Met Bob Dylan op een terras

Pim Hofstra: De Leeghwaters. Een vertelling. Uitg. De Arbeiderspers, 94 blz. ƒ 22,50

'Zoals hoog in de lucht de zwaluw trekt naar zachte streken, zo is heel mijn leven een trekken naar dit boek geweest,' zegt de hoofdpersoon in het prozadebuut van de dichter Pim Hofstra. De suggestie die van deze zin uitgaat, is duidelijk: de novelle De Leeghwaters moet worden beschouwd als een uit innerlijke noodzaak geschreven levenswerk.

De novelle is een raamvertelling, waarin Arend en Richard Leeghwater, oom en oudere neef van ik-figuur Somerland, de belangrijkste personen zijn. De verteller behandelt op symbolische wijze de relatie fictie-werkelijkheid. Zijn oom, alhoewel een kunsthistoricus die van fictie leeft, vertegenwoordigt de realiteit, de neef is meer een romanpersonage. Hij figureert in het verhaal dat Somerland aan zijn oom voorleest en dat deze - als het ware om de lezer een handje te helpen - analyseert.

Er gebeuren wel dingen met de beide Leeghwarters en ook Somerland onderneemt soms iets, maar toch niet zodanig dat hun wederwaardigheden een verhaal opleveren. Aan de hand van een doek van Mondriaan dat de hoofdpersoon naar New York smokkelt, worden gesprekken gevoerd over het wezen van de moderne kunst. Een kind dat een verboden appel eet, herkent zich later in De aanbidding van het Lam Gods en met een onuitgesproken verwijzing naar Van Eedens Van de koele meren des doods eindigt de geliefde van Leeghwater jr. als gelouterde bedelares.

Tenslotte komen veel draden samen op het terras waar Richard Leeghwater en Somerland napraten over een concert van Bob Dylan. De neef vertegenwoordigt nu de platte realiteit, die van de journalist die in korte krantezinnetjes het optreden van het Amerikaanse genie afkraakt als 'grillig en bijzonder onprofessioneel'. De dichterlijk ingestelde ik-figuur antwoordt: 'Het was geen grilligheid, het was de goddelijke geestdrift die hem daartoe dreef.'

Bob Dylan is zowel voor de schrijver als voor de hoofdpersoon van het boek een belangrijke inspiratiebron. Twee hoofdstukken hebben een dichtregel van de zanger als motto en in het verhaal zelf komt hij voortdurend om de hoek kijken. Dat levert een vreemd contrast op. Dylan roept associaties op met de jaren zestig en zeventig, terwijl de sfeer van De Leeghwaters die van een halve eeuw eerder is. Hofstra gebruikt bewust archaïsche taal. Zijn stijl doet denken aan die van Arthur van Schendel, een van de grootste epische auteurs van zijn tijd. De overeenkomsten tussen beide schrijvers zijn treffend: dezelfde licht persoonlijke toets, dezelfde subtiele zwenkingen in het ritme van de zinnen en een even zorgvuldige vormbeheersing.