De Europese veiligheid is in de allereerste plaats een kwestie van politieke wil

De oorlog in voormalig Joegoslavië heeft de kwetsbaarheid van de Europese veiligheid feilloos blootgelegd. Welke lessen moet Europa daaruit trekken? Bernard de Montferrand, Frankrijks ambassadeur in Nederland, vindt dat Europa moet streven naar een beter evenwicht in de betrekkingen met de VS en dat Europa tegelijkertijd moet doorgaan met de opbouw van een eigen defensie-identiteit.

Moet Europa over een eigen defensiemacht beschikken? Deze vraag houdt de publieke opinie in onze landen bezig, omdat men geen duidelijke en onmiddellijke gevaren bespeurt. De problemen waarmee de Europese strijdkrachten in ex-Joegoslavië werden geconfronteerd, versterken die twijfel. Daarom is men op het oude continent sterk geneigd zich nauwelijks te interesseren voor een onderwerp dat al vijftig jaar grotendeels is toevertrouwd aan de nucleaire afschrikking en de klassieke middelen van de Verenigde Staten. Waarom zouden wij ons niet uitsluitend beperken tot ons comfortabel streven naar één grote economische markt? Is dat de beste manier om een sterke Atlantische band te behouden voor de volgende eeuw, zoals wij allemaal wensen?

De ervaringen van de laatste jaren tonen echter aan dat het nu essentieel geworden is dat Europa zijn lot op het gebied van veiligheid en verdediging krachtiger in eigen hand neemt. 1. Welke dreiging? Europa kent op dit moment geen identificeerbare strategische bedreiging. Maar wie garandeert dat dat over tien jaar nog zo is, gegeven de vele onzekerheden, met name in het oosten van het continent? Ex-Joegoslavië heeft ons geleerd dat het geweld weer voor onze deur kan verschijnen en dat een vermogen tot snelle reactie vereist is. Ex-Joegoslavië heeft vooral aangetoond dat, wanneer Europa ter plaatse niet optreedt, iemand anders dat doet. Tot slot hebben de meeste Europese landen een opvatting over de internationale solidariteit die hen ertoe brengt mee te doen aan operaties ter handhaving van vrede. Om in al deze behoeften te voorzien blijft een doelmatige defensie, in het belang van onze vrijheid en het recht, noodzakelijk. 2. Europa beschikt over een reëel defensievermogen, maar over onvoldoende politieke wil. De lidstaten van de Europese Unie hoeven zich niet te schamen voor de militaire acties die zij de laatste jaren hebben ondernomen in het kader van talrijke internationale operaties waarin verschillende van onze landen een beslisende rol hebben gespeeld, zoals in Cambodja, Ruanda of ex-Joegoslavië.

Laten wij even stilstaan bij dit laatste punt. Het is bij voorbeeld duidelijk dat het Akkoord van Dayton nooit mogelijk was geweest zonder de aanwezigheid van meer dan 15.000 Europese blauwhelmen in Bosnië, die de ruggegraat van UNPROFOR vormden. Zij hebben twee belangrijke resultaten geboekt: a. het conflict heeft zich niet uitgebreid; en b. geen enkel kamp heeft het andere verpletterd, wat tot een ongekende humanitaire catastrofe zou hebben geleid. Op grond van deze resultaten kon een kwetsbare, maar reële politieke oplossing worden gevonden. De zware tol die de Europese troepen hebben betaald, heeft de vrede gediend.

