De gehoorzaamheid van de zonnebloem; Tentoonstelling van bloemstillevens in Bielefeld

Ranonkels, keizerskronen, anemonen en turkse lelies werden in de zeventiende eeuw omringd door schedels om de vergankelijkheid te verbeelden. Nu laten kunstenaars bloemen op een foto verschrompelen tot een hoopje kleffe viezigheid. In Bielefeld is een expositie van bloemstillevens door de eeuwen heen.

Kunsthalle Bielefeld, Artur-Ladebeck-Strasse 5, 33602 Bielefeld. Tot 25/2. Geopend: dag. 11-18 uur, wo. tot 21 uur, za. vanaf 10 uur. Catalogus: DM 49,-. Paul Taylor: Bloemstillevens in de Gouden Eeuw. Uitg. Waanders, Prijs ƒ 89,50. Dictionaire van bloemenschilders; Belgische en Hollandse kunstenaars geboren tussen 1750 en 1880. Uitg. Beauchez Belgium. Prijs: Bfrcs 5.500,-

Hij woonde in een vallei in het hart van de Provence. Zijn huis lag tussen de fiere cypressen tegen de helling verankerd. Het atelier grensde aan de binnenplaats, een ruimte die was uitgehakt in de rotswand. Alle seizoenen leken tussen die rotswanden milder dan in werkelijkheid.

Misschien woont die zonderlinge schilder Jaap Gardenier daar nog steeds en misschien werkt hij ook nog gestaag verder aan zijn boeken. Tezamen vormden ze een uitdijend herbarium. De leemte tussen het ene en het andere schilderij, als het moment gekomen leek dat er nooit meer iets op het platte vlak kon voorvallen, vulde hij op met het tekenen van bloemen en planten. Hij inventariseerde de schepping in dummies. Daar hoefde hij niet ver voor te reizen. Rondom het huis groeide van alles en nog wat voor de vuist weg. De blauwe iris, de bamboe en de zonnebloem reiken er verder naar de hemel dan elders.

Dat herbarium moet nu honderden bladen tellen. Eerst gingen de wilde orchideeën in inkt, en daarna in aquarelverf het papier op. Mocht de oogst van eigen tuin intussen binnen zijn, dan zullen andere Provençaalse plekken uitkomst bieden. Zoals de tuin van die Britse theemagnaat, die nooit iets anders hoefde te doen dan samen met zijn butler op ver afgelegen reisbestemmingen de zeldzaamste zaden te vergaren. Hij leek een beetje op De man die bomen plantte, dat net verschenen 'waarachtige' verhaal van de Provence-schrijver Jean Giono; over een eenzame herder die vele jaren achtereen zijn eikels en ander zaaigoed in de grond stopte, en zo stilletjes, in het begin van deze eeuw een kale Provence-streek, tot zo ver het oog reikte, in zijn eentje beboste. Een mooie karakterschets van een kennis van Giono, een engel met een hoog ontwikkeld eco-bewustzijn. Later bleek uit feitenonderzoek dat die engel helaas nooit geleefd heeft.

Dat monnikenwerk van die schilder in de Provence propageerde men vroeger nog wel eens op academies: als je niet meer weet hoe je verder moet, teken en schilder wat dichtbij ligt; de tuin bijvoorbeeld. Een methode om uit zo'n onherroepelijke put te raken, om de tekentechniek te slijpen, om op nieuwe onderwerpen te stuiten. Het herbarium bood uitkomst, maar lijkt in zijn ambachtelijkheid nu hopeloos ouderwets.

Want neem nu de Spaanse kunstenaar Joan Fontcuberta: Ook hij werkt gestaag aan zo'n tuininventarisatie. Met dat verschil dat hij zich weinig aan de natuur gelegen laat liggen. Hij observeert niet, hij creëert zijn eigen tuin met zijn eigen bizarre groeisels. Nu het ideale mensbeeld zich via elektronische fotoapparatuur laat componeren, nu staat ook het lelietje-van-dalen niets meer in de weg om uit de kaktus te ontkiemen.

Het herbarium van Fontcuberta bevat dan ook geen tekeningen maar foto's van spiksplinter nieuwe flora, 'kweken' uit halfvergane bladresten, dorre scheuten, dode stengels, dotten van pluizen en verse bloembladeren. 'Braohypoda frustrata' heet een masochistische creatie, waarbij de doornen eerst zijn afgesneden en daarna met de scherpe punt weer in de stengel zijn geplant.

Vanitas-stillevens

Tentoonstellingsbezoekers lopen aan Fontcuberta's botanische neuroses voorbij. Het summiere detail is niet gediend met vluchtigheid. Nog meer close-ups van planten, nog meer bloemen, zal men denken. Want hoe ver we ook teruggaan in de kunstgeschiedenis - van het oude Egypte, de muurschilderingen op Thera, de Griekse vazen, de fresco's van Pompeï en de middeleeuwse getijdenboeken tot de renaissance-portretten, het vanitas-stilleven in de Gouden Eeuw, het impressionisme en de art déco - de flora poseert al net zo lang voor de beeldend kunstenaar als de mensheid.

Het fotowerk van Fontcuberta hangt op de tentoonstelling Blumenstücke - Kunststücke in de Kunsthalle in Bielefeld. Her en der heeft de Kunsthalle bruiklenen verzameld. Ze dateren van de zestiende eeuw tot nu, werk van 55 grote namen als Jan Davidsz. de Heem, Roelant Savery, Jan van Huysem, Georgia O'Keeffe, Alexej von Jawlensky, Sigmar Polke, Paul Klee en Robert Mapplethorpe. De kleurenfolder voorspelt een oase in de alom heersende, winterse kaalslag.

