In Parijs zegt de politie U; Franse films verbeelden het gedeukte leven in de banlieues

Frankrijk is in crisis en die crisis duurt volgens de bewoners van de 'banlieues', de betonnen voorsteden, al veel langer dan de huidige stakingsgolf . Een nieuwe generatie Franse cineasten van onder de 35 filmt het leven van landgenoten wier ouders in Noord-Afrika zijn geboren. Hun films over de banlieue zijn genuanceerder dan het harde La Haine van Mathieu Kassovitz, dat gisteren in Nederland in première ging. “Ik zeg niet dat alles hier goed gaat. Ik zeg: het zijn menselijke wezens,” zegt Malik Chibane.

La Haine is nu te zien in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Breda, Eindhoven, Utrecht en Nijmegen. Bye Bye en Douce France worden begin volgend jaar vertoond op het Film Festival Rotterdam. Bye bye zal daarna waarschijnlijk in de bioscoop te zien zijn.

Hij had zijn haar als kastanjekleurig omschreven en dat klopt. In een flits denk ik: dat kan hem toch niet zijn. De cineast die de film Bye, Bye over het immigrantenleven in Marseille heeft gemaakt heet Karim Dridi. De meeste mensen in Franse cafés zien er uit of zij aan de Middellandse Zee geboren konden zijn, maar de man die nu opstaat lijkt eerder thuis in de Achterhoek dan in Noord-Afrika. Stereotypen zijn verraderlijk en ook daarom gênant.

Dridi's vader is Tunesisch, zijn moeder Frans. Opnieuw een contra cliché: zij vormden geen gastarbeidersgezin. Zijn vader heeft in Frankrijk de militaire academie St Cyr doorlopen en jaren aan de universiteit gewerkt voor hij terugging naar Tunesië. Zijn moeder is radioloog. Karim heeft het grootste deel van zijn leven in Frankrijk gewoond maar is veel in Tunesïe. Hij heeft twee paspoorten en voelt zich 'hybride' (métisse), Frans èn Tunesisch.

Métisse is toevallig ook de titel van de eerste film van de jonge cineast Mathieu Kassovitz, die dit jaar in Cannes de regieprijs won met zijn tweede, aanzienlijke hardere La Haine. Volgens de algemene overtuiging geeft die laatste film van 'een alarmerend beeld' van het leven in een Franse 'banlieue', zo'n betonnen voorstad - meer Bijlmer-zonder-groen dan de New Yorkse Bronx - waar weinig te koop en niets te zien is, en waar jongens zonder vooruitzichten zich uit verveling specialiseren in sloop en roof.

Bijna iedere week rapporteert de Franse televisie nieuwe veldslagen tussen sprinkhaanachtige jongens-legers en de politie. De regering werkt aan een Deltaplan voor de banlieue, waar grotendeels immigranten maar ook een arme, 'blanke' minderheid te vinden is. De sociale crisis die heel Frankrijk op het ogenblik beleeft duurt al jaren in de banlieues, die alle grote en middelgrote Franse steden omzomen - vaak verscholen in het landschap, zoals de townships in Zuid-Afrika meestal achter de heuvels liggen.

Bye, Bye is een van de films over dit andere Frankrijk die de afgelopen maanden uitkwamen na het succes van La Haine in Cannes. Daarom werd Bye, Bye automatisch ingedeeld bij de nieuwe golf 'banlieue'-films. Een gemakzuchtig misverstand, volgens de maker. Dridi: “Bye, Bye is geen banlieue-film. Het is eerder een derde generatie-film, al spelen er natuurlijk mensen in die in de banlieues wonen. Je leest te vaak hetzelfde soort artikelen over de Frans-Algerijnse verhoudingen, over het leven van Franse Algerijnen en Algerijnse Fransen. Ik wil niet in één mand met La Haine. Alsof de dingen allemaal volgens hetzelfde schema uit te leggen zijn. Ik heb geen film volgens de banlieue-mode willen maken. Het gaat over een malaise die al dertig jaar duurt, die al vòòr de Algerijnse oorlog begon. Het is schokkend om te horen dat premier Juppé La Haine heeft gezien en zijn ministers heeft gevraagd hem ook te bekijken om de problemen in de banlieues beter te begrijpen. Want La Haine is een slechte film. Hij werd gemaakt door mensen die geen donder af weten van het leven van immigranten en hun kinderen. Het is belachelijk dat deze film een maatstaf is geworden, alleen omdat één of twee miljoen mensen hem hebben gezien. Rechtse èn linkse kranten zeggen: die film laat echt zien wat er aan de hand is in de banlieues, terwijl ze er nooit belangstelling voor hebben getoond. La Haine is pas een geldig ijkpunt als de mensen over wie de film gaat hem opeisen als hun film. Het tegendeel is het geval. Het is met al die gratis lichtgevende macho-sportschoenen vooral een slechte Nike reclame.”

