Democratisering is de kernvraag van verenigd Europa

Het kardinale vraagstuk waarvoor Europa staat is niet het vraagstuk van verdieping of uitbreiding, maar van een democratisering tegen de klippen op. De klippen namelijk van het 'laat ons maar begaan dan komt alles in orde' der bureaucraten en politici. De enkele keren dat de democratie zich formeel en rechtstreeks met de Europese gang van zaken bemoeide, de referenda over 'Maastricht' in Denemarken en Frankrijk en vervolgens weer in Denemarken, ontsnapte 'Europa' ternauwernood aan een stevige terugslag. Toch zal het zijn of niet-zijn van een succesvolle Europese integratie ten slotte afhankelijk blijken van een geslaagde democratisering.

De democratisering ìn Europa is niet hetzelfde als de democratisering vàn Europa. Het eerste proces voltrok zich via tal van nationaal onderscheiden varianten en etaleerde zich sinds de Tweede Wereldoorlog vooral als een emancipatoire kracht ten behoeve van achtergebleven groepen.

De 'verzorgingsstaat' was het opvallendste produkt. Het hoogtepunt ervan werd bereikt halverwege de jaren zeventig. Met de tweede oliecrisis kwamen de grenzen in zicht: een no nonsense- en ombuigingsbeleid van minder meer en tenslotte van gewoon minder kreeg geleidelijk de overhand. Ondanks enkele sociale erupties, gevolg van het ontwaken uit de droom van de verdelende rechtvaardigheid, bleef de democratie in de Europese landen toch min of meer op haar benen staan.

Het verenigd Europa was al vroeg een anker voor de nieuwe soberheid. Als de macht van de ministers van landbouw binnen de Gemeenschap het tijdperk van het leeggieten van de hoorn des overvloeds heeft getypeerd, dan heeft de sinds het begin van de jaren tachtig gestaag toenemende invloed van de ministers van financiën de tering naar de nering helpen zetten. De boeren, eens de dankbare objecten van de Gemeenschappelijke Agrarische Politiek, werden als eersten met de knellende gevolgen van die verandering geconfronteerd. De radicalisering van deze beroepsgroep valt hier rechtstreeks op te herleiden.

Maar het is pas sinds 'Maastricht' dat de bevolking in het algemeen vraagtekens plaatst bij de invloed van het verenigd Europa op de inhoud van portemonnee en bankrekening. Het begon met de Duitse populaire pers onmiddellijk na het bekend worden van het voornemen nog deze eeuw een Economische en Monetaire Unie van de grond te krijgen en een Europese munt in te voeren. Herr Bundesbürger vroeg zich via de hem vertrouwde populistische kanalen af in hoeverre de waardevastheid van zijn vaak nog prille vermogen door dit experiment in gevaar zou worden gebracht. Een vraag die inmiddels luid en duidelijk door de Duitse bankiers is overgenomen.

De Duitsers vrezen samen met andere, in hun ogen op onverantwoord grote voet levende, nationaliteiten in een Europese smeltkroes te verdwijnen en zo de pest van een onbeheersbare inflatie weer in huis te halen. De regeringen van de Europese partners, verrast door de Duitse oppositie, beloofden beterschap en een drastisch aanhalen van de nationale broekriem.

Om te beginnen hadden zij hun valuta vastgepind op een waarde die niet al te ver van die van de mark was verwijderd. Die aanpak mislukte, omdat de aanpassing van het achterliggende financiële en sociale beleid niet in het noodzakelijke tempo en met de vereiste hardheid werd doorgevoerd. Zelfs beproefde industrienaties als Italië en het Verenigd Koninkrijk moesten afhaken.

De keerzijde van het Duitse verzet manifesteert zich nu in Frankrijk. De beoogde terugdringing van het financieringstekort van de Franse overheid en van de overbelasting van de sociale fondsen heeft tot een stakingsexplosie geleid die herinneringen oproept aan de gebeurtenissen van 1968. Weliswaar probeert de regering-Juppé de eer aan zichzelf te houden en de sanering als een kwestie van uitsluitend nationale noodzaak voor te stellen, maar de Europese dwang waarvoor zij zich buigt, kan niet langer voor de Fransen verborgen worden gehouden. Een Frans referendum nu over de voornemens van 'Maastricht' zou dan ook voor Europa een hachelijke zaak worden.

Een democratisering vàn Europa, nauwkeuriger gezegd van de Europese instellingen en het door hen gevoerde beleid, zou op die manier in regelrechte tegenstelling kunnen komen te verkeren met het zijn van Europa, van het zich verenigende Europa. En dan gaat het niet in de eerste plaats om een verdere uitbreiding van de bevoegdheden van het Europese parlement. Die instantie speelt in de grote vragen waarvoor de Europese eenwording is gesteld, nog steeds een bescheiden rol. Het verzet tegen Europa ontstaat juist uit de Europese bewustwording van de Europese burgerij.

Europese sceptici zagen de door hen gesignaleerde afwezigheid van die bewustwording als een kenmerkende zwakte van het Europese eenwordingsproces. En daarin hadden zij gelijk. Maar nu Europa als een factor van betekenis het dagelijks leven van de burgers binnenkomt, en nu die burgers zich dit beginnen te realiseren, dreigt een averechts effect.

Het is niet langer een zaak van onbelemmerd verkeer van personen, goederen en diensten alleen en van public relations, zoals na 'Maastricht' werd verkondigd. Meer uitleg betekent inderdaad meer helderheid, maar meer helderheid leidt niet automatisch tot groter enthousiasme. Integendeel.

Vanzelfsprekend laten politiek en bureaucratie het niet bij de onheilsboodschap van grotere zuinigheid. Zij tekenen een wenkend perspectief. De Europese Commissaris voor economische zaken en financiën, Yves-Thibault de Silguy, voorspelt bijvoorbeeld in Le Monde dat de komende drie jaar netto meer dan vier miljoen banen kunnen worden geschapen als het soberheidsbeleid wordt volgehouden en de doelstellingen van 'Maastricht' worden gehaald. Het spook van de chronische werkloosheid kan worden uitgedreven, als nu de nodige offers worden gebracht, doceert hij.

Maar de Duitse spaarder en de Franse pensioengerechtigde laten zich moeilijk overtuigen. Is degene die nu de offers brengt, dezelfde die straks de winst, als die er al is, mag binnenhalen?, zo luidt hun bange vraag.

Het verenigd Europa is sinds zijn ontstaan aanbevolen als een stimulans voor groeiende welvaart voor allen. Nu die belofte van een 'mits' wordt voorzien, wordt de vanzelfsprekendheid van de eenwording snel minder. De Europese burger laat zich gelden, en dat kan onder de gegeven omstandigheden tot vertraging leiden van het proces van eenwording. Maar ook tot een betrokkenheid die Europa tot dusver ontbeerde. Met die paradox zal de politiek haar voordeel moeten doen.