Che is nog onvindbaar, maar gebed is verhoord

SANTA CRUZ DE LA SIERRA, 16 . Grafdelvers in Bolivia, die op zoek zijn naar het lijk van de legendarische guerrillastrijder Ernesto 'Che' Guevara, hebben gisteren drie geraamten, een laars en een handvol patroonhulzen gevonden. Identificatie met behulp van röntgenapparatuur en gebitsgegevens zullen moeten uitwijzen of het gaat om de stoffelijke resten van de Argentijnse arts die in oktober 1967 door het Boliviaanse leger werd gedood.

De vondst heeft de zoektocht naar het verdwenen lichaam van Che nieuw leven ingeblazen. Op aanwijzingen van de gepensioneerde generaal Mario Vargas Salinas hebben soldaten en vrijwilligers vijftien dagen achtereen met pikhouwelen staan hakken op de landingsbaan van het vliegveld bij het stadje Vallegrande. Het graafwerk had echter niets opgeleverd en zou vrijdag aanvankelijk worden stilgelegd.

In Vallegrande en de provinciehoofdstad Santa Cruz, in het hart van de coca-streek, lijkt het wel of Che is wedergeboren. Hij is door de bevolking uitgeroepen tot een heilige: 'San Ernesto'. Er worden kaarsjes gebrand onder zijn beeltenis: die foto met de baret-met-ster, de blik van een ziener en het golvende haar.

De eerste bede is inmiddels verhoord. Een boerin uit de bergen bij Vallegrande wilde haar doodzieke kind naar het ziekenhuis brengen, voor een spoedgeval, maar ze kon haar paard niet vinden. Op het moment dat ze 'San Ernesto' aanriep, hoorde ze het beest hinniken.

President Luis Sanchez de Lozada van Bolivia vindt dat Che “een christelijke begrafenis” verdient. De burgemeester van Vallegrande heeft de resten van de verzetsheld tot “cultureel erfgoed” van zijn gemeente verklaard. En Ruben Poma, staatssecretaris van toerisme, wil een Che Guevara-pad uitzetten.

Guevara, geboren op 14 januari 1928, vocht in 1954 in Guatemala en verdreef, zij-aan-zij met Fidel Castro, op oudejaarsavond 1958 dictator Batista uit Cuba. Na een mislukt avontuur in Belgisch Kongo (Zaïre), reisde hij in november 1966 naar Bolivia, vermomd als een kale zakenman met een bril, om met een stuk of veertig man een “tweede Vietnam” te scheppen. Hij kreeg geen steun van de boeren en trok als opgejaagd wild door de jungle. Totdat hij op 8 oktober 1967 in het gehucht La Higuera gevangen werd genomen. De volgende dag werd hij op gezag van de toenmalige president doodgeschoten.