Giacometti schetste in zwarte inkt zo levendig een kamerinterieur met een vaas bloemen op tafel dat je net als in een stripverhaal neigt te wachten op het moment dat iemand diezelfde kamer binnenstapt. Vlakbij de soft-focus geschilderde gele tulpjes van Gerhard Richter hangen in Bielefeld een paar versies van de amaryllissen die Erik Andriesse in de apotheose van hun bloei heeft opgevoerd in het noodlottige gezelschap van skelet-fragmenten.

Marie-Jo Lafontaine, toch geroemd om haar net zo wellustige als aanstootgevende Documenta-video, plaatste pal tegen de cameralens een grote bos wijnrode rozen en ze blies dat dramatisch belichte beeld vervolgens net even te gemakkelijk op tot een pompeus billboard in een etalage-achtig kader. En tegenover de hypergave bloemportretten van Robert Mapplethorpe demonstreert de Japanner Nobuyoshi Araki hoe onherroepelijk desastreus het diezelfde Mapplethorpe-toonbeelden van schoonheid korte tijd later zal vergaan, hoe snel zijn fotografisch gefixeerde 'Verlangsamung des Verfalls' zich zal voltrekken.

Araki is een meesterfotograaf. Hij leeft enkel en alleen door de lens, zo lijkt het. Zijn oog is non-stop alert op ellende; voor de stedelijke misère van Tokio, voor het trage sterven van zijn vrouw, voor de seksuele perversiteiten van zijn landgenoten. Hij laat zien wat men liever niet onder ogen ziet. De angst voor verval en afscheid wordt ten volle uitgebuit door waakzaam datzelfde proces van onttakeling vast te leggen. En misschien maakt de extreme lelijkheid die zich in zoveel toonaarden om hem heen manifesteert dat eigen definitieve afscheid te zijner tijd er wel gemakkelijker op. Wie zal zeggen wat zijn drijfveren zijn.

Wat zich fotografisch op de rand van kitsch beweegt, het innerlijk van de lelie bijvoorbeeld, krijgt bij Araki de gedaante van een gitzwarte krater waarin een gele stamper lava-achtig oplicht. Bijna manshoog portretteerde hij in grijzen een boeket van gestippelde kelken. Een paar exemplaren strekken zich nog genereus uit, bereid om alles te geven wat ze in huis hebben. Andere zijn al gereduceerd tot duistere schaduwen of verschrompeld tot een hoopje kleffe viezigheid. De dood is driftig aan het werk.

Vochtig veldbloempje

Vergeleken met Araki lijkt menige eigentijdse kunstenaar, wat het bloemstilleven betreft, zich in Bielefeld er een beetje van af te maken. Joseph Beuys drukte wat vochtige veldbloempjes plat in een schetsboek, Sigmar Polke is vertegenwoordigd met een niet noemenswaardig pointillistisch experiment uit de jaren zestig, en een klein vroeg doekje van Georgia O'Keeffe, een witte bol in groene pot, kan nog lang niet tippen aan de monumenten die ze later op het doek voor bloemen zou oprichten.

Wat rest als bezienswaardigheid naast de tweederangs werken van eersterangs kunstenaars, is vooral een serie oude meesters, zij die net als die zonderling in de Provence zich de natuur tot voorbeeld stelden. De Belgische uitgeverij Berko publiceerde dit jaar een vuistdikke Dictionaire van bloemenschilders (Belgische en Hollandse kunstenaars geboren tussen 1750 en 1880) en in het onlangs verschenen boek Bloemstillevens in de Gouden Eeuw zet Paul Taylor de ontwikkeling van dit genre in zijn hoogtijdagen nog eens op een rijtje.

Bloemen op doek, lange tijd toch saai bevonden, genieten blijkbaar meer populariteit, maar of ze ooit nog die bewondering zullen oogsten waaraan Taylor refereert valt te betwijfelen. Hij beschrijft hoe de tulpomanie toesloeg, hoe het boeket het aanzien kreeg van een rariteitenkabinet met allerhande schelpen en insecten, hoe complex en omstreden de iconografie wel niet is, en hoe zes papegaaietulpen die Ambrosius Bosschaert als gesteven linnen servetjes schilderde, zoals de Kunsthalle laat zien, zich pontificaal opbliezen tot de praalzuchtige guirlandes van Jan Davidsz. de Heem. De laatste schilder had geen schedels of crucifixen nodig om ons met de neus te drukken op de fatale afloop van al die levenslustige onstuimigheid die ranonkels, keizerskronen, anemonen, turkse lelies, bereoren en witte 'Prinsen van Groot Brittanië' tentoonspreiden.

Menige gefortuneerde Hollander wist in de zeventiende eeuw nog wel welke symboliek en goddelijke tekens van tijdelijkheid hij met zo'n kleurencascade van De Heem in huis haalde: De zuiverheid van de lelie, de goedaardigheid van het viooltje, de gehoorzaamheid van de zonnebloem en de opzichtigheid van de tulp. Hoewel men die moraliteit net zo handig weer wist te koppelen aan een gevoel van status en een genot van wereldse weelde, fluisterde desondanks het geweten bij tijd en wijle 'Schoonheyt is maer enkel waen'. In Bielefeld is op beperkte schaal weer eens te verifiëren hoe Erik Andriesse en Nobuyoshi Araki in de voetsporen van oude meesters die 'waen' onverbloemd hebben vormgegeven.