Acht jaar cel en tbs voor ontucht en verkrachting

LEEUWARDEN, 15 DEC. De hoofdverdachten in de Bolswarder ontuchtzaak zijn vanmorgen door de Leeuwarder rechtbank conform de eis veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar met tbs. Zowel de moeder A. de J. (45) als haar broer F.O. (37) zijn veroordeeld wegens ontucht en het op gewelddadige wijze meermalen verkrachten van jongens tussen de 4 en 10 jaar. F.O. werd tevens veroordeeld voor verkrachting van zijn indertijd minderjarige nichtje. Hij betaalde zijn zuster hiervoor maandelijks tussen de 150 en 200 gulden.

Rechtbankpresident mr. Th. C. van Gelder stelde dat er sprake was van “smerigheden”, waaronder het laten drinken van cola met urine aan kinderen, ernstige fysieke kindermishandeling, het maken van en kijken naar videofilms van kinderverkrachtingen en bestialiteiten. Hij noemde het “stuitend” dat een van de slachtoffertjes nog maar 4 jaar was.

Mevr. De J., die na de uitspraak flauwviel, was zelf incestslachtoffer. De rechter verklaarde dat ze in het gezin, dat hij vergeleek met “Sodom en Gomorra”, actief beleefde wat ze vroeger passief had ondergaan. Het onderzoeksteam van het Pieter Baan Centrum achtte haar, evenals haar broer, verminderd toerekeningsvatbaar. Haar broer werd in het rapport omschreven als een “gevoelsarme, primitieve man”, met een nauwelijks ontwikkeld geweten en een ernstige persoonlijkheidsstoornis. De kans op herhaling werd groot geacht.

De vader van het gezin, de 53-jarige J. de J., werd conform de eis veroordeeld tot vier jaar cel en tbs wegens het verkrachten van minderjarige jongens. De rechtbank karakteriseerde hem als een man met weinig geestelijke bagage “op debiel niveau” en met de ontwikkeling van een kind van 9 jaar. De zoon van het gezin, de 21-jarige A. de J., en de 21-jarige kostganger H. de G., tegen wie straffen van vijf jaar en tbs waren geëist, werden veroordeeld tot respectievelijk vier jaar gevangenisstraf en vier jaar plus tbs. Dit wegens het meermalen verkrachten van jongens tussen de 4 en 10 jaar.

Hoewel het “bijzonder ernstige feiten” betrof, onderschreef de rechtbank de conclusie van het Pieter Baan Centrum, waarin “enige bewondering” viel af te lezen over de ontwikkeling van de 21-jarige zoon A. de J. Ondanks ernstige geestelijke en lichamelijke verwaarlozing in zijn jeugd had hij kans gezien een opleiding te volgen, een baan te vinden en een sociaal leven op te bouwen. Gevaar voor herhaling achtte de rechtbank niet aanwezig. Dat gold niet voor de kostganger, die verminderd toerekeningsvatbaar werd geacht.