Haarfetisjisme

De Revisor. De verborgen stem. Uitg. Querido, 72 blz. Prijs ƒ 19,90. Maatstaf 9 en 10. Limburgnummer. Uitg. De Arbeiderspers, 145 blz. ƒ 39,90.

De Revisor koos een vaag onderwerp als thema van het 'dossier' in het winternummer, 'De verborgen stem', en de drie contribuerende redacteuren deden er alles aan om het vaag te houden. Jacob Groot fladdert van Beckett naar Jodie Foster, van Freek de Jonge via Cliff Richard naar Wittgenstein, om uit te leggen dat ook uit de taal valt af te leiden dat wij onszelf en elkaar niet kunnen kennen. Sonnettendichter Jan Kuijper grijpt het onderwerp aan om zichzelf tot pomo-dichter uit te roepen en dat etiket meteen weer af te werpen. 'Ja, want ik besteel meer klassieken dan wie ook, zeker als je per woord gaat tellen. (-) Nee, want welke vorm maakt nou meer de indruk van eenheid dan het sonnet? (-) Ik ben dus iemand die de kool en de geit spaart, die van twee walletjes eet.'

De verwarring wordt compleet gemaakt met een aantal foto's van Thomas Rüff; hier en daar vage of dubbele afdrukken van portretten waarvoor waarschijnlijk steeds hetzelfde gezicht werd gebruikt.

De eerste twee bijdragen van dit nummer zijn gewijd aan de Zangen van Maldoror van Lautréamont, volgens Em. Kummer 'het meest bizarre epos aller tijden' en zeker geen voorbeeld van eenduidigheid of eenheid. Van de auteur, wiens echte naam Isodore Ducasse was, is behalve zijn data (1846-1870) vrijwel niets overgeleverd. 'Godlof weten we niets van hem,' vindt Kummer. 'Eindelijk een vent die de vorm zelf is en wat voor een vorm, eentje die uitsluitend uit literaire teksten is opgebouwd.' Wat voor een vent? Kummer ziet erfelijke waanzin, instinctmatige wreedheid, slapeloosheid, en dan is er ook nog 'sadisme, masochisme, homoseksualiteit, zoöfilie, haarfetisjisme, zelfrukkersleed en wellicht buitengewone seksuele begaafdheid'. In de Zangen van Maldoror zitten diverse stemmen verborgen. De surrealisten juichten later over het werk, net als in mei 1968 de studenten in Parijs, en nu omarmt Kummer de Zangen als het verbeeldingsrijke, authentieke werk van een opstandige puber. 'Voor ons, werkelijke literatuurminnaars, betekent het [postmoderne gebruik van citaten van andere auteurs] een vreugdevolle aantasting van de heersende, achterlijke literatuurideologie (-). Je zal maar schrijven zoals je gevoelens en fantasie het je dicteren, zo komt op een dag het gedroomde anarchisme in het letterenland tot stand, alles is toegestaan, alles wordt betrokken in dienst van stijl en gezochte effecten, de rest, voorschriften en regels, kan oprotten.'

Arnan Oberski publiceert een fragment van zijn nieuwe vertaling van de zangen van Maldoror naast het origineel en de oude vertalingen van Stärcke en Lijsen. Oh! si au lieu d'être un enfer, l'univers n'avait pas été qu'un céleste anus immense, regardez le geste que je fais du côté de mon bas-ventre: oui, j'aurais enfoncé ma verge, à travers son sphyncter sanglant, fracassant, par mes mouvements impétueux, les propres parois de son bassin! werd bij Oberski: 'O, als het heelal geen hel was maar alleen een immense hemelse anus, kijk dan naar wat ik doe met het onderste van mijn romp: ja, ik zou mijn lid de bebloede sluitspier in duwen en de wanden van het bekken door mijn onstuimige bewegingen verbrijzelen.'

In een aanhangsel van zijn voortgezette Encyclopedie van de Domheid prijst Matthijs van Boxsel Lautréamont de hemel van de dommen in: 'Door zo veelzijdig en kleurrijk mogelijk dom te doen, ontstijgt Lautréamont de grijsheid en stijfheid, de twee gevaarlijke kanten van de domheid. Lautréamont heeft van domheid kunst gemaakt.'

A.F.Th. van der Heijden beschrijft in deze Revisor in een fragment uit 'Onder het plaveisel het moeras' (De Tandeloze Tijd 3, Tweede Boek, dat deze maand had moeten verschijnen maar nog niet af is) hoe zijn Albert Egberts kennis maakte met heroïne.

Ook Maatstaf komt deze maand met een themanummer, een dubbel nog wel. Het werd gemaakt volgens hetzelfde principe als het Groningen-nummer: veel korte stukjes met herinneringen van bekenden afkomstig uit de streek. Huub Beurskens, Wiel Kusters, Michel Maas, Thijs Wöltgens, Connie Palmen, Jeroen Brouwers (1952-1955), Marita Mathijsen - allemaal kijken ze, en bijna allemaal vanuit de Randstad, nostalgisch terug op een provincie en vooral een tijd die er niet meer is. Michel Maas reed op de motor langs de rivier waar hij zijn naam aan dankt - 'Dit is de Maas niet meer. Dit is alleen nog haar lege bedding, die ze hebben gevuld met een smerig grijs vocht. Een darm vol andermans stront. Ik kijk recht in de aars van België.' Net als Maas weet Marita Mathijsen een toon te treffen die ook voor een Hollander goed na te voelen is. Anderen wentelen zich in bronsgroene trots of provinciale nostalgie. Net als het Groningennummer is het Limburgnummer een verzameling losse floddertjes geworden. Wat ontbreekt is een grootse of enigszins gedurfde visie. Liever één stuk dat staat als een kathedraal dan deze 28 schetsjes. Na het Limburgnummer heb je net zo'n onvoldaan gevoel als na een reusachtige reünie - en dan nog als de meegekomen partner.