De verjaardag van de nachtegaal; Achter een muur

De nachtegaal vierde zijn verjaardag achter een muur.

Ik zie er onooglijk uit, dacht hij.

Als hij iemand aan hoorde komen riep hij:

'Gooi je cadeau maar over de muur.'

Zijn gasten riepen: 'Gefeliciteerd, nachtegaal!', gooiden hun cadeaus over de muur en wachtten tot de nachtegaal ze had uitgepakt.

'Hm', zei hij telkens. 'Ja, dat is wel een goed cadeau. Dank je wel.'

Hij gooide voor iedereen een taart over de muur terug.

Tegen de avond zat de nachtegaal aan de ene kant van de muur, tussen al zijn cadeaus, en zaten de dieren met zijn allen aan de andere kant.

'Is mijn verjaardag gezellig?', riep hij.

'Ja hoor', riepen ze terug en veegden de kruimels van hun snavel en mond.

Toen het helemaal donker was begon de nachtegaal te zingen. De dieren zaten doodstil te luisteren. De nachtegaal zong over de zon, die lang geleden nog vleugels had en langzaam klapwiekend door de hemel vloog en nooit daalde, en hij zong over de maan, die toen nog 's nachts door de rivier zwom.

De dieren bogen hun hoofd. Het lied van de nachtegaal leek wel te leven en over de muur heen te klimmen en vlak boven hun hoofd rond te zweven. Ze zagen de vleugels van de zon voor zich, en hoe hij ze een keer ergens had laten liggen en ze niet meer kon vinden en altijd maar bleef zoeken, elke dag opnieuw, hoog in de hemel, en in het donker, onder de wereld. Vurig en wanhopig. Maar hij vond ze nooit. En ze zagen de maan, die de rivier uitzwom, de lucht in, om 's nachts de zon te helpen. Steeds hoger zwom hij, zo licht was hij.

Plotseling was het lied uit.

'Zo', zei de nachtegaal. 'Nu is mijn verjaardag voorbij. Dag.'

Meer zei hij niet.

De dieren bedankten hem en liepen even later zwijgend naar huis. Ze zuchtten af en toe en hoopten dat de nachtegaal vlug weer jarig was of iets anders wilde vieren. Maar dat weet je nooit, dachten ze en schudden hun hoofd.