De hel die onderwijs heet

LEO PRICK: Vitale leraren en andere vreugdevolle verschijnselen

142 blz., Van Gennep 1995, ƒ24,50

Toen Leo Prick, die voor altijd associaties zal oproepen met zijn onderzoek naar stress in het onderwijs, in Lissabon een middelbare school bezocht, waren daar juist verkiezingen gaande voor een nieuwe directie. “Het is een systeem dat ik graag vandaag nog zag ingevoerd in het Nederlands onderwijs,” schreef hij bij terugkeer. “Dat kan niet. Niet omdat het niet kan, maar omdat in het Nederlands onderwijs niets kan, want er komt altijd wel iemand opdraven die wijst op rechtspositionele voetangels en klemmen.”

Er is veel mis in ons onderwijs en in Vitale leraren en andere vreugdevolle verschijnselen, een bundeling van columns die eerder in Het schoolblad verschenen, windt Prick er geen doekjes om. Met scherpe, trefzekere pen stelt hij de misstanden aan de kaak. Afgebrande leraren, vrouwen in de schoolleiding, hoofddoekjes op school, loon naar prestatie: er wordt flink tegen schenen geschopt - en dat kan geen kwaad.

Ooit stond Leo Prick (1939) als leraar Nederlands voor de klas, om via de lerarenopleiding aan de Vrije Universiteit in 1983 te promoveren op een onderzoek naar stress, arbeidssatisfactie en loopbaanontwikkeling. Als directeur van een sociaal-psychologisch adviesbureau adviseert hij nu onderwijsinstellingen “over mogelijk beleid ten behoeve van een prettiger en gezonder werkklimaat”. Kortom: Prick is de dans ontsprongen.

Dat kunnen de meeste van zijn collega-leraren niet zeggen; die zitten in de fuik. Ze werken op morsige scholen waar alle franje is wegbezuinigd, en waar op instigatie van Het gedroomde koninkrijk (het rapport Van Es) 'middle management' is ingevoerd, met als gevolg een kaste van 'onderbaasjes' die de lestaak voor de gewone vakdocent er zwaarder op maakt. Alles moet binnenkort uit één zak geld worden betaald, inclusief de salarissen. Oudere, duurdere docenten, die 2,5 keer zo vaak ziek zijn als jongere collega's, vormen weldra de bulk van het onderwijzend personeel aan het voortgezet onderwijs. Vroeger was daar mobiliteit, en wie bleef hangen of het zwaar te verduren kreeg, kon via ziekte, afkeuring of wachtgeld ontsnappen - een zegen voor alle partijen, behalve de belastingbetaler wellicht. Nu zijn die routes 'dichtgetimmerd' en is korter werken voor de senior financieel onaantrekkelijk gemaakt. Er tikt, zo moet de diagnose luiden, een tijdbom in het voortgezet onderwijs.

Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Allereerst heeft het HOS-akkoord uit 1986 grote schade aangericht. De onderwijsbonden stelden de rechtspositie van hun leden voorop onder het motto après nous le déluge, en zij wentelden de bezuinigingen af op de aanstaande collega's. Die kregen voortaan zwaar onderbetaald, zodat niemand met capaciteiten nog trek had in het leraarsvak. Daarnaast is er de fnuikende last in, first out afvloeiingsregeling. Enthousiaste nieuwelingen worden ten faveure van verroeste cynici het bos in gestuurd en iedere mobiliteit uit het onderwijs is verdreven. De zaak zit hopeloos verstopt met leraren uit de jaren zeventig die in hun denken, aldus Prick, “buitensporig worden gedomineerd door Waar heb ik recht op? in plaats van Hoe lossen we dat probleem in alle redelijkheid op?”

Schandaal

Een andere boosdoener, aldus Prick, is het opportunistische toelatingsbeleid, zowel op de scholen als op de lerarenopleidingen. Om de zaak draaiende te houden, moesten leraren werken met leerlingen die niet geschikt waren voor het onderwijs dat zij volgden. Prick vroeg zijn studenten aan de lerarenopleiding Nederlands van de VU eens waarom zij voor die studie hadden gekozen. “Zowat de helft antwoordde dat ze waren afgewezen bij de School voor de Journalistiek, de toneelschool of andere opleidingen. (...) Het is een publiek schandaal dat studenten tot de lerarenopleidingen worden toegelaten enkel en alleen om de banen van de betreffende docenten veilig te stellen.”

Aan lerarenopleiders bewaart Prick weinig goede herinneringen. “Karakteristiek is hun dédain voor de mensen die werken in de sector waar zij voor opleiden en hun ongehoorde pretentie. (...) Een enkeling die een jaar lesgeven aan pubers had overleefd. Als psycho-, socio- of anderszins -loog baseerden ze hun uitgesproken opvattingen op bevlogen ideeën. Kletskousen waren het vaak.” Het gevolg? “Jonge volwassenen die mogen stemmen en trouwen, infantiliseren collectief als leerling van een middelbare school.” Leraren, zo constateert Prick, onderwijzen niet langer maar houden de boel in de hand. En inderdaad: de moderne docent surveilleert zijn halve lunchpauze, wadend door kantinevuil. En als een collega ziek is, dient hij in het kader van lesuitvalbestrijding - iedere ouderavond wordt ernaar geïnformeerd - in een tussenuur een wildvreemde klas koest te houden opdat het 'lesgeven' in de belendende lokalen doorgang kan vinden.

Toch is het verkeerd te denken dat het voortgezet onderwijs een hel is. Het barst er van de kinderen die oprecht nieuwsgierig zijn, die van hun docenten willen leren, en docenten te over die er eer in leggen er het beste van te maken. Zelfs Prick, die vooral de afgebrande leraar over de vloer krijgt, beaamt dit. “Bij zoveel cynisme en scepsis is het een feest een ambtsjubileum mee te maken waarbij blijkt dat er oudere leraren zijn voor wie nieuwe ontwikkelingen niet per definitie bedreigend zijn. Die zich ontwikkelen in hun vak én als leraar en die het geluk hebben te werken op een school die dat stimuleert en weet te waarderen.”