Wat hebben de woorden mij gedaan? Subtiele notities van Leonard Nolens over dichten

Leonard Nolens: De vrek van Missenburg. Dagboek 1990-1993. Uitg. Querido. 208 blz. Prijs ƒ 37,50.

Vaak bevatten boeken één of meer korte fragmenten die in een notedop aangeven waarom het de schrijver waarschijnlijk te doen is geweest. Zinnen waarbij lezers een klein streepje in de kantlijn kunnen zetten, om aan te geven: kijk, hier staat het, dit is wat de schrijver wil zeggen met zijn werk.

De vrek van Missenburg van Leonard Nolens (1947) zou met zulke streepjes weinig geholpen zijn. Eén lange, doorlopende streep in de marge zou nòg niet voldoende zijn om aan te geven waar hij zich over zijn thema en zijn dieper liggende motieven uitlaat. In het derde deel uit zijn reeks dagboekaantekeningen staan zoveel fragmenten waarin de auteur op zoek gaat naar zijn beweegredenen, dat het hooguit zin zou hebben om aan te geven waar hij over iets anders schrijft.

Alles maar dan ook alles in het boek is gericht op het dichterschap, op het isolement dat daarvoor nodig is, en op de ontwikkeling van Nolens als schrijver en dichter. Honderden bladzijden lang cirkelen zijn opmerkingen om dezelfde essentiële vragen: wat hebben woorden met mij gedaan, hoe heb ik ze ingepast in mijn leven, en wat kan en wil ik, als ik denk en dicht, weer met die woorden doen?

Dat zou een eentonig boek kunnen opleveren. Maar Leonard Nolens, die de afgelopen twintig jaar een groot aantal dichtbundels publiceerde, is daarvoor waarschijnlijk te bedreven geworden in het in geconcentreerde vorm op papier zetten van zijn overwegingen en twijfels. Zonder van grondtoon te wisselen - Nolens is het hele boek door dezelfde ernstige dichter die zich afvraagt of hij wel aan zijn eigen strenge eisen kan voldoen - maakt hij in zijn monomane fragmenten optimaal gebruik van de klank en het ritme van zijn meningen en veronderstellingen. Daardoor lijkt het soms alsof je zijn gedichten leest, en soms is dat inderdaad ook zo. Op verschillende plaatsen worden zijn beschouwingen ongemerkt door gedichten afgewisseld.

Net als in zijn poëziebundels bouwt Nolens zijn steeds terugkerende vragen op met een subtiel gevoel voor dramatiek, hij varieert zijn adjectieven en laat woordcombinaties, als dat zo uitkomt, steeds weer terugkomen. Taal is voor Nolens, zoals hij ergens opmerkt, nog het meest te vergelijken met muziek. Er moet een klank en een vorm worden gezocht die bij de inhoud past, of het nu om gedichten gaat of om verspreide notities. Nolens vindt dan ook dat elk goed gedicht zowel op papier als 'in de lucht' zijn kracht moet kunnen bewijzen. Anders dan sommigen van zijn collega's die vinden dat je gedichten het best in stilte kunt lezen, roept hij de mond die voor de klanken zorgt uit tot het allereerste muziekinstrument: 'Uit dat eerste, oorspronkelijke, bloedrode gat van de mond is het eerste kunstwerk voortgekomen: het woord, het lied, het gedicht. Omdat het gedicht zijn klanken kan laten zingen en musiceren, schilderen en denken, dansen en beeldhouwen - een gedicht modelleert de lucht - is het de moeder van alle kunstvormen.'

Prachtig is het fragment waarin hij aangeeft wat volgens hem de grootste inbreuk op iemands privacy is. Dat is niet een beschrijving van zijn liefdeleven of het tonen van zijn lichaam: het is het afdraaien van zijn of haar stem op een antwoordapparaat waardoor je 'iedere nuance van de stemzetting, de ademhaling, de intonatie, de hoogte en de laagte kunt peilen, zodat de ander in al zijn naaktheid voor je staat.'

