Gelukzalige boeddha's uit Siam in de Nieuwe Kerk

De boeddha's van Siam. T/m 15 april in de Nieuwe Kerk op de Dam in Amsterdam. Dag van 10-18u. Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag gesloten. Catalogus: ƒ 25,-.

AMSTERDAM, 15 DEC. Metershoge koepels van zeegroene zijde wiegen zachtjes in de tochtige Nieuwe Kerk in Amsterdam. In een rechthoekige vijver dobberen lelies en op de grafsteen van het 19de-eeuwse Amsterdamse echtpaar Kraay staat nu een lieftallige boeddha opgesteld, niet hoger dan een jongetje van een jaar of tien. De heup is eeuwen geleden gehakt in een sensuele ronding, de glimlach duidt op onuitputtelijke mildheid en de handpalm wijst, in verticale stand geheven, geruststellend naar de toeschouwer: 'Weest niet bevreesd.'

Voor angst is geen aanleiding op de tentoonstelling De boeddha's van Siam, die gisteren door Prins Willem Alexander werd geopend. Jan Fontein, oud museumdirecteur van het Museum of Fine Arts in Boston, selecteerde ongeveer honderd bruiklenen uit drie musea in Thailand, het voormalige Siam. Hij koos een flink aantal drie-dimensionale varianten op de boeddha-figuur, die bijna alle een vreedzame uitwerking hebben op de kerkbezoeker.

Mede omdat de Thaise koning Bhumibol zijn vijftigjarig regeringsjubileum viert, bleken de musea zeer toeschietelijk. Men stond recent opgegraven, schitterend prehistorisch aardewerk af, dat in zijn okeren en rode beschildering van Afrikaanse origine lijkt, maar ook minuscule reliekhouders in de vorm van een hertje of een muiltje. Verder staan er bronzen modellen van een klooster en een koninklijk paviljoen opgesteld, en enkele zandstenen reliëfs, zoals dat van een bodhi-boom, onder wiens bladerenkroon Boeddha omstreeks 480 voor Christus tot het Hoogste Inzicht kwam; elk mens kan zich van het aardse lijden bevrijden door zijn begeerte, haat en onwetendheid te niet te doen. Zelfs Koning Bhumibol leende trouwens in hoogst eigen persoon aan de Nieuwe Kerk een boeddha uit, een 20ste-eeuwse, bronzen versie, ingelegd met een driehoekige amulet die hij eigenhandig vervaardigde.

Sinds dertig jaar geleden hier de laatste tentoonstelling over het Thaise erfgoed werd gehouden, is de boeddha-figuur voor de westerling nog steeds een vreemde. Steeds weer die dikbuikige figuur, in wiens gelaat weinig anders te lezen valt dan een permanente staat van ingetogen gelukzaligheid. Het pantheon van heiligen dat hem omringt, maakt gebaren waar de Aziaat wel raad mee weet, maar die hier net zo goed kunnen doorgaan voor bewegingen uit een fijnzinnige choreografie.

Het boeddhisme in het nimmer gekolonialiseerde Thailand maakt het de westerling in zoverre gemakkelijk dat daar in tegenstelling tot de rest van Zuidoost-Azië geen al te uitgebreid pantheon van heiligen wordt vereerd. Hoewel de invloed van hindoeïstische goden als Siva en Vishnu zich in de Thaise beeldhouwkunst ook laat gelden, zoals de tentoonstelling met ragfijne bronzen dansers demonstreert, is het de Thais vooral om Boeddha zelf te doen. Zijn levenswandel en zijn attributen, verbeeld in goud, zilver, brons en steen, sieren al vanaf de zesde eeuw tot heden vele tempels en miljoenen huisaltaren. Door zijn ascetische en zuivere levenswandel kon Hij in opperste verlichting het Nirwana binnentreden, verlost uit de kringloop van wedergeboorten. Reïncarnatie is dank zij zijn voorbeeld voor negentig procent van de Thais dan ook geen geloof meer, maar een vaststaand feit.

Ter verwelkoming staat meteen in het hart van de Nieuwe Kerk een zeer oud, zwaar gepolijst, kalkstenen beeld opgesteld. Een slanke boeddha met dikke lippen en sierlijke gelaatstrekken, die hem niettemin een strenge mimiek geven. Het beeld dateert uit het tijdperk van de Môns, een volk dat van de zevende tot de dertiende eeuw noordelijk Thailand domineerde, voordat de Khmer het vanaf de tiende eeuw voor het zeggen zouden krijgen.

