Zoektocht in Nederland naar verdwenen Van Gogh

ROTTERDAM, 15 DEC. Het Kulturhistorisches Museum in het Duitse Magdeburg begint een zoekactie naar een zelfportret van Vincent van Gogh (1853-1890) waarvan werd aangenomen dat het aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was verbrand. Het doek, De schilder op weg naar Tarascon, bevindt zich mogelijk in Nederland. Het museum gaatNederlanders aanschrijven, die na hun bevrijding in Duitsland toezicht hadden over de zoutmijnen waarin een deel van de museale collectie, waaronder de Van Gogh, was opgeslagen. Dat zegt dr. Matthias Puhle, directeur van het Kulturhistorisches museum.

Tot voor kort werd aangenomen dat bijna de gehele collectie in de oorlog verloren was gegaan. Recent echter doken twee kunstobjecten op in Amerika en in Rusland. Dat was reden voor het museum om de naspeuringen te hervatten. “Kort geleden is een van de drie handschriften die het museum bezat van Maarten Luther, ontdekt in Saint Louis in de Verenigde Staten”, zegt Puhle. Het handschrift Wieder Hans Worst, waarin de Franse koning Hendrik IV door de kerkhervormer de les wordt gelezen, is het tachtigste strijdschrift van Luther en dateert uit 1541. Het zou destijds door een inmiddels overleden kapelaan van het Amerikaanse leger zijn gekocht en naar de Verenigde Staten meegenomen. Hij heeft het in 1950 overgedragen aan een historisch instituut in Saint Louis met de opdracht het terug te geven aan Magdeburg 'wanneer deze stad niet langer onder controle van de Russen staat'.

Van Gogh maakte De schilder op weg naar Tarascon in 1888, toen hij in Arles woonde. Het 48 bij 44 centimeter metende doek stelt Van Gogh voor die beladen met schildersmateriaal door het verlaten, zonovergoten landschap van de Provence loopt. Geel en blauw zijn de overheersende kleuren. De voortstappende figuur werpt een donkere schaduw op het gele veld. Het schilderij, waarvan nog wel fotodocumentatie bestaat, inspireerde de Engelse schilder Francis Bacon in 1957 tot een serie studies.

De zoutmijnen waarin de Van Gogh was verborgen lagen bij Stassfurt, dertig kilometer ten zuiden van Magdeburg. Het oprukkende Amerikaanse leger had in april en mei 1945 het toezicht overgedragen aan ongeveer honderd bevrijde Nederlandse dwangarbeiders, onder leiding van een Nederlander, die Van Hoot zou heten. Volgens een Duits verslag uit die tijd was tussen 13 en 16 april 1945 sprake van plundering, vernieling en brandstichting in de mijnen. De gegevens van dat verslag komen overeen met informatie uit de National Archives in Washington. Volgens een van de rapporten zouden de kunstwerken in de eerste dagen van de bezetting onvoldoende zijn bewaakt. Dat schrijft dr. Tobias von Elsner van het museum in het pas verschenen Magdeburger Museumshefte over de verdwenen schilderijencollectie. Foto's die na de branden zijn gemaakt tonen de resten van antieke vazen en munten, maar niet van verbrande schilderijen of hun lijsten. Daarom bestaat twijfel over het lot van de schilderijen.

“De branden kunnen gesticht zijn om diefstal te verhullen”, aldus Puhle. “Het is mogelijk dat een van de ex-dwangarbeiders de Van Gogh heeft herkend en meegenomen, en dat het schilderij nu in Nederlands privébezit is. De namen van de Nederlanders bevinden zich in dossiers van de National Archives in Washington. We proberen hen op te sporen en een brief te schrijven in de hoop dat zij ons informatie kunnen geven.”

Het Magdeburgse museum is een van de kunstinstellingen in het voormalige Oost-Duitsland die na de val van de Muur zijn begonnen met een inventarisatie van in de oorlog verdwenen kunst. Het Kulturhistorisches Museum verloor bijna zijn gehele verzameling waaronder zo'n 400 schilderijen, 23.000 munten en 30.000 boeken. Het museum bezat veel Duitse, Italiaanse, Franse en Hollandse kunst. Onder de vermiste schilderijen zijn werken van Cézanne en Guardi en van Hollandse 17de-eeuwse schilders als Salomon van Ruysdael en David Teniers.

Behalve in de zoutmijnen had het Kulturhistorisches Museum, dat toen nog Kaiser Friedrich-Museum heette, de collectie ondergebracht in de kelders van een bankgebouw in Magdeburg. Dat deel is bijna zeker als oorlogsbuit meegenomen door het Sovjet-leger. Zo bleek het Poesjkin Museum in Moskou in het bezit van Drie Putti van de Duitse schilder Hans von Marées (1837-1887). Dat kwam in oktober aan het licht toen het uit Magdeburg afkomstige werk in het Poesjkin Museum werd geëxposeerd - met een bordje 'herkomst onbekend'. Het museum doet nu pogingen om het werk terug te krijgen.

Ook wordt de toenmalige directeur Walther Greischel, die in 1945 naar Zwitserland vluchtte, ervan verdacht kunstwerken te hebben meegenomen en in de handel te hebben gebracht. Een museum in Hannover heeft een middeleeuwse sculptuur teruggegeven die daar via Greischel was gekomen. Ook zou deze een schilderij hebben meegenomen waarop de kathedraal van Magdeburg staat afgebeeld en dat vorig jaar in de kunsthandel te koop werd aangeboden.

“Onze collectie is dus in verschillende richtingen gegaan”, zegt Puhle. “De Van Gogh kan ook naar Amerika of Rusland zijn verdwenen, maar Nederland is waarschijnlijker. Daarom gaan we daar zoeken. Eerst richten we ons nog op het handschrift van Luther, dat we in februari in St. Louis gaan ophalen. Daarna gaan we de actie in Nederland zorgvuldig voorbereiden.”

    • Gerda Telgenhof