Echo's van de barbaren; De liefde van keltologe Maartje Draak voor oude vertelkunst

'Mijn naam is Draak; ik doe in sprookjes' - zo begon de vorige maand overleden keltologe Maartje Draak eens een college. De Utrechtse hoogleraar middeleeuwse literatuur W.P. Gerritsen, een van haar leerlingen, legt uit waarom ze een bezielende leermeester was. Behalve met sprookjes en andere volksverhalen hield zij zich bezig met de Middelnederlandse Arturromans. Haar grootste liefde waren vroeg-middeleeuwse Ierse epische verhalen, de oudste inheemse vertelkunst van Europa.

Een bibliografie van Draaks publikaties tot 1988 is te vinden in de bundel Monniken, ridders en zeevaarders, red. D.R. Edel, W.P. Gerritsen en K. Veelenturf (Amsterdam: Gerard Timmer Prods, 1988), waarin ook haar autobiografische relaas De levensloop van een draak is opgenomen. Belangrijke studies zijn herdrukt in Schimmen van het wester-eiland, Verkenningen in de Keltische traditie van het oude Ierland (Meulenhoff, 1977). Vertalingen van Oudierse verhalen, samen met Frida de Jong, zijn eveneens uitgegeven bij Meulenhoff: Van helden, elfen en dichters (1979), Het feestgelag van Bricriu (1986), De lastige schare (1990).

'Het moet erg eenzaam zijn voor een traditionele verteller in een wereld die geen belangstelling meer heeft voor de oude verhalen...' Maartje Draak, de grote kenner van de Keltische verhalenschat, die op 16 november is overleden, moet zich dit met een schok gerealiseerd hebben toen zij in 1953 luisterde naar Duncan Macdonald. Hij was een steenhouwer en keuterboer, afkomstig van het eiland South Uist, een van de Hebriden voor de westkust van Schotland, waar nog een handvol mensen een Schotse variant van het Gaelic spreekt en verstaat. Tot in de zeventiende eeuw vormden Ierland, de Hebriden en het Westen van Schotland één cultuurgebied, met dezelfde Keltische taal en dezelfde, grotendeels orale tradities. Tijdens een congres van volkskundigen en verhalenonderzoekers in Stornoway op het eiland Lewis vertelde Duncan Macdonald het verhaal Faer na h-Eabaid, De man in habijt.

Het ging over een Ierse prins, Murchadh, die in de Andere Wereld terecht kwam. Bij het jagen kreeg hij twee wonderbaarlijke dieren in het vizier: een hert met een gewei met een gouden en een zilveren tak en een witte hond met rode oren. Hij zette de achtervolging in, maar verloor de dieren in een dichte mist uit het oog. Daarop hoorde hij in de verte bijlslagen. Op het geluid afgaande, zag hij een geheimzinnige, in een zwart habijt geklede man, die bezig was hout te hakken. Zij raakten in gesprek. De man in het zwart stelde hem op de proef door hem te vragen hem te helpen een lading takken op zijn rug te tillen. Murchadh kon de bundel niet van zijn plaats krijgen; de zwaai waarmee de zwarte man vervolgens de takken op zijn rug slingerde, bracht een windvlaag teweeg die Murchadh omver wierp. Samen gingen zij op weg naar de woning van de man in het zwart. Dit bleek een prachtig paleis te zijn, waar Murchadh vorstelijk onthaald werd. Hier zag hij het hert en de hond terug, met halsbanden vastgebonden aan de muur. Daarop zag hij een vrouw van buitengewone schoonheid de zaal binnenkomen... De verteller vervolgde met een verhaal-in-het-verhaal, waarin de man in het zwart verhaalde hoe hij deze vrouw in een reeks gevechten met machtige tegenstanders had weten te veroveren. Het hele verhaal duurde vijftig minuten.

Andere Wereld

Het luisteren naar Macdonalds vertelling moet voor Maartje Draak een bijzondere ervaring zijn geweest. Zij kende de geschreven bronnen als weinigen. Nu was zij voor het eerst in haar leven getuige van een orale verteltraditie die sinds de Middeleeuwen onafgebroken was voortgezet en die nu vrijwel overal elders in West-Europa was uitgestorven. Zij kon de gesproken woorden vergelijken met twee transcipties van hetzelfde, eveneens door Macdonald vertelde verhaal, een uit 1950 en een uit 1944. De verschillen bleken gering in aantal en importantie, maar daarom niet minder interessant. Er was geen sprake van het mechanisch afdraaien van een uit het hoofd geleerde tekst, maar eerder van een herhaling met kleine variaties, aangepast aan de situatie. Macdonald had zijn verhalen in zijn jeugd, vóór het jaar 1900, van zijn vader geleerd. Zijn versie van het verhaal kon worden vergeleken met gegevens over twee oudere versies: een daarvan was opgetekend in 1817, de tweede kwam voor in een handschrift van rond 1690. Er kon geen twijfel bestaan dat Macdonalds versie, de laatste schakel in een lange keten van de ene verteller op de andere doorgegeven versies, in allerlei opzichten superieur was.