Een opvallend verschil met de vorige twee delen dagboek, Stukken van mensen (1991) en Blijvend vertrek (1993) is dat Nolens, tot zijn eigen verbazing, na 1990 eindelijk gelukkig begint te worden. Zijn werk krijgt erkenning, de monumentale verzamelbundel Hart tegen hart wordt gepubliceerd en hij valt voortdurend in de prijzen. Bovendien heeft een werkbeurs hem uit de grootste armoede en afhankelijkheid gehaald.

Maar Nolens zou Nolens niet zijn als hij ook dit geluk niet van vraagtekens voorzag. Hij vreest het verdwijnen van de 'honger' die hem tot zijn gedichten bracht en ziet door zijn bekendheid zijn identiteit in gevaar komen. 'Hoe ouder ik word, hoe groter mijn naam en hoe kleiner ikzelf, hoe eenzamer ook.' Hij heeft berekend dat hij nu één keer per jaar een interview geeft en beseft dat dit eigenlijk al te veel is. Een kunstenaar die naam krijgt, zo zegt hij met zijn voorliefde voor paradoxen, dreigt alleen al daardoor naamloos te worden: 'al zijn toekomstige energie zal erin bestaan, de broosheid van zijn oorspronkelijke en authentieke naamloosheid - dus van zijn echte naam te bewaren of te heroveren.'

Het is dan ook niet verbazend dat Nolens' zelf gekozen solipsisme zich in dit derde deel, ondanks zijn succes en zijn geluk, doorzet. Hij blijft er voor kiezen om dichter te zijn, en niets anders. En hij aanvaardt nog meer dan voorheen de uiterste consequenties daarvan. Schreef hij aanvankelijk nog temidden van vrienden en onder invloed van drank, nicotine en drugs, in De vrek van Missenburg heeft hij daarmee voorgoed gebroken. Hij is volledig met drinken gestopt en verdeelt zijn tijd voortaan tussen het huis van zijn vrouw in de stad en een afgelegen boshut op het landgoed Missenburg, even buiten Antwerpen. Daar brengt hij zijn lange dagen in alle eenzaamheid door, met het nadenken over de woorden die hij gebruikt en daarmee over zichzelf, en met schrijven. De eenzaamheid laat hij de ontremmende en stimulerende functie van de drank overnemen.

Wat nog steeds treft, is Nolens' bewonderenswaardige bescheidenheid en oprechtheid. Hoeveel hij ook over zichzelf schrijft, zijn teksten krijgen nergens iets ijdels of arrogants. Hij is 'trots' op zijn inzet, zoals hij zegt, maar hij blijft zich van zijn beperkingen bewust. Het komt niet in hem op de lezer met zijn belezenheid of zijn inzicht te overdonderen. 'Mijn enige grootheid zal erin bestaan mijn nietigheid te hebben getoond,' schrijft hij, en: 'Ik heb een talent voor het blote, het allene, het botte'. Wanneer hij heeft berekend in twintig jaar tijd duizend bladzijden te hebben geschreven is zijn conclusie: 'Ik heb slechts één bladzijde per week iets te vertellen'.

Nolens huldigt het standpunt dat alleen woorden hem, samen met zijn vroegere levenservaringen, hebben gemaakt tot wie hij is. Hij wil daarom in alle rust door middel van woorden 'het huis van de traditie' binnengaan, zoals hij zegt, en daar 'zijn eigen kamer inrichten' met reeds aanwezige elementen. Daarna wil hij met diezelfde woorden iets nieuws maken waar anderen op voort kunnen bouwen.

Als Nolens zo zuiver en oprecht blijft schrijven als hij in De vrek van Missenburg heeft gedaan, hoeft hij aan dat laatste effect wat mij betreft niet te twijfelen.

UIT: LEONARD NOLENS, DE VREK VAN MISSENBURG

Dat is wat een dichter in zijn geschreven woorden wil vasthouden. Hij wil de dode letter haar oorspronkelijke muziek teruggeven. Hij wil de zwarte tekens telkens opnieuw laten dansen en denken, zingen en schreeuwen, schilderen en beeldhouwen. Daarom is, na het noodzakelijke kwaad en het hoge goed van het geschreven woord, een gedicht pas geslaagd als het èn op papier èn bloot in de lucht zijn kracht kan bewijzen. De dichter zet het oerspektakel van de mond op papier.