Portnoy's Portnoy; 25 jaar Portnoy's Complaint

In zijn roman Portnoy's Complaint (1969), over de obsessies van de joodse Amerikaan Alexander Portnoy, keek Philip Roth voor het eerst hoever hij kon gaan in het vermengen van fictie en werkelijkheid en in het provoceren van vrouwen en joden. De publikatie van Roths nieuwste roman, Sabbath's theater, zojuist bekroond met de Nationale Book Award, was voor Arnon Grunberg aanleiding op bezoek te gaan bij Portnoy (62), onder een andere naam opnieuw de hoofdpersoon. “Roth heeft mij geplunderd. Sinds Portnoy's Complaint haat ik schrijvers.”

Deze tekst is een getrouwe weergave van een zes uur durend gesprek dat ik op donderdag 23 november met Portnoy in zijn appartement heb gevoerd. Gezien het belang dat ik aan deze verklaring toeken heb ik alleen de meest storende herhalingen en uitwijdingen weggelaten. Hoewel Portnoy erop stond dat ik zijn adres en telefoonnummer bekend zou maken heb ik dat na ampele overwegingen besloten niet te doen.

Ik ben Portnoy. Dé Alexander Portnoy over wie u zoveel gelezen en gehoord heeft. De Portnoy die door zijn moeder bedreigd werd met een mes toen hij niet wilde eten, de Portnoy wiens vader constipatieproblemen had, de Portnoy die sudderlapjes gebruikte als hulpmiddelen bij het masturberen.

Ik heb een pik, twee oren en een mond en als je op me schiet ga ik dood. Dat kun je van een romanpersonage niet zeggen. Ik ben dus geen romanpersonage. Ik leef. AG (spreek uit: EeDzjie) heeft gezegd: “Wil je altijd Philip Roths Portnoy blijven, wil je altijd je moeders Portnoy blijven, wil je altijd de Portnoy blijven van een recensent van de New York Times, wil je altijd Hitlers Portnoy blijven? Spreek.”

Goed dan, ik spreek. Dit is Portnoys Portnoy. Ik ben 62 en woon in de flat precies onder die van mijn moeder. Ze is al acht jaar haar bed niet uit geweest, maar als ik naar de tandarts ga, belt ze hem op en zegt: “Geeft u hem wel een fluoridebehandeling dokter.” Wat er na haar dood zal gebeuren heeft Woody Allen in New York Stories laten zien. Ze zal als een grote wolk boven New York zweven en vanuit die wolk zal ze, ten overstaan van heel New York, mijn tandarts toespreken: “Geeft u hem wel een fluoridebehandeling dokter.”

Toen meer dan 25 jaar geleden dat boek uitkwam herkende onmiddellijk de hele buurt mij in het boek. Mijn collega's herkenden me in het boek, de dames van de supermarkt herkenden me in het boek, mijn psychiater herkende me in het boek. Ook mijn ouders herkenden mij in het boek. Halverwege riep mijn moeder: “Hoe heeft die Roth dat kunnen doen, zijn eigen neef, de zelfhater, de bloedzuiger, het stuk ongedierte, dit mag niet in handen vallen van mijn kleinkinderen, God bewaar me.” Toen probeerde ze het boek door de wc te trekken en heeft daarbij een overstroming veroorzaakt.

Altijd als ze Arafat op televisie zag riep ze: “Daar heb je het billemaatje van Philip Roth.” En ze spoog op de grond. En als Philip Roth op televisie kwam riep ze: “Daar heb je 't billemaatje van Arafat.” En spoog ook op de grond. Er is nooit enig bewijs voor geleverd dat Philip Roth en Arafat billemaatjes waren, maar zij was niet van het idee af te brengen.

