Als we denken lijken we dommer dan we zijn; Gesprek met Heidegger-biograaf Rüdiger Safranski

De Duitse filosoof Martin Heidegger, die in 1933 enthousiast nazi werd, was een denker in vergezichten of in minutieuze details. “Alles wat daartussen lag zag hij maar wazig,” zegt zijn biograaf Rüdiger Safranski. Zijn nu in het Nederlands vertaalde Heidegger-biografie is een verslag van de Duitse haat-liefde verhouding met de filosoof.

Rüdiger Safranski: Heidegger en zijn tijd. Vert. Mark Wildschut. Uitg. Atlas, 575 blz. Prijs ƒ 79,90. Ein Meister aus Deutschland. Heidegger und seine Zeit. Hanser Verlag. Prijs ƒ 73,-.

Al in zijn schooltijd hoorde de filosoof en essayist Rüdiger Safranski spreken over Martin Heidegger. Safranski werd in 1945 geboren in het Zuidduitse Rottweil, niet ver van Messkirch, waar Heidegger in 1889 het licht zag. Zijn leraren vertelden hem over de wereldberoemde filosoof die toch maar gewoon uit deze Zwabische uithoek afkomstig was. Prachtige verhalen, zo herinnert hij zich, op bezoek in Amsterdam. Zelf heeft hij Heideggers levensverhaal inmiddels naverteld in een magnifieke biografie waarvan de Nederlandse vertaling zojuist is verschenen.

Helemaal vanzelf ging dat niet. Als student vluchtte Safranski zo ver mogelijk bij Heidegger vandaan. Hij ging filosofie studeren bij Adorno, die in 1964 een felle afrekening met de beroemde wijsgeer publiceerde. En hij stortte zich in het ultra-linkse engagement van de jaren zestig, waarin Heidegger niet erg paste. Maar de fascinatie kwam terug. Zijn biografie is het verslag van een haat-liefde verhouding die - meent hij - niet tot zijn eigen persoon beperkt blijft. Het hele intellectuele leven in Duitsland is door ambivalentie ten opzichte van Heidegger gekleurd.

De afkeer wortelt vooral in Heideggers politieke rol onder het nazi-regime. Tijdens zijn kortstondige rectoraat in 1933 bekeerde hij zich enthousiast tot het nieuwe bewind en probeerde de Universiteit van Freiburg grondig te nazificeren. En ook al was hij volgens Safranski geen antisemiet - de rassenleer van het nazisme vond hij ver beneden zijn waardigheid -, een onomwonden mea culpa heeft Heidegger na de oorlog nooit uitgesproken.

Volgens Safranski stelde Heidegger zich bij het nazisme, vooral in het begin, een ideaal van eigen maaksel voor. “Juist filosofen komen vaak in de verleiding de wereld naar hun hand te zetten,” zegt hij. “Ze voelen dat ze raken aan het geheim van de wereld, dat ze de sleutel daartoe in de hand hebben en dat willen ze dan ook op politiek vlak te gelde maken. Bij Heidegger is dat heel duidelijk. Vlak voor 1933 werkt hij aan zijn Plato-colleges, waarin hij Plato's parabel van de grot bespreekt: de mensheid zit vastgebonden in een donkere spelonk en ziet op de rotswand alleen de schaduwen van de dingen in de buitenwereld. De filosoof is er dan om de mensen uit die grot te bevrijden en de echte wereld binnen te voeren.”

“Heidegger bereidt die colleges voor in zijn berghut in Todtnauberg, komt dan naar Freiburg, waar hij hoogleraar is, en ziet wat er politiek intussen allemaal is voorgevallen. Dan heeft hij inderdaad het gevoel dat er een collectieve uitbraak uit de grot plaatsvindt en dat hij zich aan het hoofd moet stellen van de beweging die gaande is. Hij heeft daar naïeve, voor ons onbegrijpelijke ideeën over. Hij ziet een nieuwe cultuur voor zich van studieuze diepzinnigheid, gekoppeld aan de eerlijkheid van het handwerk, een combinatie van kloosterleven en padvinderskamp. Daarbij nam hij veel dingen op de koop toe en daarover moeten we zeker niet te licht oordelen.”

Safranski heeft zijn Heidegger-biografie dan ook eerder met empathie dan met sympathie geschreven. Tot een ondubbelzinnige waardering, zoals hij die wel kreeg voor Schopenhauer, over wie hij eerder een biografie schreef, is het nooit gekomen.