Het land dat de mensenrechten uitvond voelt zich desondanks overspoeld en heeft moeite met vreemdelingen te blijven integreren. De werkloosheid is te hoog opgelopen voor dat soort aardigheden, vinden steeds meer Fransen van 'Franse' origine. De miljoenen Fransen van buitenlandse oorsprong (de meesten uit Noord- en overig Frans Afrika) voelen zich behandeld als tweede klas-burgers. Verschillende films, die voor het gemak in de banlieue-golf zijn ingedeeld, leggen de realiteit van de integratie bloot.

Dridi, wiens Bye Bye waarschijnlijk op het festival van Rotterdam te zien zal zijn: “Mijn film gaat over dingen die een Europeaan niet had kunnen laten zien, en een Arabier evenmin. Bye, Bye toont de intimiteit van een Arabisch-Franse familie. De film kijkt naar Arabieren door een arabisch èn door een Europees oog. Dat was niet mogelijk geweest als ik niet onderdeel van die twee culturen was geweest. Daarom houd ik niet van La Haine, en ook niet van Raï van Thomas Gilou - die zijn gemaakt door mensen die de instinctieve liefde en het respect missen voor de mensen die zij filmen. Gilou en Kassovitzfilmen straks weer iets anders. Ik niet, dit is mijn leven.”

Bye, Bye (Prix de la Jeunesse 1995 op het filmfestival in Cannes) vertelt het verhaal van twee broers, Parijse arabieren, die onderdak zoeken bij familie in Marseille. Terwijl de oudste (Ismaël, 25) werk vindt en daar tegen alledaagse racisme oploopt, raakt de jongste (Mouloud, 12) verstrikt in de netten van het plaatselijke drugsdealeriaat. Ismaël proeft de liefde, zij het met de gekleurde vriendin van zijn witte vriend, maar geeft er de voorkeur aan zijn broertje te redden en Marseille weer te verlaten. Het zou bijna te zoet zijn als het niet zo eerlijk was gefilmd.

Dridi: “Er is in Frankrijk sprake van een meng-cultuur, conflictueus en paradoxaal, een mengsel van de islamitische cultuur met de Franse, een synthese die ook voor degenen die hem belichamen moeilijk te begrijpen is. Als zulke ingewikkelde dingen worden behandeld in tamelijk oppervlakkige films, dan worden cliché-opvattingen over de banlieue versterkt. Dat bevalt extreem rechts, dat die clichés exploiteert. Het doet me denken aan films uit het begin van deze eeuw waarin de zwarten niet door zwarten mochten worden gespeeld, zoals in de films van Griffith. La Haine is net zoiets, al spelen er een zwarte en een Arabier in. Maar de hoofdrolspeler Vincent Cassell is geen jongen uit de banlieue. Als ik hem zie en hoor spelen heb ik het gevoel een blanke te zien die een zwarte speelt. Je ruikt de verf.”

Bodyguards

Mathieu Kassovitz, de maker van La Haine, probeert aan een nieuwe film te werken. Hij ontvlucht Parijs, komt weer terug en heeft moeite zijn concentratie te vinden. De jonge regisseursprijs op het festival van Cannes en maanden van publiciteitstours hebben Kassovitz afgemat. Nu de actrice Jodie Foster moeite doet hem bekend te maken in de Verenigde Staten, kan de Nederlandse première hem niet meer zo boeien dat hij ingaat op het verzoek om een gesprek.