Sinds het boek haat ik schrijvers. Ik haat schrijvers zoals andere mensen joden. Zonder goeie reden en met een vuur dat groter is dan ikzelf. Schrijvers hebben een pik en wat doen ze ermee? Ze gebruiken hem om te schrijven. Ze hebben oren en die gebruiken ze om te schrijven. Ze hebben een mond en die gebruiken ze ook al om te schrijven. Ze gebruiken alles om te schrijven. Mijn psychiater heeft gezegd dat ik niet de tweede Einstein ben, zoals mijn moeder altijd beweert. En mijn collega's zeggen dat ik het wormvormig aanhangsel ben van mijn moeder. Maar ik zeg jullie, Portnoy is niet gek. Een pik heb je niet gekregen om tussen twee sudderlapjes heen en weer te bewegen. En oren zijn er niet om andermans verhalen mee af te luisteren. En een mond die is er om een worstje mee te eten of een kutje mee te likken. Niet om anderen mee uit te horen. Meneer Roth schrijft: 'Tegelijkertijd gebruikte hij zijn leven, voor zover hij het 'gebruikte', alsof het aan iemand anders toebehoorde en plunderde hij zijn levensverhaal en zijn verbale geheugen als een ontaarde dief.'

Hij heeft mij geplunderd. Schrijvers zijn vernietigingsmachines, net Nazi's. Wat schrijft meneer Roth in het nawoord op de vijfentwintigste verjaardag van Portnoy's Klacht? 'Attack! Attack!'

Is dat niet zielig? De buurman vindt het zielig dat ik sudderlapjes neuk. Om je te bescheuren.

Over Einstein gesproken. Een man met kakproblemen net als mijn vader. Een man die zo wanhopig werd van zijn kakprobleem dat hij in zijn eigen drollen merkwaardige formules begon te zien. Een komiek op het niveau van Groucho Marx.

Ik lees alles van meneer Roth. Natuurlijk om te kijken of ik er weer in voorkom. In zijn laatste boeken gebeuren er gekke dingen met identiteit. Er komen twee meneer Roths voor in een boek, er komt een meneer Zuckerman in voor die op meneer Roth lijkt, er komt Anne Frank in voor die opeens in Amerika blijkt te wonen. Er zijn hier ingewikkelde verklaringen voor gegeven, maar Portnoy zegt: Het gaat allemaal over het verlangen iemand anders te zijn. Die schrijvers met hun vermommingen, hun duizenden ikken, en hun werkelijkheid die alleen maar werkelijkheid is als er twee kartonnetjes omheen zitten en hun naam op de kaft staat.

Ik heb ook altijd iemand anders willen zijn. Ik heb Marilyn Monroe willen zijn. Kijk, als je Marilyn Monroe heet en je gaat vroeg dood. Dat is niet zo erg. Maar als je Portnoy heet en je gaat vroeg dood. Nou, dan ben je mooi beetgenomen. En ik wil nog niet dood. Ik wil nog even op jullie schone lakens poepen.

Vrouwen en joden. Altijd maar weer vrouwen en joden bij meneer Roth. Hij kotst ervan, maar hij kan er toch niet genoeg van krijgen. Ken ik. Hij wil weten wie een jood is en wie een vrouw is. Ik ben geen vrouw. Ik ben wel een jood. Zeggen de anderen. Een jood is iemand van wie anderen denken dat hij iets meer mens is dan de mensen. Maar hij is niet meer mens. En de mensen zijn ook niet zoveel mens als ze denken. Daarom moet er ontheiligd worden. Dat doet meneer Roth. De joden, de vrouwen, de mensen, ontheiligen die hap. Ze zijn iets te veel van zichzelf gaan houden, ze zijn zichzelf iets te mooi gaan vinden, ze zijn gaan denken dat ze beschaafd waren, ze hebben zichzelf geësthetiseerd. Met catastrofale gevolgen. Meneer Roth schrijft: 'Afgetuigd worden bijna tot de dood erop volgde, was evenzeer hun specialiteit als zelf aftuigen. Het punt was dat pijn en lijden hen nog geen half uur afhielden van hun doel - leven. Doordat het hen ontbrak aan iedere nuance of twijfel, doordat het hen ontbrak aan het gevoel van zinloosheid dat je als normale sterveling had, kwam je soms in de verleiding om ze te beschouwen als onmenselijk, en toch waren het mannen over wie onmogelijk kon worden gezegd dat ze iets anders waren dan menselijk: zij waren wat menselijk eigenlijk inhoudt.'