Om die reden heeft Safranski ook de Duitse titel van zijn boek gekozen: Ein Meister aus Deutschland, naar een regel uit het gedicht Todesfuge van Paul Celan. Iedere ontwikkelde Duitser hoort volgens Safranski in deze titel de hele regel meeklinken: Der Tod ist ein Meister aus Deutschland. “Daardoor wordt onherroepelijk een verband gelegd met de misdadigheid van het nazi-regime. Maar Meister zeggen we ook van iemand als de middeleeuwse mysticus Meister Eckhart. Toen ik deze titel had gevonden, wist ik zeker dat ik het boek zou afmaken, omdat hij de tot scheurens toe gespannen dubbelzinnigheid in de Duitse verhouding tot Heidegger zichtbaar maakt. In Nederland zou deze titel niet werken, omdat het gedicht hier niet zo bekend is. Het boek heet in vertaling gewoon Heidegger en zijn tijd.”

Oude vragen

Waarin schuilt het meesterschap van Heidegger? Eigenlijk, zegt Safranski, in niets anders dan dat hij de oude vragen van de filosofie weer opnieuw gesteld heeft, met een ongelooflijke kracht en - voor degenen die zijn colleges en lezingen bijwoonden - met een verpletterende présence. Hij was een onopvallende man, maar als hij door de filosofie bewogen werd, stond hij plotseling onder stroom. Vrouwen werden bij bosjes verliefd als hij op het podium stond te toveren.

Heidegger hield zelf altijd vol dat hij maar één vraag gesteld heeft: de vraag naar het zijn, de meest filosofische van alle. “Hij was ervan overtuigd dat we, vooral in de moderne tijd, onze wereld, onszelf en de mensen om ons heen steeds meer als voorwerpen zijn gaan beschouwen,” zegt Safranski. “We zijn onszelf gaan bekijken zoals de wetenschap ons ziet: als dingen die beantwoorden aan mechanische wetten. Voor ons alledaagse leven, onze alledaagse gevoelens, stemmingen, zienswijzen, hebben we geen taal die in de wetenschap voor vol wordt aangezien. Wanneer we theoretisch over onszelf en onze wereld beginnen na te denken, zijn we dan ook altijd dommer dan we eigenlijk zijn. We zien de werkelijkheid niet op hetzelfde niveau als waarop we haar beleven.”

Heidegger plaatste stemmingen en gevoelens in het hart van zijn filosofie, en dat werd in de jaren twintig als ultramodern ervaren. Met zijn zijnsvraag wilde hij de werkelijkheid het geheim teruggeven dat wij ons onder invloed van het wetenschappelijke denken hebben ontzegd en waarmee we onze eigen mogelijkheden voortdurend te kort doen.

Volgens Safranski is Heidegger altijd een religieus denker gebleven, ook al zwoer hij de kerk al vroeg af. Net als Georges Steiner meent de biograaf dat de grote thema's van de literatuur en de filosofie nog altijd wortelen in een religieuze verhouding tot de wereld. Dat is een benadering die in de hedendaagse Angelsaksische filosofie weinig weerklank vindt. Die houdt het liever bij een nuchter pragmatisme, bij beweringen die verifieerbaar zijn.

Wittgenstein heeft een onderscheid gemaakt tussen datgene waarover we kunnen spreken en datgene waarover we moeten zwijgen. Zelf meende hij dat juist die laatste voor het leven van belang waren: vragen naar de zin van het leven, of wat het betekent een goed mens te zijn. Daar kon je volgens hem niet over praten; dat kon je alleen maar laten zien.

“Veel van Wittgensteins leerlingen,” zegt Safranski, “denken dat de dingen waarover Wittgenstein wilde zwijgen dus ook niet de moeite van het bespreken waard zijn. Maar ik verwacht van de filosofie toch wel wat méér. Ik heb er niets tegen dat een filosoof binnenstapt in de gebieden die door Wittgenstein verboden waren. Dat heeft Heidegger onvervaard gedaan.”

Machine

Menselijk gedrag is geen mechanisch proces waarin de ene toestand onvermijdelijk tot de andere leidt. Bij elke daad komt de vrijheid tussenbeide om ja of nee te zeggen. Safranski noemt het een obscene ontwikkeling dat mensen zichzelf gaan beschouwen als functies van een maatschappelijke en psychische machine, waarin het woord 'verantwoordelijkheid' geen plaats meer heeft. De taal van de vrijheid is ons gaan ontbreken, omdat de wetenschap alleen maar in wetten van oorzakelijkheid en noodzaak kan spreken. En juist van de wetenschap wordt het laatste woord over de menselijke problemen verwacht.

