Tijd dringt voor Europese munthuizen

Wil Europa op 1 januari 2002 een nieuwe munt hebben, dan moet Brussel snel een aantal besluiten nemen over het uiterlijk van de munt. Want de tijd dringt: de munthuizen en drukkerijen moeten stempels maken, grondstoffen bestellen, drukproeven maken en de capaciteit opvoeren. Alleen in Nederland al moeten 1,5 miljard munten worden geslagen en 400 miljoen bankbiljetten worden gedrukt.

Zwaar teleurgesteld was muntmeester Chr. van Draanen over de besluiteloosheid tijdens de laatste vergadering van de Europese ministers van financiën. Terwijl iedereen er op had gerekend dat bij die gelegenheid een naam zou worden gekozen voor de Europese munt, werd het besluit doorgeschoven naar de topconferentie, komend weekeinde, in Madrid. “Als het daar weer wordt uitgesteld, komen we in tijdnood”, voorspelt Van Draanen.

De tijd dringt voor de Europese munthuizen. Wil Europa op 1 januari 2002 een nieuwe munt hebben, dan zullen de bevoegde instanties in Brussel haast moeten maken met het nemen van een aantal essentiële besluiten over het uiterlijk van de munt. Niet alleen de naam, ook grootte, dikte en materiaal moeten worden vastgesteld alvorens de munthuizen aan de slag kunnen. “Eind 1997 moeten alle besluiten genomen zijn”, aldus de Nederlandse muntmeester. “Dan kunnen we heel 1998 gebruiken voor voorbereidingen, zoals het maken van stempels, het bestellen van grondstoffen en eventueel nieuwe persen. De naam van de munt willen we echter zo snel mogelijk weten, in verband met het uitschrijven van een prijsvraag voor ontwerpers van de munt. Want pas als een Europese jury een ontwerp heeft gekozen en de regeringsleiders hebben beslist, kunnen we stempels maken.”

De munthuizen staan voor een gigantisch karwei. In drie jaar tijd moeten - uitgaande van vijftien deelnemende landen aan de Europese Monetaire Unie, een aantal dat in 2002 vermoedelijk lager zal liggen - 50 miljard munten worden geslagen. Voor Nederland moeten tussen 1999 en 2002 1,5 miljard munten worden geproduceerd. Ter vergelijking: tussen 1948 en 1995 werden 5,5 miljard Nederlandse munten geslagen. Thans circuleren er nog 2,5 miljard geldstukken in ons land. Van Draanen: “Op 1 januari 2002 moeten 1,5 miljard munten, ofwel 65 procent van de totale benodigde hoeveelheid, klaarliggen. Dat is voldoende, omdat we van 1 januari tot 1 juli 2002 met een dubbel muntsysteem (euro en gulden) zullen werken. In de daarop volgende twee jaar vullen we de hoeveelheid aan tot 2,5 miljard.” De Nederlandse Munt zal vanaf 1999 ploegendiensten instellen om de huidige capaciteit van 350 miljoen munten per jaar op te voeren tot 500 miljoen.

Bijkomend probleem voor de munthuizen is dat ze tijdens de produktieperiode capaciteit moeten vrijhouden voor hun 'vaste klanten'. Zo kan Nederland wel munten blijven slaan voor de Antillen en Aruba, verwacht Van Draanen, maar een grote order zoals 150 miljoen munten voor Sierra Leone, waar het Utrechtse munthuis nu zes maanden druk doende mee is, kan er niet bij als er dag en nacht ecu's of euro's moeten worden geslagen. “Uitstel van de invoering van de munt zou bedrijfseconomisch gezien rampzalig zijn”, aldus Van Draanen. “Als over twee jaar wordt besloten om het hele project vijf jaar uit te stelen, dan dreigen we tussen 1999 en 2002 zonder werk te zitten omdat we niet hebben ingeschreven op buitenlandse orders.”

Een van de beslissingen waar de muntmeesters met smart op wachten is het besluit over de vraag of de Europese munten twee gelijke zijden krijgen of een Europese en een nationale zijde. Van Draanen is groot voorstander van twee gelijke zijden. “Dat is veel duidelijker voor de gebruiker. Als een munt behalve een Europese zijde ook een nationale zijde krijgt, moet een Griekse cassière of een Duitse lokettist te zijner tijd vijftien varianten kennen om vals geld van echt Europees geld te kunnen onderscheiden. Met twee verschillende zijden werk je vervalsing in de hand. Bovendien is het de vraag of elke monarchie bereid is de Muntwet te wijzigen, die bepaalt dat de vorst de beeldenaar is. Koningin Beatrix heeft al laten weten dat geen probleem te vinden, maar ik kan me voorstellen dat zoiets in Groot-Brittannië, waar het koningshuis minder flexibel is, wel een probleem vormt. In elke geval heeft Elizabeth nog geen 'afstand gedaan' van de munt.”

