Binnenland China eet niet mee uit pot

PEKING, 15 DEC. Het huidige China vergelijken met het China van de jaren twintig, een periode waarin het centraal gezag uiteen viel, wordt door de regering in Peking onmiddellijk van de hand gewezen. Maar toch bestaat tegenwoordig een analogie met hetgeen China al eeuwen parten speelt: regionalisme.

Na zeventien jaar van economische hervormingen zijn de materiële verschillen binnen China's grenzen duidelijk zichtbaar geworden. In een maatschappij waar de economie het steeds meer voor het zeggen heeft gekregen, laat de geografische verscheidenheid zich minder makkelijk verdoezelen. De regio's langs de zuid- en de oostkust van China zijn nu eenmaal economisch in een voordeel. Het enorme achterland daarentegen delft een natuurlijk onderspit.

Langzamerhand is binnen het partijcentrum in Peking het besef ontstaan dat actie ondernomen moet worden. Tussen 1979 en 1990 had bijna 50 procent van het totaal aantal investeringen in de twaalf kustprovincies plaats, 43 procent ging naar negen centrale provincies en slechts zeven procent kreeg een bestemming in de overige negen provincies in het westen van het land.

Om die reden heeft de Chinese regering afgelopen zomer besloten dat tijdens het negende vijf-jarenplan, dat 1 januari van kracht wordt, meer nadruk zal worden gelegd op het dichten van het groeiende gat tussen de kust en het achterland.

Over de praktische uitvoering van dat plan bestaat evenwel nog geen duidelijkheid. Dat heeft met name te maken met het feit dat de kustprovincies niet zonder meer bereid zijn geld af te staan aan het achterland. De invloed die de kustprovincies hebben op het centrale beleid, heeft dan ook zijn weerklank gevonden in de tekst van het komende vijf-jarenplan. De kustregio wijst erop dat als een bepaald niveau van ontwikkeling is bereikt, zij “uiteindelijk zal bijdragen aan de ontwikkeling van het achterland.” Totdat het zover is behoort in het achterland het eigenbelang “ondergeschikt [te zijn] aan het algemeen belang”.

Voorlopig is het dan ook niet zo eenvoudig als gouverneur Chen Andong van de Centraal-chinese provincie Shaanxi het zich voorstelt. Volgens Chen is in China sprake van “één grote pot” waar iedereen uit kan 'meeëeten' zolang hij maar goed gevuld is. “Onze wensen verschillen niet met die in andere delen van het land. We zijn één grote familie en hebben dezelfde doelstellingen.”

Toch zijn invloedrijke wetenschappers als Hu Angang, die naast zijn functie als adviseur van president Jiang Zemin verbonden is aan de Chinese academie voor wetenschappen, niet langer overtuigd van de nationale economische integriteit in de kustregio's.

Hu is een uitgesproken voorstander van de afschaffing van de Speciale Economische Zones (SEZ) langs de zuidkust van China omdat, volgens zijn zeggen, de historische rol van de zones, als aanjager van de economische ontwikkeling, ruimschoots is verjaard. De SEZ's zouden de ontwikkelingen in de rest van het land eerder vertragen dan bevorderen. Volgens Hu moeten de zones, waar ondernemingen een belasting voordeel genieten van zeventien procent, daarom minder speciaal worden gemaakt. “De economische privileges van gebieden die al voldoende rijk zijn geworden, moeten worden afgeschaft”, aldus Hu.

Volgens Hu voorzien de zones inmiddels in hun eigen financiële behoeften. Zo is in Zhuhai, onder de rook van Macau, 75 procent van de investeringen afkomstig uit de zone zelf. Bovendien, zo redeneert Hu, wil China deel uitmaken van de economische wereldgemeenschap, in het bijzonder de Wereldhandelsorganisatie, dan is het noodzakelijk dat China's binnenlandse economische politiek overal hetzelfde is.

Iemand die zich volledig tegen het afschaffen van de economische zones verzet is Fan Gang. Fan, werkzaam bij de Chinese academie voor sociale wetenschappen, gelooft niet dat de zones de economische ontwikkeling in het achterland van China schade berokkenen. “Het is volkomen natuurlijk dat de kustgebieden sneller ontwikkelen dan het achterland. Zo is het in alle grote landen gegaan. Kijk naar de Verenigde Staten, in het centrum van het land valt bijna niets te halen.”