Wat haar nog meer boeide, was het feit dat Macdonalds verhaal allerlei elementen bevatte die zij kende uit Ierse verhalen, de oudste verhaalkunst die ons uit het middeleeuwse West-Europa is overgeleverd. De thematiek en de bouw van het verhaal komen sterk overeen met die van sommige Oudierse epische vertellingen. De conceptie van een Andere Wereld, waarvan de bewoners soms in contact treden met gewone stervelingen - een voorstelling die tot vóór de kerstening moet teruggaan -, blijkt in Macdonalds verhaal nog een bekend verhaalgegeven. Motieven als de witte hond met rode oren die de hoofdpersoon naar de Andere Wereld lokt, of de schreeuw die zwangere vrouwen en drachtige dieren tot ver in de omtrek een miskraam bezorgt, stammen regelrecht uit de vroeg-middeleeuwse Keltische verhaalkunst. Een oeroud element waren ook de zogenaamde 'runs', stereotiepe passages in ritmisch, allitererend proza, vaak zeer duister van inhoud, die als virtuoze versieringen, vergelijkbaar met de cadensen in een soloconcert, in het verhaal worden ingelast. Macdonald bleek deze techniek perfect te beheersen, al liet hij een zogenaamde 'sailing run', beschrijving van een schip dat de zee doorklieft, achterwege om zijn toehoorders niet te vervelen.

Op meer dan een plaats in het verhaal is sprake van een magisch vervoermiddel waarmee men een zee kan oversteken. De term in het Gaelic kan wellicht met 'waterhelm' vertaald worden. Het zou om een schip kunnen gaan, of wellicht om een deel van de uitrusting van een krijger. Maartje Draak heeft zichzelf nooit vergeven dat zij de verteller niet gevraagd had wat hij dacht dat deze magische voorwerpen waren. Wellicht was hij de laatste die deze vraag op gezag van de traditie had kunnen beantwoorden. Een jaar na hun ontmoeting is hij gestorven.

Snijpunt

Nu ik probeer de wetenschappelijke levensloop van Maartje Draak te overzien, komt het me voor dat haar ontmoeting met Duncan Macdonald van South Uist in de herfst van 1953 een punt is waar verschillende lijnen van haar bestaan als geleerde elkaar snijden.

Allereerst haar belangstelling voor sprookjes, of ruimer: voor de verhaalkunst van de ongeschoolde, ongeletterde, arme gemeenschap. Tot in de negentiende eeuw, en in afgelegen streken nog tot ver in onze eeuw, is het luisteren naar verhalen de favoriete tijdpassering tijdens de lange winteravonden geweest. Onder het snel-vlietende oppervlaktewater van de voortdurend veranderende 'hoge' literatuur vloeit, veel trager, een conservatieve onderstroom van mondeling doorgegeven verhalen en liederen. Terwijl rijken en de machtigen een voorkeur hebben voor verhalen met een tragisch, droevig slot, vinden de materieel minder bedeelden verpozing en vertroosting in verhalen waarvan van te voren vaststaat dat de afloop gelukkig zal zijn. Boven- en onderstroom hebben elkaar in de loop der eeuwen steeds weer incidenteel beïnvloed. Een befaamd voorbeeld hiervan levert de Roman van Walewein, een dertiende-eeuwse Arturroman die zonder twijfel voor een aristocratisch, hoofs publiek is gedicht, maar waarvan de plot is ontleend aan een wijdverbreid sprookje. Deze ontlening was al in 1894 gesignaleerd door de grote Engelse literatuurhistoricus W.P. Ker, maar het was Maartje Draak die in 1936 Ker's ontdekking - die in Nederland onopgemerkt was gebleven - in haar proefschrift met een overvloed van bewijsmateriaal onderbouwde. (Het zou niet voor de laatste keer zijn dat zij haar vakgenoten met hun eigenwijze neuzen op de buitenlandse vakliteratuur drukte...)

Terwijl het onderzoek van volksverhalen in het buitenland (Finland, Duitsland, Ierland, etc.) een hoge vlucht nam, bleef Nederland achter, ondanks het werk van verdienstelijke pioniers. Dat had ook te maken met het feit dat het sprookje als oraal genre hier te lande al vroeg wegkwijnde. Een 'verlate Middeleeuwer' als de begaafde verteller Egbert Gerrits uit Rütenbrock, vlak over de Duitse grens bij de zuidpunt van de provincie Groningen, wiens volledige repertoire rond 1935 werd opgetekend (en pas in 1951 door een Duitse publikatie toegankelijk werd gemaakt), is een hoge uitzondering. Nederlanders, aldus Maartje Draak, hebben hun sprookjes al vroeg verloren omdat ze zich ervoor generen voor kinderlijk of sentimenteel door te gaan.

