Een snuitkever op zijn rug

Peter van Lier: Miniem gebaar, Gedichten. Uitg. Meulenhoff, 60 blz. ƒ 19,90

Een poëziebundel waaruit je zeker tien gedichten aan je vrienden wilt voorlezen, zo'n bundel is Miniem gebaar. Het is het debuut van Peter van Lier, die met zijn laconiek verwoorde verzen in het voetspoor lijkt te stappen van Martin Reints en K. Michel. Maar het werk van Van Lier is voorzichtiger en brozer; tastend schetst het de tijdelijkheid van wat de mens omringt. Ook zijn taal is die van ogenblikken.

Hoe de tijd letterlijk wordt betrapt toont de beschrijving van 'De droogte van een zomernamiddag' in de cyclus 'Horen en zien': Droog het/ zand, dat/ opstuift als men er met de vlakke hand op slaat. Droog/ het gras. Droog de gedachten. Kinderen liggen met rode/ gezichten loom tegen moeders aan, glazen met rietjes/ binnen handbereik,/ af en toe klinkt een slurpend geluid. De moeders zonnen. Even/ schrikt men op van een vogel die struikelt.'

Zo bovenop de huid der dingen, zo terloops maar trefzeker zijn haast alle verzen in Miniem gebaar. De titel zegt het al: het gaat hier niet om het volle leven, maar om de details die verwondering wekken of ontroeren. Zoals een op zijn rug liggend snuitkevertje, het golven van een plas, of het geeuwtje en het poepje waarmee de dag voor een vogeltje aanvangt. Of zoals de moeder die, het trappen stakend, haar kind een kus op het hoofd zal geven: 'want welke jonge moeder kan die verleiding weerstaan/ tijdens zo'n heerlijke dag, fietsend aangekomen op het/ hoogste punt van een brug/ met uitzicht.'

Net zoals in de poëzie van Pierre Kemp (waaraan Van Liers observaties herinneren) wordt de humor in Miniem gebaar vaak opgeroepen door de uitvergroting van kleine voorvallen en minimale indrukken. Maar niet alleen in het verholen groteske, ook in de paradox toont Peter van Lier zich een verrassend dichter. Zo eindigt zijn gedicht 'Natuurliefde' met 'Een wandeling duurt echter nooit voor lang/ want ik houd van de natuur.' En een kleine cyclus over het boerenleven is ondergebracht in de afdeling 'Stadsgedachten' - waarmee ook Van Lier bewijst dat pastorale poëzie niet door herders maar door intellectuelen wordt geschreven.

Peter van Lier studeerde filosofie; misschien verklaart dat zijn ingehouden omgang met wat hij beschrijft. Maar zijn zintuiglijke verbeeldingskracht is onmiskenbaar die van een dichter. Miniem gebaar is een kleine, fijnzinnige schatplaats voor wie van poëzie houdt en opnieuw wil leren kijken.