Pogingen van Peking het immense achterland economisch te ontwikkelen hebben volgens Fan niets uitgehaald. “Er is de laatste jaren flink geïnvesteerd in het binnenland van China, maar de opbrengst is verwaarloosbaar. Het is niet de oplossing.”

De oplossing die Fan in gedachte heeft is echter tamelijk tegendraads. “We moeten niet alleen kapitaal naar het volk sturen, we moeten het volk naar het kapitaal halen.” Het enorme overschot aan plattelandarbeiders moet volgens Fan naar de stad worden gehaald. “Daar is nog volop ruimte voor ontwikkeling.” Op die manier wordt op het platteland 'de druk van de ketel' gehaald en zullen investering makkelijker aanslaan, meent hij. “Het inkomen per hoofd van de bevolking zal toenemen omdat de provinciale inkomsten over minder mensen verdeeld hoeven te worden. Precies zoals in het middenwesten van de Verenigde Staten, waar het inkomen per hoofd van de bevolking net zo hoog is als elders in het land.”

De maatregelen die de Chinese autoriteiten hebben getroffen om de aanwas van werkzoekende plattelandarbeiders in de stad tegen te gaan, worden door Fan veroordeeld. “De overheid zou er beter aan doen de mobiliteit te bevorderen. De steden kunnen het aan. De sociale zekerheden zijn daar inmiddels buitenproportioneel. Zolang mensen op het platteland nog in armoede leven, kunnen de steden makkelijk iets van hun rijkdom afstaan.”

Een dergelijke 'natuurlijke mobiliteit' mag de centrale overheid volgens Fan niet tegengaan. “Peking moet alleen de sociale bijkomstigheden van de economische ongelijkheid verhelpen. Het moet huizen bouwen, wegen aanleggen en de plattelandarbeiders die naar de steden komen, en per slot van rekening verantwoordelijk zijn voor de opbouw van China's toekomst, beter opvangen.”

Hu Angang gelooft in tegenstelling tot Fan dat 'recentralisatie' de enige oplossing voor het verhelpen van de economische ongelijkheid in China. “Als de inkomensverschillen per regio niet verdwijnen, ontstaat sociale instabiliteit die eventueel kan resulteren in de opsplitsing van China in zelfstandige regio's'. Die kans is klein, maar wel aanwezig.”

Een dergelijk doemscenario is precies hetgeen waarvoor de politieke leiders in Peking het meest beducht zijn. Van de 33 vooraanstaande politici die Hu naar eigen zeggen onlangs heeft onderricht over het regionalisme vraagstuk bleek 85 procent het erover eens dat inkomensongelijkheid de voornaamste oorzaak zou kunnen zijn voor sociale instabiliteit. Vijftien procent zei te vrezen dat het ten koste zou kunnen gaan van de nationale eenheid.

Fan vindt dat onzin: “De stad en het platteland zijn afhankelijk van elkaar. De rijke kustprovincies hebben het achterland nodig voor de afzet van goederen, grondstoffen en goedkope arbeid. Andersom heeft het platteland de kustprovincies nodig voor het kapitaal, de technologie en de arbeidsmarkt. Onder die omstandigheden zal er nooit sprake zijn van nationale desintegratie.”

Overheidsbemoeienis heeft volgens Fan eerder een averechts effect. “Je ontneemt de provincies alle initiatief op die manier. Of het nu rijke of arme gebieden zijn, ze hebben een mate van onafhanklijkheid nodig. De provincies zullen bijvoobeeld alleen bereid zijn geld op te hoesten voor de centrale overheid wanneer ze ervan overtuigd zijn dat het leeuwedeel ook weer in de eigen provincie zal worden besteed. Dat is niet altijd het geval.”

Volgens Fan moet het Chinese leiderschap de traditionele centrum-provincie verhoudingen 'herdefiniëren'. “Er is grote behoefte aan een nieuw systeem en daartoe zal moeten worden geëxperimenteerd.” Federalisme acht hij echter geen oplossing omdat China daarvoor teveel 'eigen karakteristieken' zou hebben, maar het concept van het centrale-leiderschap is in de woorden van Fan “achterhaald”.

Om die reden gelooft Fan ook dat China niet is gediend bij een nieuwe sterke leider, in de traditie van Mao Zedong of Deng Xiaoping. Het is één van de weinige punten waar Fan en Hu het over eens zijn; de periode van de 'sterke mannen' is voorgoed voorbij. “Een charismatische leider heeft geen machtsbasis meer in dit land. De economische krachten zijn hem de baas geworden”, aldus Fan.