Rentestap belooft tijdperk lage inflatie

AMSTERDAM, 15 DEC. Sinds gisteren staat de voorschotrente, het belangrijkste rentetarief van de Nederlandsche Bank, op het laagste peil sinds de crisisjaren dertig. Vrijwel overal in Noord-West Europa volgden centrale banken gisterenmiddag het voorbeeld van de Duitse Bundesbank, die het disconto met een half procent terugbracht op 3 procent - het laagste niveau sinds 1988.

De schaduwzijde van de renteverlagingen is dat ze wijzen op een dieper dan verwachte dip in de conjunctuur. Zowel in Duitsland als in Frankrijk is de economie in het derde kwartaal van dit jaar niet of nauwelijks gegroeid, wordt al rekening gehouden met een krimp in het lopende kwartaal en zijn de prognoses voor economische groei in 1996 bijgesteld tot onder de 2 procent. Het Centraal Planbureau verwacht overigens dat Nederland relatief weinig last zal hebben van de flauwte bij de ooster- en zuiderburen, en de Nederlandse economie volgend jaar met 2,5 procent groeit.

De huidige ronde van renteverlagingen heeft ook een positieve kant. Steeds meer tekenen wijzen er op dat de industriewereld langzamerhand afstevent op een tijdperk van lage, stabiele inflatie en daarmee afrekent met de erfenis van de jaren zeventig.

In de Europese Unie bedroeg de inflatie in de jaren 1961-1971 gemiddeld 4,1 procent. Tijdens de periode van olieschokken in 1972-1985 liep het gemiddelde op tot 10,1 procent, om weer naar een lager peil te gaan in 1986-1994, met 4,3 procent. De laatste gegevens wijzen op een inflatie van rond 3 procent in 1995. Voor Nederland bedraagt het jongste cijfer 1,5 procent, voor Duitsland 1,8 procent.

In een recente studie signaleert de Amerikaanse effectenbank Salomon Brothers dat de 'nieuwe beleidsconsensus' die halverwege de jaren tachtig post vatte, onverminderd doorzet. Het streven naar prijsstabiliteit heeft bij het monetaire beleid zijn primaat herwonnen, dat in de jaren zeventig verloren ging. Het experiment met een Keynesiaans stimuleringsbeleid wordt algemeen als mislukt beschouwd, en er is een consensus over het beteugelen van overheidsuitgaven. Deregulering en liberalisering zorgen bovendien voor een efficiënter economisch proces en doorzichtiger prijsvorming. Besparingen worden, door het wegvallen van een deel van het sociale vangnet en de komende vergrijzing van de bevolking, aangemoedigd en mogen door een inflatoir beleid niet worden uitgehold.

Aan weerszijden van de Atlantische Oceaan vindt op dit moment een discussie plaats over het streven naar een gebalanceerde overheidsbegroting. Juist vandaag strijden de Amerikaanse president Clinton en het Huis van Afgevaardigden in een nieuwe ronde over de condities waaronder het streven naar een 'balanced budget' in het jaar 2002 kan worden gerealiseerd. Op de zelfde dag zetten de Europese landen een volgende stap naar de Europese muntunie, die een strak en anti-inflatoir uitgavenbeleid noodzaakt. En er ligt een voorstel van de Duitse minister van financiën Theo Waigel om de overheidstekorten van de muntunie-landen in de volgende eeuw zelfs terug te brengen tot 1 procent van het bruto binnenlands produkt.

De 'nieuwe beleidsconsensus' wijst in theorie op een structureel lagere inflatie. Op de financiële markten wordt daar ook rekening mee gehouden: de kapitaalmarktrente in Nederland, uitgedrukt in het rendement op de jongste tienjarige staatslening, is op dit moment al relatief laag op 6,04 procent. Obligatiebeleggers zijn zeer gevoelig voor inflatievooruitzichten, omdat inflatie de waarde van hun beleggingen uitholt. Uit een dalende kapitaalmarktrente kan worden afgelezen dat inflatie niet als probleem wordt gezien.

Maar obligatiekoersen zijn natuurlijk ook het resultaat van de verhouding tussen vraag en aanbod. De vraag naar kapitaal, zo verwacht ING Bank, wordt relatief minder omdat overheden streven naar kleinere tekorten en dus een minder groot beroep zullen willen doen op de kapitaalmarkt, de investeringen minder snel groeien en in veel opkomende ontwikkelingslanden de besparingen fors groeien, waardoor hun beroep op buitenlands kapitaal afneemt. ING verwacht volgend jaar een verdere daling van de kapitaalmarktrente naar 5,5 procent en denkt dat dit niveau vervolgens lang kan worden vastgehouden.

Bevindt de industriewereld zich daadwerkelijk in een tijdperk van structureel lage inflatie? Dat er een 'beleidsconsensus' van begrotingsdiscipline en prijsstabiliteit bestaat, wil nog niet zeggen dat die op de lange termijn ook bewaarheid wordt. Ondanks de lage kapitaalmarktrente is het verschil tussen deze rente en de inflatie, de reële rente, bijvoorbeeld in Nederland nog zo'n 3,5 procent. Dat betekent dat beleggers er nog niet helemaal in geloven, en nog steeds een hoge premie vragen voor het risico dat de inflatie straks weer opleeft en de waarde van hun bezit uitholt.

Bovendien bevindt de Europese economie zich op dit moment in een periode van windstilte in de conjunctuur, waarin de prijsdruk sowieso afneemt. Wat de grondstoffenprijzen, en dan vooral die van olie en gas, gaan doen weet niemand, en juist deze prijzen werken sterk door in de inflatie. En op de langere termijn zullen door de vergrijzing de overheidsuitgaven fors gaan stijgen - tenzij er nu al drastische hervormingen van bijvoorbeeld het pensioensysteem worden doorgevoerd. Een maand van stakingen in Frankrijk laat zien dat het tegelijkertijd streven naar prijsstabiliteit en overheidsbezuinigingen niet zonder pijn gaat. Een rentedaling is in dit opzicht weinig meer dan een amuse bouche. Het hoofdgerecht, de terugkeer naar een stabiele, hoge economische groei zoals in de jaren zestig, laat in Europa nog op zich wachten.