Niet een soldaat moet ontheiligen. Niet een politicus. Niet een leraar, maar een schrijver moet ontheiligen. Maar waarom ik meneer Roth? Waarom Portnoy?

Mijn moeder heeft me voor mijn verjaardag de Duivelsverzen van meneer Rushdie gegeven met de woorden: “Hier eindelijk een moslim die tegen Arafat is.”Die hele Arafat kwam niet in het boek voor en ik kwam er niet doorheen. Mijn leraar zei vroeger altijd tegen me: “KISS Portnoy.” Dat betekende Keep It Simple Stupid. Kijk, de thora begrijp ik ook niet. Maar al duizenden jaren zijn duizenden rabbijnen elke dag bezig die thora te verklaren. Voor elke onleesbare schrijver zijn er geen duizenden rabbijnen voorhanden. Dat moet iemand ze maar eens vertellen. Ik geloof in God. Ik geloof dat God net als ik op The Elephantman lijkt. En dat God de mens heeft geschapen uit wraak op zijn eigen monsterlijkheid en uit eenzaamheid. Zo kwamen de zelfhaat en de wraak in de wereld. Maar op een dag zagen de mensen niet meer dat ze het lachertje waren van de Schepping en ze begonnen zichzelf mooi en goed te vinden. Zo kwamen de oorlog en de schoonheid in de wereld.

Ik zou het op de hoek van de 42ste straat en de 5de avenue willen uitroepen: “Wij zijn de risee van de Schepping. Op andere plaatsen lachen ze om ons, zoals jullie om Portnoy hebben gelachen.”De Duitsers zeiden: “Een goeie jood is een dode.” Ik zeg: “Een goed mens is een kapotte.” Alle goeie mensen die ik ken zijn kapot.

In de latere boeken van meneer Roth komen veel mannen voor die bang zijn impotent te worden. Ik ben niet bang voor impotentie. Vrouwen maken je nerveus. Nervositeit veroorzaakt impotentie en haaruitval. Sudderlapjes maken je niet nerveus. Ik noem het geen sudderlapjes, ik noem ze 'mijn glijslaafjes'. Ik haal ze bij Dean & DeLuca en thuis ga ik er eerst met mijn ouwemannenbillen op zitten, want mijn pik kan niet meer zo goed tegen koud. Net als mijn tandvlees.

Vrouwen bewegen op de vreemdste momenten. Daar werd ik nerveus van. Mijn glijslaafjes bewegen alleen als ik wil dat ze bewegen. Het is het mooiste moment van de dag.

Ontheiligen is vernietigen. Dus schrijven is vernietigen. Wie bang is om te vernietigen moet maar tandarts worden. Meneer Roth is niet bang. Hij heeft mijn familie vernietigd. Het werd tijd.

Weet je waarom ze daar vrede hebben gesloten in Israel? De opperrabbijn van Israel en Arafat waren verliefd op elkaar. En iedere zaterdagavond vloog de opperrabbijn naar Tunis om in het holletje van Arafat te kruipen. Maar op een nacht zei Arafat: “Laten we vrede sluiten, dan kan je elke nacht jouw besneden pik in mijn arabierenholletje steken.” Aan niets dat goed is ligt iets edels of iets moois ten grondslag, maar iets banaals, en dat banale is mooi.