Toch zijn de resultaten niet in overeenstemming met de verwachtingen. De Europese landen dragen hiervoor de collectieve verantwoordelijkheid, omdat zij onvoldoende politieke wil hebben getoond. In 1991 hadden zij in het kader van de West-Europese Unie (WEU) massaal preventief kunnen ingrijpen, zoals sommigen voorstelden. Dat hebben zij niet gedaan. Zodoende kwamen hun inspanningen, ondanks de omvang ervan, over als de som van aparte nationale bijdragen en ontbrak het aan politiek gewicht. Herhaaldelijk hebben de Europeanen geaarzeld om hun opmerkelijk diplomatiek werk te ondersteunen met resoluut militair optreden. Ook hier heeft de politieke wil ontbroken. 3. De recente gechiedenis heeft ook aangetoond dat de structuren van de atlantische samenwerking moeten worden aangepast, en wel op verschillende terreinen: De politieke dialoog is onvoldoende gebleken. De Joegoslavische kwestie heeft een verschil in benadering aan beide kanten van de Oceaan blootgelegd - Washington wilde geen troepen ter plaatse; de Europeanen hadden er veel - en heeft ook de zwakte aangetoond van de overlegstructuur die nodig was om tot een gemeenschappelijk standpunt te komen. De Contactgroep heeft slechts ten dele de partijen kunnen verzoenen. De dialoog tussen Washington en de Europeanen mist te vaak vertrouwen, zoals de haperingen bij de benoeming van de nieuwe secretaris-generaal van de NAVO hebben laten zien. Het is in niemands voordeel dat Europa soms het gevoel heeft dat het goed is voor het 'vuile werk' in het veld of om de 'rekening te betalen', en dat de Verenigde Staten plaatsnemen aan de onderhandelingstafel en het 'vredesdividend' incasseren. De sterke deelname van Amerika aan de NAVO-troepenmacht (IFOR) thans in Bosnië zou deze indruk moeten wegnemen.

De taakverdeling tussen Amerikanen en Europeanen moet verduidelijkt worden. Vanaf het begin van de Joegoslavische crisis heeft Amerika erop gewezen dat deze crisis zijn fundamentele belangen niet aantastte en dat het niet wenste in te grijpen. Maar toen de Europeanen in oktober 1991 wilden optreden in het kader van de WEU, dachten de Verenigde Staten onmiddellijk dat het ging om een onderneming die gericht was tegen de NAVO en hebben zij dit initiatief afgewezen. Deze zowel overbodige als gevaarlijke 'theologische' twist heeft het optreden van de internationale gemeenschap behoorlijk vertraagd.

De zware geïntegreerde structuren van de NAVO bleken niet flexibel genoeg voor een crisis van overwegend politieke aard, die gerichte interventies, grote flexibiliteit en permanente politieke controle vergden. De zeer sterke betrokkenheid van de Verenigde Staten op alle niveaus van de NAVO heeft gezorgd voor een groot probleem binnen deze organisatie. Omdat Washington geen troepen wenste te leveren, noch de gemeenschappelijke lijn wilde volgen, leek de machine te zijn vastgelopen. Hoe kon men onder deze omstandigheden bij voorbeeld door de Navo een wapenembargo laten afkondigen dat de Verenigde Staten niet accepteerden?

Het moment is gekomen om de consequenties op het gebied van veiligheid en defensie te trekken uit deze recente ervaringen. In de eerste plaats dient de atlantische relatie angepast te worden aan deze tijd: er moet een beter evenwicht komen tussen Europa en de Verenigde Staten.

De Europeanen hebben bij het Verdrag van Maastricht besloten dat de economische en politieke opbouw, die al 35 jaar aan de gang is, ook een defensie- en veiligheidsdimensie moest krijgen. Deze onderneming is niet gericht tegen de Verenigde Staten of de NAVO, maar vult hun inspanningen duidelijk aan. Zoals alle leden van de NAVO altijd erkend hebben, dat de Engelse en Franse afschrikkingsmacht die van de Verenigde Staten aanvullen en een extra element toevoegen aan de gemeenschappelijke veiligheid.

De NAVO-top van januari 1994 heeft deze hervormingskoers bevestigd. Er is veel vertraging ontstaan; er moet een echte inhoud aan gegeven worden. Dit moet langs drie wegen gebeuren:

Door een opener en evenwichtiger dialoog te organiseren tussen beide oevers van de Atlantische Oceaan. De Europees-Amerikaanse verklaring van Madrid (over nauwere politieke samenwerking tussen de VS en de EU, van 3 december) zou daartoe kunnen bijdragen.

Door een complementariteit te bewerkstelligen tussen Europa en de Verenigde Staten. Hun inspanningen moeten onder alle omstandigheden doeltreffend zijn, of ze nu besluiten gezamenlijk op te treden of dat de Europeanen - als Washington zich afzijdig houdt, wat zijn goed recht is en doorgaans de neiging van het Congres schijnt te zijn - alleen optreden in WEU-verband.

