Catherijneconvent eert St. Willibrord met grote expositie; Middeleeuws polderland verlicht

Tentoonstelling: Willibrord en het Begin van Nederland. Museum Catherijneconvent, Nieuwe Gracht 33, Utrecht. T/m 28 jan. Di-vr 10-17u, za-zo 11-17u.

Hoe bekeerden de Germanen zich tot het christendom? Twaalfhonderd jaar geleden moet het in Utrecht ongeveer zo hebben geklonken: 'End ec forsacho allum diaboles wercum and wordum Thunaer ende Woden ende Saxnote ende allum them unholdum the hira genotas sint (...) Ec gelobo in crist godes suno.' [Ik verzaak alle duivelswerk en -woord, Donar en Wodan en Saxnot en alle demonen die hun gezellen zijn (...) Ik geloof in Christus, Gods zoon].

Deze Oudsaksische woorden uit de Utrechtse Doopgelofte zijn nu weer in het Utrechtse Catherijneconvent te lezen, in een achtste-eeuws manuscript op de tentoonstelling Willibrord en het begin van Nederland. Het perkamenten boek - afkomstig uit de Bibliotheca Apostolica Vaticana - is te zien achter glas, opengeslagen op het doopformulier. Missionarissen uit die tijd hebben op die pagina's ook een reeks te bestrijden heidense gebruiken genoteerd: waarzeggerij uit ossemest en dierenhersenen, 'stormen en hoornblazen', valse goden van lappen, ritueel gebruik van houten handen en voeten, het geloof dat vrouwen de maan opeten en harten van mensen kunnen wegnemen. Deze opsomming, zonder verdere toelichting, is een van de zeer schaarse bronnen over de heidense religie uit de vroege, 'donkere' middeleeuwen.

Dit en een tiental andere manuscripten uit de achtste, negende eeuw en tiende eeuw vormen het hoogtepunt van de tentoonstelling, georganiseerd ter ere van het feit dat de Angelsaksische monnik Willibrord (658-739) 1300 jaar geleden gewijd werd tot aartsbisschop van de Friezen, met de opdracht hen tot het christendom te bekeren. Met het bijeenbrengen van deze uitzonderlijke manuscripten is een terecht eerbetoon gebracht, want het schrift vormde het belangrijkste cultuurgoed dat de sterk Iers beïnvloede Angelsaksische missionarissen in de zevende en achtste eeuw naar het goeddeels ongeletterde en heidense continent brachten. Het pronkstuk in Utrecht is het Thomas-Evangelarium, genoemd naar de monnik die het nog tijdens Willibrords leven heeft geschreven en geïllustreerd in het beroemde scriptorium van Willibrords klooster in Echternach (Luxemburg). De monniken brachten niet alleen christelijke teksten. Er is ook een vroeg achtste-eeuws afschrift van de Natuurlijke Historiën van de heidense Plinius (23-79 na Chr) te zien en een astronomisch manuscript uit 805 vol tekeningen van Hercules en andere sterrebeelden.

De tentoonstelling wil in kort bestek een overzicht bieden van de Nederlandse geschiedenis, van de Romeinse tijd tot na het jaar duizend. 'Nederland' is dan vooral Utrecht, de verlaten Romeinse legerplaats die in de Frankische tijd herleeft als centrum van godsdienst en bestuur. Helaas is de historische toelichting bij de prachtige uitstalling nogal summier. Nergens wordt bijvoorbeeld duidelijk gemaakt dat Noordwest-Europa in die eerste helft van de middeleeuwen in feite een dunbevolkt 'derde-wereldland' vormde, waarin 'koningen' in werkelijkheid gewoon de meest succesvolle roverhoofdmannen waren. Of dat de nobele Angelsaksische missiewerkzaamheden heel goed te beschouwen zijn als machtsuitbreiding van de merovingische hofmeiers uit Frankrijk, de (over)grootvaders van de latere keizer Karel de Grote.

Erg wonderbaarlijk waren de bekeringen tot het christendom niet. De christelijke hofmeiers uit Noord-Frankrijk waren de machtigste soldaten van hun tijd, en veel plaatselijke machthebbers in de Lage Landen zagen daardoor wel voordelen in die nieuwe godsdienst. Dat de heidense Germanen zich vooral zouden hebben bekeerd omdat ze geïmponeerd werden door monniken die ongestraft door goddelijke bliksem godenbeelden en heilige eiken omhakten, is een nogal naïeve gedachte. Al zag de daarvoor gebruikte 'Hamer van Sint Maarten' er op de tentoonstelling wel indrukwekkend genoeg uit. De heiligenverhalen doen vaak anders vermoeden, maar ook de christelijke God was zuinig met zijn bliksems. Heidense Friezen konden in 754 bij Dokkum Willibrords opvolger Bonifatius ongestraft vermoorden. Het theologieboek waarmee Bonifatius zich tegen de heidense zwaardslagen probeerde te verweren is te zien op de tentoonstelling.

In die voor de moderne mens moeilijk te doorgronden primitieve tijden licht de erfenis van de Angelsaksische missionarissen op als een eenzame lantaarnpaal in een donker polderlandschap. Deze 'helderheid' is frappant op de Willibrord-tentoonstelling. Die begint met een Romeinse zandstenen plaat met een nog altijd onbegrepen inscriptie, een stukje bespijkerde sandaal, een dakpan van het Romeinse legerkamp in Utrecht en een schat van vijftig glimmende gouden Romeinse munten met daarop trotse keizerskoppen voorzien van fraaie onderkinnen. Van wie waren die munten? Waarom zijn ze bewaard? Alle antwoorden zijn giswerk. Er is ook een glazen kast met daarin een Frankisch kinderskelet, voorzien van glazen beker, werpbijl, mes en kam - gevonden onder het Utrechtse Pieterskerkhof. Wie was die jongen? Waarom een kam en een werpbijl? Niemand weet het.

Na de vaak verwarrende confrontatie met deze zwijgende gevonden voorwerpen is het bij de vitrines met de manuscripten alsof de kloof met het verloren verleden op slag en vanzelfsprekend overbrugd wordt. Zelfs Willibrord, die door de algemene opzet van de tentoonstelling verder nogal op de achtergrond blijft, verbreekt over de eeuwen heen de stilte. In het Martyrologium van Hieronymus uit Echternach staat een korte aantekening van de oude monnik uit het jaar 728, over zichzelf in de derde persoon. Het boek ligt opengeslagen op die pagina: 'In de naam des Heren kwam Clemens Willibrord in het zeshonderd negentigste jaar na de incarnatie van Christus over zee in het land van de Franken (...) Maar nu leeft hij gelukkig in de naam van God.' Je mag de letters helaas niet aanraken.