Artur en Brandaan

Een tweede lijn van haar onderzoek betreft de bijdrage van de Keltische wereld aan de Europese cultuur. Daarbij valt (onder veel meer) te denken aan de verhalen rond koning Artur en aan de overlevering omtrent de Ierse heilige Sint Brandaan. Wat de laatste betreft: Ierse monniken moeten berichten over de wonderbaarlijke zeevaart van deze zesde-eeuwse abt hebben meegebracht op hun reizen naar het Continent, waar zij een netwerk van kloosters hadden gesticht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Maartje Draak aan een editie van het Middelnederlandse Brandaangedicht uit de twaalfde eeuw, dat door Bertus Aafjes van een berijmde vertaling werd voorzien. Door omstandigheden kon dit boek pas in 1949 verschijnen. De inleiding bracht een van haar grote talenten aan het licht: zij verstond de zeldzame kunst om voor leken begrijpelijk en enthousiasmerend te schrijven, zonder concessies te doen aan het wetenschappelijk niveau van haar betoog.

Ook de Arturstof is van orale Keltische herkomst, al is de Arturroman een creatie van twaalfde-eeuwse Franse dichters als Chrétien de Troyes, die gebruik maakten van verhalen die in het orale circuit de ronde deden. In de jaren '50 en '60 was het mode om op zoek te gaan naar wat men hield voor de oorsprong van motieven en verhaalschema's in een vaag-gedefinieerde Keltische mythologie. Onderzoekers die vaak geen woord van de betrokken talen konden lezen, ontzagen zich niet allerlei bronnen in Welshe en Ierse teksten aan te wijzen. Maartje Draak heeft zich herhaaldelijk fel verzet tegen dit gegoochel met parallellen. 'Gebeunhaas', was haar commentaar. Haar eigen werk op het terrein van de Arturistiek kenmerkte zich door een strenge filologische discipline, waarbij het respect voor de overgeleverde teksten steeds vooropstond. Vooral haar studie over de Middelnederlandse Lancelotromans heeft het vak in nieuwe banen geleid.

Echodieplood

Maar haar grootste liefde op literair gebied ging toch uit naar de Oudierse teksten uit de achtste en negende eeuw, die herinneringen bewaren aan 'een wilde Europese voortijd', een cultuurfase die vergelijkbaar is met de wereld waarin de Homerische gedichten zich afspelen. 'A window on the Iron Age', heeft Kenneth Jackson deze literatuur genoemd, en Maartje Draak sprak van 'een echodieplood naar het Europa der barbaren, koppensnellers-praktijken, veelsoortige magie, noodlotsbesef en bovennatuurlijke wezens inbegrepen'. Tot ons geluk heeft zij zich ook op dit terrein niet beperkt tot publikaties voor de vakgenoten. Samen met haar leerling Frida de Jong zorgde zij voor een reeks vertalingen van Oudierse verhalen. Gaat het bij moderne weergaven van Oudierse verhalen maar al te vaak om vrije bewerkingen, waarbij een soort pseudo-authentiek idioom wordt aangewend en duisterheden worden verdoezeld, Draak en De Jong hebben als vertalers nergens water bij de wijn willen doen. Hun vertalingen zijn niet bedoeld als vlotte lectuur, maar eerder voor een proevend en keurend lezen, in het besef dat het verleden een ver, vreemd land is. Wie constateren wil hoe middeleeuwse verhalen via de mondelinge overlevering op elkaar kunnen inwerken, die leze wat Maartje Draak in haar nawoord bij de vertaling van Het feestgelag van Bricriu heeft geschreven over de samenhang tussen dit Oudierse verhaal en het beroemde Middelengelse gedicht Sir Gawain and the Green Knight van vele eeuwen later.

Verwondering

Wat maakte Maartje Draak als geleerde en leermeester tot een zo inspirerende figuur? Haar stijl van schrijven en spreken vormt zeker een deel van de verklaring: levendig, geestig, grillig soms, maar altijd doeltreffend en precies. Die stijl was de exponent van een eigenzinnig karakter, dat behagen schepte in een zekere excentriciteit, maar dat evenzeer bepaald werd door een diepe loyaliteit jegens alles wat zij tot haar opdracht vond behoren. Zij kon giechelen als een bakvis als iets haar trof als komiek of nodeloos gewichtig, maar menigeen heeft ervaren hoe scherp haar tong kon zijn als iets haar niet beviel. Toch maakte dit alles haar nog niet tot een bezielende leermeester. Beslissend daarvoor was iets dat ik niet beter kan aanduiden dan als de gave van de verwondering. Of het nu een Ming-kommetje was of een Japanse prent (zij was een hartstochtelijk verzamelaar van oosterse kunst), een Oudierse glosse tussen de regels van een handschrift uit Sankt-Gallen, een duistere woordenwisseling in een Iers verhaal, een avontuur van Walewein, of een ogenschijnlijk simpel toversprookje - Maartje Draak had de gave zich te verbazen over het bijzondere, het unieke van zo'n partikeltje mensenwerk. Zij kon die verwondering overdragen op haar leerlingen en op haar lezers, en daardoor wist zij het oude als nieuw te maken. De Nederlandse cultuurgemeenschap heeft in haar een singuliere persoonlijkheid verloren.

    • W.P. Gerritsen