Direct achter de stramme Môn-rug vat Fontein kort en krachtig met drie formaties van hoofden en beelden samen hoe de vormgeving van de Thaise boeddha's in de loop van eeuwen etnisch werd bepaald. Men hakte en kneedde hem naar menselijk voorbeeld met een zacht, rond gezicht dat het zuiden van Thailand kenmerkte en met de vierkante, trotse kop van de noorderlingen, een kop die eigenlijk zegt 'Weest u voor mij eigenlijk maar wèl een beetje bevreesd'.

Een inwendige constructie moest eraan te pas gekomen om uit een andere museumzaal in Bangkok het gigantische, holle en zwaar geschonden boeddha-hoofd te takelen, waarvan de bladgoudresten zich nu feeëriek in de kerkvijver weerspiegelen. Het lijf dat erbij hoorde was ooit negen meter hoog. De volwassen Thai kon zich tussen kin en knie beschermd wanen tegen wat voor onheil dan ook. De uitgezakte oorlellen herinneren aan het koningskind dat Boeddha in een van zijn vele reïncarnaties geweest is. Hij, die als kolossale zeeschildpad vele drenkelingen aan wal bracht, en zich vervolgens ter redding van hen ook nog tot schildpadsoep liet koken, zoals een duizend jaar oud reliëf verduidelijkt, moest vele stadia van het aardse 'zijn' doorleven om ten slotte 'het niets te bereiken dat alles omvat'.

Het onontbeerlijke goud op dit type tentoonstellingen bestaat uit enkele juwelen, een complete, 19de-eeuwse set voor het serveren van betelnoot en een rijk versierde, handhoge stoepa, die als reliekhouder fungeerde. Een oogstrelend gouden stuk is een 16de-eeuwse miniatuur van een patriarchenzetel, compleet met slippertjes, een 'tochtschermpje' van boomblaadjes en een peervormige houder waarin misschien nu nog een nagel of een haar van Boeddha zit opgeborgen.

Dankzij een 18de-eeuwse, goed ingevoerde Nederlander hebben Thaise archeologen enkele van deze gouden stukken in de jaren zestig van deze eeuw kunnen opgraven in Ayutthaya, ooit de belangrijkste stad van Azië, waar de Verenigde Oost-Indische Compagnie een eigen filiaal had. De koopman Jeremias de Vries bracht niet alleen een ooggetuigeverslag uit over de moorddadige Birmese inname van de stad in 1767, hij maakte ook gewag van enkele honderden kilo's goud die onder de grote stedelijke torens verborgen lag. Eerst nadat dieven daar twee cryptes hadden leeggeroofd, vond men korte tijd later nog een dieper gelegen ruimte, waarin inderdaad gouden 'kantwerk' en andere ceremoniële voorwerpen lagen opgeslagen die nu tegen een achtergrond van rode zijde elk afzonderlijk worden uitgelicht.

Voor de datering van vroege boeddha-beelden mag dan steeds naar de eigenaardige fysionomie van volkeren als de Môns en Khmer worden verwezen, toch begint volgens de Thais hun geschiedenis pas echt als in de 13de eeuw het koninkrijk Sukhothai aan de macht komt, aanvankelijk geconcentreerd rond de gelijknamige stad. Er ontstond een staatkundige eenheid met een eigen taal en schrift, waar het latere en sterkere koninkrijk Ayutthaya profijt van moet hebben gehad.

Vooral uit die Ayutthaya-periode, de 14de- en 15de eeuw, zijn enkele beeldschone stukken bewaard gebleven, zoals een gouden parfumflesje in de vorm van een gans en een 18 centimeter hoge, gouden boeddha, die met één hand zachtjes de grond aanraakt: de aarde moest getuigen van de waarheid van Boeddha's woorden. Welke westerling zou dat ooit als zodanig kunnen duiden? En wie kon weten dat die kleine liggende figuur, een 17de-eeuws brons en een hoogtepunt op deze tentoonstelling, diezelfde boeddha is, maar dan op het moment suprême? Hij betreedt tachtig jaar oud het Nirvana en een 'dwerg' van een aardse leerling kan op de valreep nog zijn voeten vereren.

Het was Fonteins opzet om met deze tentoonstelling vooral dat stereotiepe beeld van de boeddha te doorbreken. In die opzet is hij geslaagd. De Nieuwe Kerk laat zien dat 'prins Siddhartha' voor vele generaties Thais net zo vertrouwd is als een familielid, en daarom kan hij vele gedaanten aannemen. De gelijkenis gaat zelfs soms zo ver dat Fontein, reizend door Thailand, af en toe iemand tegenkwam wiens etnische afkomst hij dank zij het gelaat van sommige boeddha-beelden direct kon thuisbrengen.