hangt onder het vergeelde kaartje 'concierge' een vers naambordje: 'Business Service Management'.