Ik haat boeken. Maar het meeste haat ik de boeken waarin mensen op zoek zijn naar hun identiteit of het verdwenen parkietje van de buurvrouw, of met andere verheven dingen in de weer zijn. Dat zijn net zulke leugens als dat de jood meer mens zou zijn dan de andere mensen. Of dat neuken met liefde te maken zou hebben. Liefde heeft net zoveel met neuken te maken als met in je neus peuteren.

De wereld gaat kapot aan dat soort zogenaamde edelheid en beschaving, dat soort eigenliefde, dat soort gebrek aan zelfhaat, dat wat voor schoonheid doorgaat. Niemand zegt: Ik ben Portnoy en het mooiste en belangrijkste voor mij op deze wereld is om mijn pik tussen twee sudderlapjes te leggen die ik 'mijn glijslaafjes' noem. Philip Roth heeft het gezegd namens mij. En nu zeg ik het namens mij.

Ik heb een idee voor de wereldvrede. Ik zou het Portnoys wereldvrede willen noemen. Niet de vrede van een impotente grijsaard als meneer Bush, of een gedegeneerde call-boy als meneer Clinton. Nee, Portnoys vrede. Er zijn geen verenigde naties voor nodig, geen vredestroepen, geen hoogdravende toespraken, geen vlagvertoon, geen grote woorden. Er moet meer gemasturbeerd worden. Dat is alles. Een soldaat die masturbeert kan niet schieten. Een politicus die masturbeert kan geen geld stelen. Een vader die net als ik in grote afzondering masturbeert kan zijn kind niet mishandelen. Een terrorist die masturbeert kan de stem van God niet horen die zegt dat hij moet doden. Een schrijver die masturbeert kan niet liegen.

De rabbijnen zeggen dat de Messias komt als alle joden de sabbat zullen houden. Maar ik zeg jullie, de Messias komt als alle joden over de hele wereld tegelijkertijd zullen masturberen. Daarom heb ik een beweging opgericht, de beweging van masturberende joden. Mijn moeder weet er nog niets van. Maar het hoofdkwartier is hier in mijn kleine appartement in New Yersey, precies onder dat van mijn moeder. Niet de staat Israel is de oplossing van het joodse probleem, niet assimilatie, en het helpt ook niet de hele dag tot God te bidden. Alleen masturbatie helpt.

Daarom wil ik jullie vragen, en ik zeg dit terwijl ik mijn twee glijslaafjes aan het opwarmen ben, om op zondag 17 december, het begin van het feest van de lichtjes, om op zondag 17 december om 12 uur New Yorkse tijd allemaal te masturberen. Waar je ook bent. Doet er niet toe. Of je er zin in hebt. Doet er ook niet toe. We moeten de Klaagmuur onder een zee van geil en sperma bedelven. Anders komt de Messias nooit.

Ik zeg het niet alleen tegen de joden. Ik zeg het tegen iedereen. Politici, houd op zondag 17 december om 12 uur op politicus te zijn, masturbeer. Priesters en rabbijnen, masturbeer. Winkelmeisjes, leraren en scholieren, masturbeer. Artsen, apothekers en veiligheidsbeambten, masturbeer. Met of zonder hulpmiddelen. Als het maar geen hulpmiddelen zijn die leven, want dan is het geen masturbatie meer. U bent niet alleen. Portnoy is bij u, vanuit het hoofdkwartier voor masturberende joden, zal ik u toespreken. Horen jullie me? Horen jullie Portnoy? Portnoy hoort bij jullie.

En nu AG (spreek uit: EeDzjie) wil ik je pijpen. Steek die pik van je in mijn mond. Ik leef. Ja, ik leef, Portnoy leeft. En is niet belachelijker dan die clown van een Einstein met zijn kakproblemen. Meneer Roth heeft gezegd: “Wij zijn allemaal elkaars auteur.” Kom AG, kom, mijn ghostwriter, mijn kameraad, mijn vertrouweling, mijn vriend, mijn andere masturberende jood, kom

Aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaahhh!

En nu wil ik eindelijk anaal.