Twee vrouwen

Het Amerikaanse Perspectief. Stedelijk Museum, Amsterdam. T/m 27 jan. Dag. 11-17u.

Op de tentoonstelling Amerikaanse perspectieven in het Stedelijk Museum in Amsterdam, een keuze van Rudi Fuchs uit de collectie van het Whitney Museum in New York gecombineerd met wat werken van het Stedelijk zelf, is werk van maar twee vrouwelijke kunstenaars te zien. De een is gestorven en de ander stokoud: Georgia O'Keeffe (1887-1986) en Agnes Martin (1912). Dat is opmerkelijk nu zoveel vrouwelijke kunstenaars in het kunstcircuit succes hebben. Ze zijn zelfs doorgedrongen in de vesting die het Stedelijk altijd was: aan de tentoonstelling Wild Walls namen onlangs evenveel vrouwen als mannen deel.

Dat het er nu maar twee zijn komt doordat de collecties grotendeels bepaald zijn door de geschiedenis van de schilderkunst. Als we daarop afgaan kunnen maar heel weinig vrouwen goed schilderen. Hoe dat precies zit brengt het Stedelijk onbedoeld naar voren met de keuze voor O'Keeffe en Martin. De waardering voor hun oeuvre weerspiegelt de strijd die in de kunstgeschiedenis nog steeds wordt gevoerd, een strijd die vooral een strijd tussen de seksen is.

De geschiedenis van Georgia O'Keeffe is er volledig door getekend. Dat haar werk al vroeg een goed onthaal vond, werd door velen op het conto geschreven van haar echtgenoot, de bekende fotograaf Alfred Stieglitz. Alsof ze het in haar eentje niet gerooid zou hebben. Maar misschien is dat ook wel zo, niet omdat ze geen goede schilder is, maar omdat naar kunst van vrouwen met een speciaal oog werd gekeken. Een voorbeeld daarvan is een artikel van de schilder Marsden Hartley, van wie nu een werk, omdat de ironie ook wat wil, naast een schilderij van O'Keeffe in het Stedelijk hangt. Hartley's artikel schokte O'Keeffe omdat hij haar werk volledig in Freudiaanse termen had geduid en voortdurend over 'vrouwelijke uitdrukkingsvormen' had gesproken. Dat was in 1920, maar ook nu denken velen nog dat vrouwen intuïtief levende wezens zijn die gedomineerd worden door hun gevoelens en door hun biologische rol. Ze vormen de tegenpool van mannen, die als enigen in staat zouden zijn om rationeel en abstract te denken en aan wie daarmee het recht toevalt om over de wereld te heersen.

O'Keeffe zag in Hartley's kritiek een ideologie van de seksen die vrouwen een minderwaardige rol in het sociale systeem en in de kunsten toebedeelde. En hij was lang niet de enige. O'Keeffe dreigde in de jaren daarna zelfs met schilderen op te houden als men niet ophield haar werk als typisch vrouwelijke erotiek te interpreteren. 'Ze zeggen steeds dat ik de beste vrouwelijke schilder ben', klaagde ze, 'maar ik ben gewoon de beste schilder'.

In de jaren zeventig was het de vrouwenbeweging die de vrouwelijkheid van O'Keeffe werk prees. Deze keer werd er seksuele trots uit afgeleid en een diepgaande verbondenheid met de natuur die typerend voor vrouwen zou zijn. Ook dat vond O'Keeffe een veel te benauwde interpretatie van haar werk. Haar gelijk wordt in mijn ogen bevestigd door wat Agnes Martin is overkomen, een schilder die door feministen als O'Keeffe's tegendeel werd gezien.

Martin schildert abstracte doeken die uitgaan van een raster dat is onderverdeeld in ontelbare kleine rechthoeken. Het schitterende schilderij Untitled nr. 8 (1981) dat nu in het Stedelijk hangt, is kenmerkend voor de ongelofelijke concentratie waarmee ze haar fijne lijnen trekt en haar ijle kleuren opbouwt. Het licht verglijdt erover in de subtielste schakeringen. Voor Martin zelf, die al vele jaren als een kluizenaar in de woestijn van New Mexico woont, zijn het mantra's, beelden voor meditatie en contemplatie. Voor de kunstwereld zijn het vanaf de jaren zeventig Minimal kunstwerken geweest, abstracte kunst waarbij de emotie en signatuur van de kunstenaar geen rol spelen. De schilderijen van Martin hebben daarmee niets wat als 'typisch vrouwelijk' gekwalificeerd zou kunnen worden en Martin is probleemloos als een van de zeer weinige vrouwen op een lijn bracht met kunstenaars als Judd en Andre.

Voor de feministen in de jaren zeventig was dat een reden om Martin 'aanpassing aan de dominante taal van de formele abstractie' te verwijten, ofwel heulen met de vijand. Die smet blijkt Martin nog steeds aan te kleven. Weer, maar nu gedragen door de vrouwelijke kunstenaars zelf, staat het vrouwelijke in de kunst voor gevoel en intuïtie. Wel blijkt dat de vorm waarin dat gebeurt aan bepaalde restricties is gebonden. Zo lang het maar over het lichaam of de persoonlijke geschiedenis gaat, of direct uitdrukking geeft aan emoties, is alles zoals het hoort. Maar een kunstenaar als Martin, die heel andere wegen bewandelt om gevoel en intuïtie te verbeelden, wordt als niet voldoende vrouwelijk terzijde geschoven. Haar naam wordt in tal van boeken over kunst van vrouwen, waaronder Women, art and society van Whitney Chadwick, vaak terloops of misprijzend genoemd. Waarmee voor de zoveelste maal in de geschiedenis van de schilderkunst een geweldige vrouwelijke schilder het slachtoffer is van de strijd der seksen.