De taal balkt niet

Volkskundig Bulletin 21,2 van het P.J. Meertens-Instituut. Aldaar te bestellen (020-6234698). Prijs ƒ 25,-.

Het ergste zijn de harde g's, de ij-en en de ui-en. Zij zijn bijna onzingbaar. Trouwens ook de lange 'aa' en 'oo' in 'naar school' zijn een ramp voor zangers - althans volgens sommigen. Zij noemen het Nederlands dan ook een onzingbare taal. Maar niet iedereen denkt er zo over. Seth Gaaikema, vertaler van onder meer de musical My fair lady, vindt het Nederlands 'stug maar ook lief'. En componist Peter Schat zei over zijn Nederlandstalige opera Symposion: 'Mensen die beweren dat het Nederlands niet zingbaar is zijn amusische ezels die denken dat het de taal is die balkt en niet zij.'

De discussie over 'de positie van het Nederlands in de muziek' is van alle tijden. Dat blijkt uit het Volkskundig Bulletin, Tijdschrift voor Nederlandse cultuurwetenschap, dat het laatste nummer van dit jaar aan dit thema heeft gewijd. In een overzichtelijk inleidend artikel laat Louis Peter Grijp zien dat al in de Renaissance de componisten die nu bekend zijn als 'de Nederlanders' en van wie mag worden aangenomen dat ze Nederlands spraken, veel meer Franse dan Nederlandse liederen schreven. Pierre de la Rue bijvoorbeeld, die in Den Bosch en Mechelen werkte, componeerde 31 Franse chansons en slechts één Nederlands lied. Grijp telde 222 Franse tegenover slechts 49 Nederlandse wereldlijke liederen in de vijftiende en zestiende eeuw, ondanks de oproep van de Antwerpse muziekdrukker Tielman Susato aan 'constighe geesten' om meer liederen te schrijven 'in onser Nederduytscher talen'.

Tot in deze tijd is dat eigenlijk zo gebleven, ondanks kortstondige oplevingen in het midden van de zeventiende eeuw ('als een uiting van het groeiend zelfbewustzijn van de jonge Republiek') en omstreeks 1830 (de Belgische Opstand). In de popmuziek is het Engels de voertaal. Pas aan het begin van de jaren tachtig kwam daarin, mede door de groep Doe Maar, een klein beetje verandering. Paul Rutten beschrijft de Nederlandstalige popmuziek als 'een synthese van eigen en mondiale cultuur'. Hij verbaast zich erover dat de opkomst van popmuziek in het Nederlands zelden wordt gezien als 'een ontwikkeling die ingaat tegen de door velen waargenomen stroom van Anglo-Amerikanisering'.

Uit een artikel van Marjolein Strevelaar blijkt dat de discussie zich bij de opera niet beperkt tot oorspronkelijk Nederlandstalige werken. Met een zekere regelmaat is er gedebatteerd over het vertalen van buitenlandse opera's, iets wat in Duitsland heel gewoon is. Critici hebben steeds gewezen op de belabberde vertalingen. Hugo Nolthenius, hoofdredacteur van het Weekblad voor Muziek, schreef in 1900 dat de meeste vertalingen volzaten met 'verhollandschte Duitschigheden als 'avondlijk', 'morgendlijk' en 'huldrijk'.' Naar aanleiding van een enquête over dit onderwerp in het Algemeen Handelsblad (1916) schreef Louis Couperus echter dat het Nederlands eleganter is dan het Duits, menselijker dan het Frans en rijker dan het Engels.

De laatste jaren gaat het goed met de Nederlandstalige opera. Rokus de Groot becijferde dat het overgrote deel (ruim 60 procent) van de muziekdramatische werken sinds 1945 in het Nederlands wordt gezongen. Maar maakt dat eigenlijk iets uit? Er bestaat tenslotte boventiteling en gezongen Nederlands is op het podium vaak net zo moeilijk te verstaan als elke andere taal.