Archipel op drift

WIECHER HULST: Een vriend aan het Tobameer

302 blz., Nijgh & Van Ditmar 1995, ƒ39,90

Wiecher Hulst is een brutale reiziger door Indonesië, en daar is hij trots op. Hij aarzelt dan ook niet zichzelf tot voorbeeld te nemen: door de generaals toegang tot het land ontzegd wegens zijn kritische publikaties, op de zwarte lijst van verboden personen geplaatst, toch weer het eilandenrijk binnengeglipt, vervolgens er na twee maanden weer uit om in Singapore het visum te laten verlengen, aangehouden worden, smeergeld betalen, en opnieuw weer binnen in het door hem zo geliefde land.

Zo reist hij met gevoel voor ironie en een scherp inzicht in de ambtelijke Indonesische heisa al sinds 1972 door de archipel. Indonesië is voor hem als een grillige vrouw, die dan weer ongenaakbaar is en dan weer toegankelijk, geheel zoals het haar schikt. Dit is trouwens een van de weinige metaforen die Hulst gebruikt. Zijn taalgebruik is doorgaans sober. Dat neemt niet weg dat zijn onlangs verschenen reisboek Een vriend aan het Tobameer een journalistieke kracht heeft die het dicht naar de literatuur brengt.

Onderwerpen die van oudsher tot de Nederlands-Indische bellettrie horen, snijdt Hulst niet aan. Hij gaat niet gebukt onder nostalgie naar een verloren Indische kindertijd. Een Groninger is hij (Musselkanaal, 1937) die het huidige Indonesië wil leren kennen, een land dat beheerst wordt door reusachtige vooruitgangsprojecten en kapitalistische prestige enerzijds en bittere armoede, overbevolking, een voor velen ondraaglijk hard leven anderzijds.

Filippica

De vriend uit de titel is Messin, die woonde aan het Danau Toba, het heilige meer van de Bataks op Sumatra. Elk van de tien reizen die Hulst maakte naar Indonesië begon daar, in Messins uitdragerij, een soort winkel van Sinkel. Ze dronken er urenlang koffie terwijl Messin zijn visie op Indonesië ontvouwde. Het boek begint met een dramatisch, kort telefoongesprek vanuit de andere kant van de wereld: Messin is dood. “Bapak sudah meninggal dunia, om.” Ofwel: “Vader heeft de wereld reeds verlaten, oom.” Zonder hem is Indonesië voor Hulst een ander land geworden. Messin verpersoonlijkte het dilemma van het moderne Indonesië. Hij was een vrijheidsstrijder die vocht tegen de Nederlandse overheersing, maar later “bijna lijfelijk leed” onder het onrecht dat zijn volk in naam van dezelfde vrijheid werd aangedaan. Dag in dag uit zat hij onder het portret van zijn grote held Soekarno de kranten te verknippen onder het slaken van kreten als: “De klootzakken! Luister Hulst, wat zij nu weer doen!”

Over dat onrecht gaat Een vriend aan het Tobameer. Hulst analyseert de politieke situatie en de corruptie in het huidige Indonesië op aanstekelijke wijze; nooit wordt hij belerend of saai, altijd is er een ondertoon van door mededogen getemperd cynisme. Een enkele keer schiet hij uit zijn slof, zoals in de passage waarin hij een eerder verschenen vernietigende recensie van Jacob Vredenbregts De staatsgreep vervlecht met zijn verhaal. Dat is op onkiese wijze tweemaal je gelijk willen halen. Hulst schrijft: “De staatsgreep bleek één lange filippica te zijn tegen alles wat 'communistisch' of 'links' was. Maar 'linkse' of 'rode' Indonesiërs kwamen er niet in voor. (...) Ik vroeg me af wat Vredenbregt in 's hemelsnaam had bewogen om deze propagandistische flodder te produceren.” Zo eenzijdig als Hulst doet voorkomen, is het boek van Vredenbregt niet over de staatsgreep in 1965 toen Soeharto aan de macht kwam. Het verschil is dat Hulst zich identificeert met de talloze slachtoffers van destijds en dat Vredenbregt door zijn positie als hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Jakarta andere informatie verkreeg - of anders over de zaak dacht. In een ondoorzichtig land als Indonesië liggen die zaken dicht bij elkaar. Want wie haalt waar zijn kennis vandaan? Wie kan, zeker als blanke buitenlander, volledig èn onbevooroordeeld op de hoogte zijn? Dit zijn niet zomaar retorische vragen; zij vormen de crux voor iedereen die Indonesië wil begrijpen.

Hulst beschrijft een reeks ontmoetingen met mensen uit alle lagen van de samenleving, waarbij hij een duidelijke voorkeur heeft voor links geëngageerden. Hij neemt het op voor betjakrijders die in het kader van de Grote Vooruitgang, Soeharto's Nieuwe Orde, uit het straatbeeld dienen te verdwijnen. Hij bezoekt samen met Poncke Princen protestbijeenkomsten tegen de slachtpartijen door het leger op Oost-Timor in 1991. Hij noemt de Nederlandse soldaat die nu actief is binnen de Indonesische mensenrechtenorganisatie Infight zonder omhaal een held van elke 'vrijheidslievende Verzetsdaad': “Hij had een doel: er viel onrecht te bestrijden. Ineens begreep ik weer wat Poncke zijn hele leven moet hebben bewogen.” Een hoogtepunt in het boek vormt het gesprek dat Hulst voerde met de ex-politieke gevangene en schrijver Pramoedya Ananta Toer, wiens boeken door de Indonesische overheid zijn verboden. Die ziet in de Nederlandse overheersing de wortels voor veel spanningen in het huidige Indonesië, waarin geen ruimte is voor solidariteit, en slechts collectief wantrouwen, algehele lamlendigheid en individuele graaizucht heersen. Ananta Toer: “Indonesië is getraind in Hollandse bekrompenheid. (...) Als wij gekoloniseerd waren door de Amerikanen, dan had het er nu heel anders uitgezien (...) Het typerende van onze bureaucraten is dat ze niet produktief en niet creatief zijn.” Het is een boeiende kwestie: zouden de Indonesische politici, die telkens zinloos geweld aanwenden om maar iets te bereiken, effectiever zijn na een Amerikaanse overheersing? En zou het land democratischer zijn geweest? Volgens sommigen, zoals de schrijver Willem Walraven, is de betekenis van ons koloniale verleden gering, niet meer dan 'krassen op een rots'. Volgens Toer was dat echter voldoende om een maatschappelijke structuur achter te laten waarin de kiem lag voor de huidige stuurloosheid van Indonesië. Ook de politieke ongeloofwaardigheid van het land zou haar oorsprong vinden in de Nederlandse overheersing. Dat is een weinig florissante conclusie. Nederland zou dan verantwoordelijk zijn voor de bestuurlijke chaos van het land, waardoor een democratie nooit heeft kunnen ontstaan. Hoe chaotisch het land is en hoe slecht het gesteld is met het eerbiedigen van de mensenrechten, laat Wiecher Hulst op elke bladzijde van dit boek zien.