Na te veel faxen en telefoongesprekken met cinematografische bodyguards volgt de ontknoping. Zijn persagent, met Kassovitz aan één oor en mij aan het andere, brengt het vonnis van de 28-jarige maestro over: hij reageert niet op de kritiek, die hij van meer kanten heeft gehoord, en die volgens hem is terug te voeren op jaloezie. Dridi is zelf ook niet in de banlieue opgegroeid, jammer voor hem dat zijn film later is gekomen en minder aandacht heeft getrokken dan La Haine. Bovendien wil Kassovitz niet meer over banlieues praten en al helemaal niet in één stuk voorkomen met mindere cineasten. De persagent legt later uit dat Kassovitz veel onrecht is aangedaan en dat hij een heel aardige, gevoelige man is.

Zijn film zag ik voordat deze scène zich afspeelde. Ook toen vond ik het een deprimerende ervaring. Kassovitz mag aardig zijn, La Haine is het niet. De Haat spreekt uit iedere zin. De drie hoofdpersonen - Hubert, een zwarte Afrikaan, Vinz, een blanke jood, en Saïd, een arabier - razen door hun vreugdeloze betonwijk Chanteloup-les-Vignes (Yvelines) in de verre omstreken van Parijs. Zij maken een politie-pistool buit de dag nadat een kameraad bij rellen ernstig gewond is geraakt. Van zins hem te wreken storten zij zich in allerlei drieste acties. Zij gaan zich vergapen aan Parijs - waar de politie mensen van hun leeftijd met U aanspreekt. Terug in het vertrouwde doolhof van betonnen trappenhuizen en berghokken loopt één van hen een zinloze dood tegemoet in de handen van de banlieue-politie, die eerst schiet en dan praat.

Het is een harde film, snel gemonteerd, opgewonden van toon, opgenomen in zwart-wit. Er gaat een cinéma vérité-suggestie van uit, te meer daar de haastige tv-journalistiek in de banlieues nog even op de hak wordt genomen. Kassovitz heeft 'een explosief portret van de banlieue' geschetst, is de modieuze samenvatting. Het is de vraag. Op zijn best is het een waarschuwing voor wat Frankrijk te wachten staat, op zijn slechtst behendig in elkaar gezette anti-reclame voor een deel van Frankrijk dat geen behoefte heeft aan meer stereotypen.

Hoofddoek

Een wereld van verschil met La Haine zijn de films van Karim Dridi (Bye, Bye), maar ook van Malik Chibane (Hexagone en Douce France) en Thomas Gilou (Raï). Zij proberen genuanceerder te zijn, en menselijker. Dat zou ook gelden voor cineasten van wie ik de films niet heb kunnen zien: Medi Charef (Le Thé au Harem d'Archimède) en Jean-François Richet en Patrick Dell'Isola (Etats des Lieux). Minder op immigratie maar wel op de Marseillaanse banlieue-nord gericht is de allerhartelijkste film A la vie, à la mort van Robert Guediguian.

Dridi brengt zijn weerstand tegen de modelfunctie van La Haine het krachtigst onder woorden. Maar ook Malik Chibane (31, kind van Algerijnse immigranten, Frans paspoort) ziet een andere werkelijkheid. “La Haine is geen slechte film, maar Bye, Bye is beter. Het beeld dat iedereen nu in La Haine krijgt voorgeschoteld is niet subtiel genoeg. Mijn hoofddoel is een zo groot mogelijke authenticiteit. Authenticiteit is de vijand van radicale stereotypen. Mijn films zijn bewust niet moralistisch.

“In Douce France zie je hoe slecht het mengen van mensen van uiteenlopende achtergronden lukt in Frankrijk, wat men daar officieel ook over beweert. Je ziet echte Fransen, maar Frankrijk heeft geen weet van hun bestaan. Het blijft voor het 'gewone' Frankrijk veiliger hen als dieren te zien die met de politie vechten. Dat is makkelijker en lekker-eng.”

