Een deskundige in slechte adem; 'The Cunning Man', de laatste roman van veelschrijver Robertson Davies

De vorige week overleden Amerikaanse schrijver Robertson Davies was een verhalenverteller in de traditie van Charles Dickens. De laatste roman die voor zijn dood verscheen was 'The Cunning Man', dat vermoedelijk het tweede deel van zijn 'Toronto-trilogie' had moeten zijn.

Robertson Davies: The Cunning Man. Uitg. Penguin, 473 blz. Prijs ƒ 24,95. Ook de andere romans van Davies zijn in Penguinpocket verschenen.

Er zijn schrijvers die weinig gelezen worden, maar door hun kleurrijke leven toch een grote bekendheid genieten. Zo niet Robertson Davies, de grand old man van de Canadese literatuur die begin vorige week op 82-jarige leeftijd overleed aan een hartaanval. Davies was een grijze man - letterlijk, door zijn imposante baard die hem het aanzien gaf van een Victoriaanse gentleman, en figuurlijk, door zijn saaie biografie. Maar zo weinig avontuurlijk als zijn leven was - hij werkte als hoogleraar en hoofdredacteur van een provinciale krant, had geen Hemingwayaanse hobbies en was een halve eeuw lang met dezelfde vrouw getrouwd - zo verrassend en humoristisch is zijn oeuvre.

Davies was een veelschrijver, in de beste negentiende-eeuwse traditie. Vanaf zijn debuutroman Tempest-Tost (1951), zo placht hij met gepaste trots te vertellen, had hij wekelijks 12.000 woorden geschreven en nooit last gehad van writer's block. Hij was de auteur van een dozijn toneelstukken, schreef jarenlang de krant die hij van zijn vader geërfd had vol, en publiceerde behalve essaybundels over literatuur elf romans van vele honderden bladzijden elk. Zijn favoriete literaire vorm was de trilogie, niet zozeer omdat hij in het voetspoor wilde treden van onstuitbare vertellers als Balzac en Thackeray, maar omdat hij naar eigen zeggen na het afmaken van een boek altijd het idee had dat er veel meer over de personages te vertellen was. Zo ontstonden The Salterton Trilogy (1951-58), The Deptford Trilogy (1970-75) en The Cornish Trilogy (1982-91), die het best te omschrijven zijn als comédies de moeurs over de bourgeoisie van naoorlogs Canada.

Ook Davies' laatste roman, The Cunning Man, die dit voorjaar verscheen en onlangs in paperback uitkwam, is onderdeel van een trilogie. Niet dat het boek zo was aangekondigd, of dat Davies al een overkoepelende titel had vrijgegeven; de lezer komt er pas achter wanneer in de tweede helft van de roman de ik-figuur te maken krijgt met de eigenaardige moordzaak die het uitgangspunt was van Davies voorlaatste roman Murther & Walking Spirits (1991). Het is duidelijk dat Davies een nieuwe trilogie voor ogen stond, eentje die zich afspeelt in Toronto. Want zoals het alter ego van Davies in The Cunning Man zegt: 'flat-footed, hard-breathing, high-aspiring Toronto has a very special place in my heart, like a love one is somewhat ashamed of but cannot banish.' Door Davies' plotselinge dood zal de Toronto Trilogy waarschijnlijk onvoltooid blijven - hoewel je natuurlijk nooit kunt weten wat er met 12.000 woorden per week nog in zijn bureaula ligt.

Medicijnvrouw

Het grootste deel van The Cunning Man bestaat uit de memoires van Dr. Jonathan Hullah, die vlak voor de Eerste Wereldoorlog geboren is in een klein dorpje in Noord-Canada. Als jongetje wordt Jonathan op onverklaarbare wijze van een bijna-dodelijke ziekte gered door een indiaanse medicijnvrouw. Hij houdt er een fascinatie voor alternatieve geneeskunde aan over, en zal zich na zijn studie medicijnen en zijn diensttijd als hospik in de Tweede Wereldoorlog in een buitenwijk van Toronto vestigen als onconventionele arts. Dr. Hullah, door zijn vrienden 'the cunning man' (de medicijnman) genoemd, zweert bij een sterk psychosomatisch gerichte behandeling; zijn handboek is de Anatomy of Melancholy van Robert Burton, die schreef dat 'de hel op aarde te vinden is in het hart van de melancholicus'; zijn stelling is dat de artsenij meer humanisme en minder wetenschap nodig heeft.