Door de NAVO aan te passen aan de nieuwe crisis. Frankrijk is, vooropgesteld dat de organisatie verandert en zich moderniseert, bereid zijn deelname op pragmatische wijze uit te breiden. De aankondiging tijdens de laatste NAVO-raad, dat Frankrijk zal deelnemen aan het militaire comité, is een concreet teken van deze wil. In de tweede plaats moeten de Europeanen doorgaan met de opbouw van de Europese defensie-identiteit, die zij zich ten doel hebben gesteld in het Verdrag van Maastricht. In het licht van de Europese eenwording onderschrijft niet iedereen deze ambitie om historische of culturele redenen. Deze opbouw kan echter voortgang boeken dank zij alle lidstaten die daartoe de nodige politieke wil aan de dag leggen. De WEU is het aangewezen kader voor een dergelijke samenwerking. Zoals minister De Charette (buitenlandse zaken) heeft gezegd: “De WEU, het natuurlijke vehikel voor de ontwikkeling van de Europese defensie-identiteit, moet op het politieke vlak het kader kunnen worden van het Europese overleg over defensiezaken, als defensiecomponent van de Europese Unie en als Europese pijler van de Alliantie.”

De Europeanen moeten dus in staat zijn om met hun eigen middelen tot een belangrijke paece keeping-interventie over te gaan. Dit veronderstelt dat zij de beschikking moeten hebben over:

commandomiddelen. De nieuwe crises vereisen geen grote geïntegreerde en vaste staven, maar lichte structuren, die verschillende middelen kunnen inzetten. Het Eurocorps beschikt al over dit type middelen en die van de WEU zouden zonder problemen kunnen worden versterkt.

troepen. De Europese landen hebben genoeg getrainde manschappen, of het nu gaat om multinationale structuren die recentelijk gevormd zijn - Eurocorps, Euromarfor, Euro Airgroup bij voorbeeld - of om eenheden die binnen de structuren van de NAVO zijn geplaatst, maar die ook in andere hypothetische gevallen zouden kunnen worden gebruikt, zoals het Duits-Nederlandse corps.

een doelmatige logistiek inzake communicatie, inlichtingen en transport. De Europeanen hebben alle industriële en wetenschappelijke mogelijkheden op het gebied van satellieten, transportvliegtuigen of communicatie die nodig zijn om de instrumenten, waarover de NAVO thans beschikt aan te vullen. Het akkoord dat Frankrijk en Duitsland twee weken geleden sloten over de bouw van Europese infrarood- en radarsatellieten, die beschikbaar zijn voor de andere partners, illustreert wat Europa kan en moet doen.

De opbouw van een Europese defensie-identiteit is niet los te denken van een globale opvatting over de veiligheid op het Europese continent die de veiligheidsbelangen van de Europeanen in acht neemt. Deze opbouw moet in de eerste plaats een van de pijlers zijn van een alliantie die zich geleidelijk zal uitstrekken tot de Midden- en Oosteuropese landen die zich geroepen voelen om toe te treden tot de Europese Unie. Maar zij moet ook een nieuwe samenwerkingsrelatie definiëren met Rusland en de lidstaten van de GOS, die vanwege hun geografische ligging niet tot de NAVO kunnen toetreden zonder deze totaal van aard te doen veranderen. Dat is de voorwaarde voor het scheppen van een echt klimaat van vertrouwen op het hele continent.

Het definiëren van een vernieuwd en efficiënt partnerschap tussen beide oevers van de Atlantische oceaan en het ontwikkelen van een echte Europese pijler onder de alliantie is dringend noodzakelijk. Het is de voorwaarde voor een nieuwe, evenwichter en meer vertrouwenwekkende lange-termijn-relatie tussen Washington en Europa, een relatie die correspondeert met de nieuwe toestand in de wereld. Het is vooral een kwestie van politieke wil. Elke keer wanneer Europa eensgezind optreedt is het een sterkere en betrouwbaarder partner voor zijn bondgenoten.