Safranski was geschokt toen hij na de racistische aanslagen in Rostock en elders in Duitsland mensen hoorde spreken uit het milieu van de daders. Ze spraken dezelfde taal als hun sociale werkers: gebroken gezinnen, een ongelukkige jeugd. Alsof de daders zelf slachtoffers waren en er voor het gebeurde dus niemand meer verantwoordelijk was.

Safranski baarde vorige jaar enig opzien met zijn bijdrage aan het boek Die selbstbewusste Nation, geschreven naar aanleiding van het omstreden opstel Anschwellender Bocksgesang van Botho Strauss. Dat boek werd, net als het pamflet van Strauss, opgevat als een neo-conservatief manifest van intellectuelen die hun linkse verleden hadden afgezworen. Daarvan wil Safranski niet veel weten. Wel vindt hij dat 'links' te lang de ogen heeft gesloten voor zaken die te belangrijk waren om ze aan rechts over te laten: het belang van de Heimat (“Zelf heb ik een sterke binding met mijn geboortestreek en zie daar niets negatiefs in, zolang het geen ideologie wordt.”), de rol van het kwaad in de wereld en zelfs de betekenis van de nazi-periode in de Duitse geschiedenis.

“Het nationaal-socialisme is, vreemd genoeg, ook door links onschuldiger gemaakt dan het is,” zegt hij. “Volgens het marxisme was het alleen maar een extreme consequentie van het kapitalisme. Wanneer we zien hoe een samenleving haar joodse bevolking, zichzelf én Europa bewust heeft willen vernietigen, dan komen we met de geijkte begrippen uit de sociologie en de politicologie niet ver. Daarin wordt het allemaal heel redelijk voorgesteld, maar het werkelijke kwaad komt daarin niet onder woorden, omdat dat nu eenmaal niet redelijk, niet functioneel is.”

Het boek dat Safranski nu aan het schrijven is, gaat over het kwaad. “Het kwaad en de vrijheid horen bij elkaar; dat heeft de godsdienstige traditie goed begrepen. Maar de moderne, wetenschappelijke tijd is dat vergeten. Vrijheid betekent altijd: ja of nee tegen de wereld kunnen zeggen. En dus schuilt daar altijd het risico van de totale vernietiging in: de wil om alles terug te stoten in het niets.”

Voor dat kwaad sluit de moderne tijd de ogen, zegt Safranski. Met onze technische instelling kunnen we alleen nog maar praten over problemen, in de veronderstelling dat voor alles een oplossing is. Een mooi beeld voor de fragiliteit van de vrijheid ziet hij in de plechtige eed die de Pilgrim Fathers aflegden vlak voordat ze in Amerika aan land gingen. “Het waren puriteinen die uit Engeland kwamen, en plotseling zagen ze een wildernis voor zich. Ze merkten dat ze de beschaving verlieten en dat op dat moment ook hun eigen innerlijke wildernis de overhand zou kunnen krijgen. Daarmee raakten ze aan het 'bedrijfsgeheim' van de menselijke beschaving. Ze sloten een verdrag, het Mayflower-verdrag: dat ze zich altijd fatsoenlijk zouden blijven gedragen en de wankele orde zouden handhaven die hen voor barbarij moest behoeden.”

Wij, die al zo lang in vredestijd leven, dreigen soms te vergeten hoe dicht de wildheid onder de oppervlakte ligt, zegt Safranski. “We consumeren de beschaving en meestal beseffen we nauwelijks dat we er ook aan moeten bijdragen. Het is niet vanzelfsprekend dat er een orde is waarin we leven kunnen.”

Heidegger was zich volgens Safranski van de realiteit van dat kwaad scherp bewust. Hij vertelde erover in een brief aan een geliefde: hoe hij tijdens de nachtmis in een klooster diep onder de indruk kwam van het kaarslicht dat werd ontstoken. Dat was in zijn ogen een overwinning op de nacht, even fragiel als onze eigen ontworsteling aan het kwaad. “Hij sprak erover in pakkende beelden,” verzucht Safranski, “maar dacht intussen aan de catastrofe van het avondland. Hij was een denker in vergezichten, of in de minutieuze details van het gevoelsleven. Alles wat daartussen lag zag hij maar wazig. Dat hij in de Duitse catastrofe ook een persoonlijk aandeel had gehad, heeft hij onder die grootse beelden altijd stilzwijgend laten verdwijnen.”