Het verschil tussen naakt en bloot; Kunsthistorische artikelen van Henk van Os gebundeld

Henk van Os: Torens van Babel. Uitg. De Prom, 90 blz. Prijs ƒ 24,90.

Torens kunnen veel beleven, zelfs als ze nooit hebben bestaan. Die van Babel ging de geschiedenis in als het zinnebeeld van menselijke overmoed, terwijl het de bouwers volgens Genesis zo te zien vooral te doen was om een, wereldwijd zichtbaar, oriëntatie-punt, zodat er geen mensen meer 'verstrooid' hoefden te raken. Het was dan ook niet de toren zelf die de Heer in zijn alleenheerschappij bedreigde: het was de eendracht van de bouwers. De 'spraakverwarring' waarmee hij haar te lijf ging was een mild middel, vergeleken bij de zondvloed, en leidde alleen tot onwerkbare verdeelheid. Het is aardig om te bedenken dat hij eeuwen later zou aandringen op Eenheid, en de spraakverwarring ongedaan maakte op Pinksteren. Het godsbeeld van mythen is vatbaar voor evolutie... maar aan de toren is het stigma van 'overmoed' blijven kleven. Latere generaties zagen hem als zondig en gevaarlijk. Kunstenaars bouwden hem af als kernreactor. Zijn top, die in de hemel had moeten reiken, verleidde sommigen ertoe hem als waarnemingspost te zien voor pottekijkers van eeuwige geheimen. In die visie is de bouw van de toren nooit stopgezet en zijn ze nu op de zoveelste verdieping bezig, 'the mind of God' te achterhalen...

In zijn nieuwe bundel Torens van Babel hanteert Henk van Os de Toren van Babel op de eerste plaats als bijnaam voor een mammoet-kantoorgebouw. Uit het meervoud in de titel van het boek blijft gelukkig dat hij het daar niet bij laat. Uitgaand van Pieter Brueghels veraanschouwelijking van de toren-die-niemand-ooit-aanschouwde komt hij tot de evocerende 'kracht van de kunst': ook zij, lijkt hij te zeggen, is in staat tot scheppingen 'die in de hemel reiken'. Zo konden Torens van Babel tot noemer worden voor dertien artikelen - vooral lezingen -, die op enige wijze te maken hebben met kunst. Ze werden uit niet eerder gepubliceerde teksten geselecteerd door Wim Hazeu in samenwerking met de auteur. Wetenschappers die de publiciteit niet schuwen blijven onvermijdelijk zitten met een residu aan stukken, te goed om weg te doen, te klein voor afzonderlijke publikatie. Bundeling is dan een voor de hand liggende oplossing, maar het resultaat is wel dikwijls heterogeen. In het geval van de 'Torens' is dat nauwelijks een probleem: door een zo gedreven en geestige verteller als Van Os laat de lezer zich gewillig meeslepen. Zelfs naar een 'kroegjool' van Groningse reünisten, ofschoon tal van toespelingen hem daarbij moeten ontgaan. (En passant maakt de auteur hem deelgenoot van het 'lustgevoel' dat het 'representatief in beeld komen' hem verschaft. Wie zou dàt nou gedacht hebben...) Er is feitelijk maar één stuk dat de kunst benadert vanuit een andere invalshoek, en daardoor wat uit de toon valt: een lezing over cultuurspreiding, uit 1992. Hier is minder de erudiete causeur aan het woord dan de energieke museum-directeur; en dat tijdens een vorig kabinet, wat afbreuk moet doen aan actualiteit en relevantie. Zonder meer op zijn best is Van Os daar waar hij vanuit zijn eigen vak de raadselen van de middeleeuwse kust ontwart met de voorzichtigheid en het vernuft van een detective. Zijn speurtochten naar een paneel van Sassetta of een altaarstuk van Martini vullen de boeiendste pagina's van de bundel. Fraai is ook het verstilde 'Dagje Altenburg' over een Oostduitse kunstverzameling. 'Oh Suzanna' is daar weer zoiets als een vrolijke, studentikoze tegenhanger van. Bij de badende Suzanne wordt gemijmerd over het verschil tussen naakt en bloot, en over de vraag waarom het, bij minder grote schilders, lijkt of de twee geile oude rechters de beschouwer 'meenemen op hun avondje stappen' naar 'ordi-attracties in de slaapkamer'!

Het enige verhaal dat een extra vraagteken verdient is 'Waarom Urbanus?'. In het Amstelland vindt men verschillende kerken gewijd aan paus-martelaar Urbanus, een figuur waarover we maar weinig weten. Vanwaar dan die voorkeur? Op zichzelf is zo'n vraag niet minder interessant dan de duiding van een Sasetta-paneel; maar ze behoort tot een andere discipline. Van Os beantwoordt haar met een slag in de lucht. Aan een te lang citaat uit een verhaal van Belcampo ontleent hij het gegeven dat Urbanus zich schuil hield in de Catacomben. (Wie niet, in de derde eeuw?). Dàt moet de reden zijn, concludeert hij verheugd. In een land dat 'andersgelovigen' liefst verstopt koos men voor een 'Clochard uit de Catacomben' O? Waarom dan juist deze onbekende terwijl het wemelt van clochards in het roomse pantheon? En hoezo 'andersgelovig'? Dateert die naamgeving niet van vóór de reformatie? Viel het Amstelland toen niet onder het bisdom Utrecht, waar Urbanus behoorde tot de hoogvereerde heiligen? Opent die verschuiving geen perspectieven voor een zinniger verklaring? Misschien had Urbanus beter in de catacomben van het niet-geplubliceerde kunnen blijven liggen. Dat de overige bijdragen daaruit omhoog kwamen is verheugend.