Een ander probleem waar de muntmeesters mee worstelen en waarvoor voorlopig nog geen oplossing in zicht is, is de vraag van welk materiaal de munt moet worden gemaakt. Om de kans op vervalsing zoveel mogelijk te beperken, moet de munt afwijken van de 88 thans bestaande munten in de Europese Unie. Hoewel de Nederlandse munten voor 99,5 procent uit nikkel bestaan, valt deze grondstof vrijwel zeker af als materiaal voor de nieuwe Europese munt: in Scandinavië is wettelijk vastgelegd dat geld niet van nikkel mag zijn, omdat nikkel soms leidt tot huidirritaties. Met het oog op de kostprijs - de prijs van een munt mag niet hoger zijn dan de nominale waarde - komen ook dure grondstoffen als palladium niet in aanmerking. Roestvrij staal, dat de voorkeur van Duitsland heeft, heeft het nadeel dat het zó hard is dat de muntstempels te snel slijten. Een munt met meer dan één kleur, zoals de Franse munt van 10 franc, heeft als nadeel dat de sorteerders in de 3 miljoen muntautomaten in Europa ook sensoren voor de rand van de munt moeten hebben. Nu 'kijken' de muntsorteerders alleen naar het midden van de munt.

Ook de Europese werkgroep die zich bezighoudt met de voorbereiding van het nieuwe bankbiljet - in de wandelgang de banknote working group geheten - wacht met smart op besluiten van hogerhand, met name over de vraag of het biljet één dan wel twee Europese zijden krijgt. Tot nu toe staat alleen vast dat het bankbiljet zeven denominaties krijgt, van 5 tot 500 ecu. Verder is de mogelijkheid open gehouden om op maximaal 20 procent van één zijde een nationaal kenmerk af te drukken. In de loop van 1996 zal het Europees Monetair Instituut, voorloper van de Europese centrale bank, uit elk land een aantal ontwerpers uitnodigen voor een ontwerpwedstrijd voor de biljetten. “Er is een gerede kans dat het Europese biljet qua vormgeving traditioneler zal zijn dan het als modern bekend staande Nederlandse biljet”, aldus A.M. Dongelmans, vertegenwoordiger van De Nederlandse Bank in de werkgroep. “Toch denk ik dat modern design zeker een kans krijgt. Die strijd is nog niet gestreden.”

Drukkerij Joh. Enschedé, sinds mensenheugenis producent van het Nederlandse bankbiljet, zal naar verwachting ook de opdracht krijgen om de voor Nederland benodigde 400 miljoen Europese bankbiljetten te vervaardigen. Voor heel Europa zijn 10 miljard nieuwe biljetten nodig. Dongelmans schat de produktiekosten voor nieuwe biljetten in Nederland op 100 miljoen gulden. De produktietijd bedraagt zo'n 1,5 tot 2 jaar. Dongelmans: “We hebben de tijd tot 2002 hard nodig voor ontwerpen, drukplaten, drukproeven en produktie.”

De euro-produktie wordt een just-in-time-operatie. Het gebouw van de Nederlandse Munt heeft een opslagcapaciteit van 'slechts' 100 miljoen munten. Dagelijks zal grondstof moeten worden aangeleverd - voor de 2,5 miljard Nederlandse munten is 9000 ton grondstof nodig, voor heel Europa is 300.000 ton nodig - en elke dag zal de muntproduktie moeten worden afgevoerd naar externe opslagruimten. Van Draanen denkt daarbij onder meer aan voormalige, goed beveiligde wapendepôts van Defensie. “Eigenlijk zou je tien jaar lang een opslagplaats moeten hebben waar je eerst de grondstof, vervolgens de nieuwe munten en ten slotte de ingetrokken muntstukken kunt opslaan.”

Van Draanen schat dat de vijf-guldenstukken, rijksdaalders, guldens, kwartjes, dubbeltjes en stuivers als oud metaal zo'n 100 miljoen gulden zullen opbrengen, een kwart van de op 400 miljoen gulden geschatte produktiekosten van de nieuwe munt. Voor heel Europa worden de produktiekosten van nieuwe munten geraamd op 12,5 miljard gulden. De hoge kosten per land zijn mede een reden om de toelatingscriteria voor de Monetaire Unie vooral niet te versoepelen, vindt Van Draanen. “Alleen lidstaten met een solide financiële basis kunnen zo'n bedrag opbrengen. Verzacht je de criteria, dan komt het hele idee van een nieuwe sterke wereldmunt op losse schroeven te staan.”

Puur commercieel gezien is de produktie van euro's een ideale opdracht voor De Nederlandse Munt, aldus Van Draanen: “Gegarandeerde werkgelegenheid gedurende een aantal jaren en veel extra produktie-uren waarover vaste kosten kunnen worden afgeschreven. Daar staat tegenover dat transport, opslag en beveiliging ook extra geld kosten.”

Van Draanen, als muntmeester een fervent tegenstander van 'plastic geld', gelooft niet dat de opkomst van de chipknip de invoering van de Europese munt zal vereenvoudigen. “Bij het bepalen van het aantal benodigde Europese munten voor Nederland laat ik de chipknip op dit moment buiten beschouwing. Nu wordt nog 80 procent van alle transacties contant betaald en er zijn weinig aanwijzingen dat dat percentage snel zal dalen. De chipknip is nog een te onvolwassen betaalmiddel om rekening mee te houden. Denk eens aan Zuid-Europa waar regelmatig stroomstoringen voorkomen. Dat belemmert het elektronisch betalingsverkeer. Elke stroomstoring is voor mij, als muntfanaat, een feest. Maar zelfs al zou ik door de chipknip maar 1 miljard in plaats van 1,5 miljard munten moeten laten slaan, dan nog wordt het een operatie zonder weerga.”

    • Friederike de Raat