De liefde leeft niet

Er zijn waarschijnlijk nog meer Griekse liederen over scheiding dan over liefde. Maar scheiding kan tot twee uiteenlopende dingen leiden: opluchting of leed. Talrijk zijn de zangen waarin het eerste wordt beleden. Eén van de bekendste liederen van de ooit zeer populaire Nikos Gounaris, die buiten het rebètiko-circuit stond, heet 'Die andere'. Daarmee wordt de man aangeduid die iemand zijn vrouw afhandig heeft gemaakt en die bij nader inzien 'mijn grote weldoener' wordt genoemd. Het is me vele malen verrukt voorgezongen door een oude man die zei dat het op hem sloeg.

'Ik loop en ijl (spreek wartaal)', aldus een zeïbèkiko van Papaioannou, 'over mijn ongeluk/ we zijn uit elkaar en ik, arme, heb mijn vreugde gevonden./ Over liefde hoef ik m'n hoofd niet meer te breken/ één keer ben ik erin gelopen/ dat zal geen tweede keer gebeuren/ ik ben je vergeten, zeg ik je, je bent/ niet meer in mijn gedachte/ huil niet en jammer niet/ ik verander niet van mening.'

Soms ook zijn man en vrouw het in een samenzang eens dat ze uit elkaar moeten. 'Ruzietje, nog een ruzietje, de liefde leeft niet. We moeten scheiden, we kunnen niet met elkaar' (of: samen maken we geen dorp, zoals een Griekse uitdrukking zegt). In een lied van de laatste tijd zingt een vrouw dramatisch: blijf nog één kwartier, zolang als een koffie duurt.

Gelaten is ook de grote chasápiko van Tsitsánis: 'Vandaag, morgen, nu meteen, wat maakt het uit?/ laten we één uur eerder schoon schip maken/ het uur van onze scheiding is aangebroken/ het kan voor ons beiden beter zijn/ en als we wachten, wat zullen we winnen?/ aangezien de sjagrijn als een noodweer loskwam/ zullen we allebei ongelukkig worden op deze weg.'

Dezelfde Tsitsanis heeft ook troostende woorden voor de verlatenen. In een andere beroemde chasapiko uit 1848 heet het: 'Wanhoop niet, 't zal niet lang meer duren/ op een vroege morgen zal hij bij je komen/ hij zal je nieuwe liefde vragen/ heb een beetje geduld/ verdrijf de wolken uit je hart/ en doorwaak de nacht niet huilend/ ook al is hij niet in je armen/ op een dag komt hij, vergeet het niet/ Hij zal je wekken bij de zoete morgenstond/ en jullie liefde wordt herboren/ nieuwe liefde zal hij je vragen/ heb een beetje geduld'. Ik ken iemand die kracht putte uit dit lied, evenals uit het veel later voor Charis Alexíou geschreven: 'Als een liefde sterft, sterft het leven niet'.

Maar een zeïbèkiko van Papaioannou, één van de meest gespeelde rebètika, bejammert een jaar later de scheiding, die de man bij uitzondering - indirect - zichzelf wijt: Vóór het ochtendgloren ben ik geheel alleen op pad gegaan/ ach en naar ons eerste plekje/ ben ik bij dageraad teruggekeerd/ Ook al had een andere vrouw mij ingepakt/ ach, jou heb ik lief en ik ben bij jou teruggekomen/ voordat het dag werd/ Nog voordat de sterren verbleekten ben ik van huis gegaan/ ach, om jouw twee lippen terug te vinden/ waar ik nooit genoeg van kreeg'.

Liefde die hij toch niet kwijt kan raken kwelt ook de schrijver van de Brief, het beroemde zeïbèkiko-lied van Zambettas uit 1957: 'Als je deze brief ontvangt/ ben ik ver weg/ en zul je geloven dat er in één hart/ geen plaats is voor twee liefdes/ Als je deze brief ontvangt/ zul je huilen met een zwarte snik/ Jij sprak altijd met een masker/ wat wil je met twee omhelzingen/ waar vond je geschreven/ te spelen met twee harten tegelijk/ Hier eindigt een verhaal/ met deze droevige brief/ ik heb geen spijt dat ik je liefhad/ maar het verdriet mij dat ik je liefheb'.

In een mooi lied van Akis Panou, geschreven voor de zanger Bithikótsis, wordt de vertrekkende vrouw aangezegd dat ze er zelf meer spijt van zal krijgen: 'Ik weet wel dat je ver van mij weggaat/ weg uit mijn armen/ zul je vliegen als een vogel/ ik weet dat we beiden zullen huilen/ bij het treurigste afscheid/ bij de bitterste kus/ Maar als het uur slaat/ dan zal, mijn gouden hart/ het ergste noodweer/ voor jou zijn/ Niet even heb je me gevraagd, niet heel even/ of, bij al het andere/ dit verdriet er nog wel bij kon/ Wanneer keer je weer terug/ hoeveel nachten moet ik aftellen/ voor ik je weer zal zien!'

Ten slotte een hoogst roerend lied over een scheiding van wel heel bijzondere aard: op grond van leeftijdsverschil. Het is geen rebètiko maar eerder een veredeld volkslied, gecomponeerd in de negentiende eeuw. Men vindt het, met kleine wijzigingen (verstedelijkt) in de liederenschat van de sefardische joden die tot de Tweede Wereldoorlog bij tienduizenden in Thessaloniki woonden. Op een roerige bouzouki-avond doet het dienst als meezinglied als de mensen even te moe zijn om te dansen: 'Ik had een herderinnetje lief/ een veelbegeerd meisje/ ik beminde haar zeer/ ik was een vogeltje zonder stem/ een jongen van tien jaar/ Op een dag zat ik/ in de bebloemde wei/ Maro, ik heb je wat te zeggen/ Maro, ik heb je lief, zei ik/ ik ben gek op je/ Ze nam me bij m'n middel/ en kuste me op de mond/ en zei: voor de zuchten/ en de smarten van de liefde/ ben jij nog te jong/ 'k Ben opgegroeid en verlang naar haar/ maar zij verlangt naar een ander/ ik kan niet meer vergeten/ die kus van jou.'