Dr. Hullahs herinneringen worden op gang gebracht door een journaliste die voor haar rubriek The Toronto That Used To Be met hem komt praten over een wonder dat zich in 1970 zou hebben voorgedaan in de kerk van zijn parochie. Het wonder, dat direct verband houdt met de schimmige dood van een geestelijke tijdens een mis op Goede Vrijdag, is de rode draad van een ontwikkelingsroman die ook de tijd neemt voor de levensverhalen van een zestal andere personages, en op een humoristische maar niet onbenullige manier moraliseert over onder meer de gevaren van religieus fanatisme en het kille sociale leven van de moderne stadsmens.

The Cunning Man, dat geschreven is in Davies' kenmerkende licht-archaïsche stijl, is een Dickensiaans boek; vooral het eerste deel, waarin de jonge Jon na veel vallen en opstaan uiteindelijk sadder and wiser terecht komt in de maatschappij, doet erg denken aan Great Expectations of David Copperfield - of om een moderne parallel te noemen, aan The Cider House Rules van John Irving (waarin overigens ook een excentrieke dokter de hoofdrol speelt). Net als Dickens en Irving is Davies dol op breed uitwaaierende plots en op markante bijfiguren: zo paraderen in The Cunning Man een dorpsarts die bootlegger is, een classicus die nooit van huis gaat zonder zijn loodzware Griekse woordenboek en een onbeschrijflijk vies echtpaar. Maar terwijl de bijfiguren bij Irving soms zo gek zijn dat ze zelfs binnen een surrealistisch verhaal ongeloofwaardig worden (wie herinnert zich nog de lesbienne in berenpak uit The Hotel New Hampshire?), zijn ze bij Davies altijd op een herkenbare manier menselijk.

Literaire anesthesie

Nog memorabeler dan de eigenaardige personages zijn de tragikomische scènes die Dr. Hullah beschrijft. Als over vijftig jaar de plot van The Cunning Man diep is weggezakt in het geheugen, zal ik waarschijnlijk nog herinneren hoe Dr. Hullah in zijn studententijd gedwongen wordt om als zogenaamde deskundige een wedstrijd in Slechte Adem te jureren. En zeker hoe hij een vriend tijdens een niet te verdoven neusholteoperatie urenlang voorleest en zo de 'literaire anesthesie' praktiseert.

The Cunning Man, maar overigens ook ieder willekeurig ander boek van Robertson Davies, wemelt van de ongelukkige mensen, arme zielen voor wie het leven niet is geworden wat ze ervan verwachtten. De humanist Davies beziet ze met sympathie en beschrijft ze met ironie, of zoals hij het zelf met een archaïsme noemt, met drye mock. Ironie is nooit bitter of zuur, schrijft Dr. Hullah; het is een 'delicate casting of a cool and illuminating light on life, and thus an enlargement.'

Ondanks zijn humor, zijn humanisme, zijn wervelende plots en zijn onmodernistische schrijfstijl is Robertson Davies buiten zijn geboorteland nooit uitgegroeid tot een beroemdheid. Hij werd bewonderd door schrijvers als Bellow, Burgess en Irving, maar kreeg bijvoorbeeld in Engeland nooit voet aan de grond; in Nederland is zelfs zijn beste roman, de universitaire satire The Rebel Angels (1982) niet in vertaling verkrijgbaar. En hoewel zijn naam ieder jaar terugkeerde in de kandidatenlijstjes voor de Nobelprijs, is internationale erkenning eigenlijk uitgebleven. Dat is jammer, want hij verdient het gelezen te worden. Als geen ander ironiseert hij, om de slotzinnen van The Cunning Man te parafraseren, 'the Great Theatre of Life, where admission is free but the taxation is mortal.'