Terwijl de cineast zit te vertellen over zijn nieuwste film - première 22 november, door de stakingen van zijn publiek beroofd - komt de hoofdrolspeelster uit Douce France binnenlopen. Het nietige kantoortje van produktiemaatschappij Alhambra Films in Saint-Denis, een noordelijke voorstad van Parijs, is een beetje het verenigingslokaal van zijn acteurs en actrices. Fadila Belkebla heeft tijdelijke baantjes, nu als telefoniste bij het elektriciteitsbedrijf EDF. Zij woont sinds haar geboorte in Aubervilliers, één van de banlieues waar deze films over gaan. Zoals de regisseur opgroeide in Goussainville en andere hoofdrolspelers in Gonesse - allemaal bekende namen uit de nieuwsberichten met gemengd banlieue-geweld.

In Douce France speelt Belkebla haar eerste rol in een avondvullende film. Zij werd door Chibane ontdekt bij het jeugdtoneel in haar voorstad. Chibane werkte ook in het verenigingsleven, na “een zo goed als mislukte schoolcarrière”, een lagere technische opleiding en vier jaar werkloos-zijn. “We hadden altijd geldgebrek. Op een moment kom je er achter dat je niet onsterfelijk bent, de tijd haalt je in. Met een paar vrienden hebben we een jongerenvereniging in Goussainville opgericht. Daar heb ik burgerschap geleerd: telefoneren, praten en met geld om gaan. Op school werd je vanaf je twaalfde opgeleid tot werknemer. Wat je in de banlieue aan autoriteit ziet is een winkelier, een leerkracht en een politieagent. Met de vereniging ging de wereld open. We hebben van alles georganiseerd, tot en met excursies naar Hongarije en Spanje. Toen we enige geloofwaardigheid hadden opgebouwd, zijn we aan een korte film over het leven in onze wijk begonnen. Daar is Hexagone uit voortgekomen. Iedereen werkte voor niks mee. Daardoor konden we er een lange film van maken.”

Douce France is beter gemaakt dan Hexagone. Het budget was tien keer zo groot, beeld, geluid, scenario en regie verraden meer ervaring. Het verhaal speelt in een arm stuk van Saint-Denis, waar twee vrienden proberen met oneerlijk verzameld geld een loopbaan op te bouwen, als cafébaas respectievelijk juridisch adviseur van dubieuze zaken. In het café wordt met liefde een heel leven van vaste gasten en passanten geschilderd. Pagnol, de man van Topaze, Marius, Fanny en Manon des Sources, vertaald voor de banlieue.

De amateur-cafébaas wordt verliefd op een knap, slim meisje, ook van Noordafrikaanse afkomst, maar bovendien draagster van een islamitische hoofddoek. Haar zusje werkt in spijkerbroek bij een hamburgerrestaurant. Die foulard levert haar problemen op bij het vinden van werk en een man. Fadila maakt er een innemende, fascinerende rol van, raadselachtig maar geloofwaardig. Zelf zegt zij: “Na de opnames ben ik die hoofddoek een tijdje blijven dragen. Toen zag ik hoe verwrongen veel mensen er op reageren. Bij het postkantoor werd ik echt niet geholpen, net zoals in de film.” Chibane: “Als zij tegen het eind huilend haar strijd opgeeft, beseft ze dat zij haar problemen niet heeft opgelost. Alles moet nog beginnen.”

Malik Chibane voelt zich verwant met Engelse cineasten als Ken Loach, maar hij heeft ook een immense bewondering voor Woody Allen en Ingmar Bergman. “Ik ben geen Zweed en geen Amerikaan, maar zij laten mensen zien, met liefde, verraad en schuldgevoelens. Douce France is een hedendaagse komedie. Dit soort films over het leven hier in de voorsteden moet nu worden gemaakt. Als deze er niet was praatte iedereen alleen maar over La Haine. Ik zeg niet dat alles hier goed gaat. Ik zeg: het zijn menselijke wezens.”

Respecteren

Fadila Belkebla heeft niet de enige sterke vrouwenrol in de huidige golf films over het andere Frankrijk. In Bye, Bye is de moeder van een maghrebijns gezin in Marseille degene die het hoofd koel houdt. Zij is de monumentale spil tussen de traditionele vader/gastarbeider en de kinderen die Frans en zoekend zijn.

In Raï van Thomas Gilou, ook dit najaar uitgekomen, wordt opnieuw een sleutelrol vervuld door een vrouw - dit keer is zij omstreeks de twintig en houdt zij van de oudste en meeste serieuze jongen van een half-delinquente bende in Garges-les-Gonesse, een banlieue aan de noordkant van Parijs. Een terugkerend thema daarbij: de oudere broers handhaven de onbegrepen, overgeleverde moraal - niet zoenen voor het huwelijk. Zelf tuigen zij intussen de buurt af. Sahlia - gespeeld door de ex-porno-ster Tabatha Cash - wil op den duur toch vrijen. Tijdens een stiekem zwemuitje-voor-twee in het gemeentebad, breekt haar klomp: haar serieuze Djamel wil haar 'respecteren'. Zij gaat daarop advies vragen bij een ander bendelid, bedriegt haar vriend met hem en bewijst zichzelf daarmee dat ze echt Frans is.

Cineast Thomas Gilou maakte eerder Black Mic-Mac, een film over zwart Parijs. Hij voelt zich niet aangesproken door het verwijt dat hij meevaart op de banlieue-golf en als 'blanke' Fransman een beetje aapjes is gaan kijken. “Wat banlieue-golf? Als er vijf films tegelijk over dat soort onderwerpen uitkomen is dat toch niks? De helft van de bevolking van Parijs woont in een banlieue. Laat dat leven maar zien. Er is een gebrek aan geschiedschrijving van die mensen. In Garges, waar ik heb gefilmd, wonen naar verhouding de meeste jongeren van heel Frankrijk.”

De titel van zijn film, Raï, heeft een dubbele betekenis. Het is een arabisch woord dat zoiets betekent als 'morele intelligentie'. Maar Raï is ook een muziekstijl, waarin arabische en westerse invloeden worden vermengd. Daarin is deze film het sterkst van allemaal. Gilou heeft met zijn medewerkers maanden door de banlieues gezworven om amateurs te vinden die in staat waren hun eigen leven te spelen. Daarbij stuitte hij ook op muzikanten die de film boven zichzelf hebben uitgetild.

Gilou geeft toe dat het zingen en het praten in zijn Gonesse vaak moeilijk te verstaan is, “ook voor Fransen”. Ondertitels zouden wel handig zijn geweest. Maar ook zonder die titels barsten al deze films van leven. De vaak gevreesde agressie is niet eens het opvallendste. Gilou: “Dat geweld is in zekere zin gerechtvaardigd, het is een uitdrukking van energie. Die moet tot uitdrukking worden gebracht. Dat is niet per se negatief.”

Het meest fascinerend zijn de taalkundige explosies. De jonge mannen en vrouwen in La Haine, Bye,Bye, Raï en Douce France praten niet alleen 'verlan', de omkeertaal van de banlieue: flic is ceuf, femme is meuf, père is reup, nègre is renoi, Paris is ripa, énervé is vénère, enzovoort. Er worden ook veel woorden ingekort, klinkerloos uitgespuugd en aan elkaar gezongen. Er zitten bovendien steeds meer arabische en zigeunerwoorden tussen, zoals het vroeger cool was het Frans met Engels te doorspekken.

Het allerbekendste van deze nieuwe trefwoorden is beur, de ingedeukte omkering van 'arabe'. Karim Dridi voert strijd tegen juist dit ingeburgerde woord. “Dat gepraat over 'beurs' is uitgevonden in het socialistische tijdperk-Mitterrand. Om arabieren te onderscheiden maar niet als zodanig te hoeven aanduiden. Het woord 'arabe' was besmet vanwege de zeer algemene uitdrukking 'c'est du travail d'Arabe', dat wil zeggen: slecht gedaan werk. Toen men in 1980 iets aardigs wilde doen, bedacht Harlem Désir van SOS Racisme de befaamde 'Marche pour les Beurs'. Sindsdien zitten de 'beurs' nog steeds op de zelfde plek. Er is in vijftien jaar niets gebeurd. De malaise is hoogstens erger geworden, bij links en zeker bij rechts. Ons 'beur' noemen helpt niet. Ik heb genoeg van die hypocrisie. Arabier is geen scheldwoord. De huidige minister van stadszaken praat over 'de intifadah van de banlieues'. Dat is crimineel. Dan vraag je om explosies. Frankrijk deelt zo veel tranen, haat en liefde met de maghreb, en dat duurt al sinds de kruistochten. Daar wil ik van getuigen om vooroordelen af te breken.”