Pronkstukken van staal en canvas

Metz & Co was in het begin van deze eeuw een vooruit- strevend warenhuis. Met Liberty-stoffen en japonnen die rages ontketenden. En met meubels van Rietveld en Van der Leck die minder goedverkochten. Want wie wil zitten op leunstoelen waar de wind langs de kuiten waait? Metz-design in het Stedelijk Museum.

Metz & Co, de creatieve jaren, Stedelijk Museum t/m 18 februari. Gelijknamig boek van Petra Timmer, uitgeverij 010, ƒ 85,-. Enkele Metz-meubels van Rietveld, waaronder een dressoir van hout en draadglas, gaan op 19 december a.s. ter veiling bij Sotheby's, Amsterdam.

Een fauteuil van buisframe en multiplex, in 1930 ontworpen door Gerrit Rietveld en nu door het Centre Pompidou aan het Stedelijk Museum uitgeleend, is een van de belangrijkste stukken op de tentoonstelling Metz & Co, de creatieve jaren. Fauteuil? Multiplex? Buisframe? De woordcombinatie alleen al heeft iets vreemds: een begrip dat aan comfort en traditie doet denken, en de hardste, meest prozaïsche materialen die er bestaan.

Vijfenzestig jaar na dato tekent dit contrast duidelijk de wonderlijke relatie tussen luxe en avant-garde die op deze expositie wordt geportretteerd. De tentoonstelling vormt een bizarre tegenhanger van de 'Lelijke Tijd', de expositie in het Rijksmuseum van het weelderige meubilair uit de negentiende eeuw. Daartegen zetten zij zich af, de vooruitstrevende, zelfs revolutionair gezinde geesten die meubels bedachten voor de Nieuwe Mens. Maar zij konden ze alleen maar maken in samenwerking met een winkel waar de chic van Nederland kwam: een publiek van bankdirecteuren en diplomaten. Of het nieuwe mensen waren is de vraag, maar dat ze van van oude families kwamen is zeker.

De samenwerking met de voorhoede der ontwerpers vormt voor Metz & Co maar een korte episode in een lange historie. De joodse familie Metz (uit Metz) begon in de achttiende eeuw in zijden stoffen te handelen. Rond 1800 was de zaak in Amsterdam aan de St. Anthoniesbreestraat gevestigd. Een eeuw later stond Joseph de Leeuw aan het hoofd van wat inmiddels een winkel in de Kalverstraat was geworden. De Leeuw, een fijnzinnige zakenman wiens fotoportret met vlinderdasje, uitvergroot op banieren, de tentoonstelling in het Stedelijk opfleurt, maakte Metz tot een toonaangevende winkel. In 1913 kwam er een filiaal aan de Hoogstraat in Den Haag. Na 1945 zette Josephs zoon Henk de lijn van zijn vader (omgekomen in het concentratiekamp Theresienstadt) voort. In 1973 was de glorietijd voorbij; de winkel werd verkocht aan het èchte, Engelse, Liberty. Eind 1988 verwisselde Metz opnieuw van eigenaar; het werd een Nederlandse NV. Onder het label Metz & Co worden sinds kort in zeventien landen parfums en stoffen verkocht. De winkel, zo verzekert een woordvoerder, zal zeker blijven bestaan.

De creatieve jaren waarvan de tentoonstelling spreekt, begonnen na de Eerste Wereldoorlog. Toen begon De Leeuw zich los te maken van de stijl van het Engelse warenhuis Liberty, waarvan Metz sinds 1902 het assortiment voerde. Liberty Style was een tegenhanger van de Franse Art Nouveau. Vooral de stoffen met hun rijke kleuren en oosters geïnspireerde motieven waren beroemd. De meubels waren sober van lijn, en deden soms middeleeuws aan. Ook Liberty Style was van oorsprong vernieuwend geweest - maar nu niet meer. Na 1918 stonden er geen Liberty-meubels meer in de winkel. En met het aantreden in dat jaar van een eigen meubelontwerper, Paul Bromberg, tekende de eigen koers van Metz zich af. De meubels van Bromberg (waarvan in het Stedelijk helaas geen voorbeelden zijn) waren nog een beetje Art Nouveau-achtig. Die van Willem Penaat, die in 1924 Bromberg als huisontwerper opvolgde, waren al wat strakker, zij het nog heel ouderwets vergeleken bij wat daarna kwam.

Want de ontwerpen van Rietveld en Van der Leck, die vanaf 1930 voor Metz werkten, waren pas echt van spartaanse eenvoud. Triplex en canvas, staal, vurehout en hier en daar wat draadglas waren de uitverkoren materialen voor de meubels. Van der Lecks kleden en stoffen zijn de soberheid zelf. Dit werk domineert de tentoonstelling in het Stedelijk Museum; en het is altijd weer onthutsend om te zien hoe armetierig die meubels, ikonen van de Nieuwe Zakelijkheid, er 65 jaar later uitzien.

Wat vonden de mensen hier toch aan? zo vraag je je af bij die eerste buisframe-fauteuil van Rietveld, opvolger van zijn beroemde Stijl-leunstoel. Wie wilde leven met deze kille zitmeubels waar de wind langs je kuiten waait, en waarop je pas enigszins prettig zit als je lichaam de kou van het materiaal heeft verdreven? Wie vond die strakheid, die leegte aangenaam?

Breuer, Stam, alle ontwerpers van naam hadden bij Metz meubels staan, velen als resultaat van speciale opdrachten. Elmar Berkovich, sinds 1922 hoofd van Metz' meubelwerkplaats, ging in de jaren '30 zelf ook in dit genre ontwerpen. En de architect J.J. Oud deed dapper pogingen om de buisframe-fauteuil met kussens en bekleding van een draaglijk comfort te voorzien, zeer tegen de opvattingen van zijn strengere collega's in.

In 1933 werd op het dak van Metz' winkel aan de Leidsestraat een meubelexpositie gehouden in de gloednieuwe, door Rietveld ontworpen 'koepel', een glazen opbouw met uitzicht over heel Amsterdam. Een tempel voor het Nieuwe Wonen. Er werd veel over geschreven; men prees de smaakvolle kleurkeuze van chroom, grijs, zwart en wit met enkele primaire kleuraccenten. Dat het in de koepel 's zomers snikheet was en 's winters ijskoud was minder belangrijk dan dat iedereen van naam en faam het prachtig vond.

Petra Timmer, die de tentoonstelling samenstelde, beschrijft in het fraaie boek dat als catalogus dient, hoe de vernieuwing in deze periode bij Metz opgang maakte en weer getemperd werd. Eind jaren dertig werd de sfeer gematigder. Het streven naar lichtheid bleef, maar het werd allemaal wat vriendelijker. Er mocht wat rotan bij, wat kamerplanten. Het buismeubel speelde na 1935 nauwelijks meer een rol. En in Alvar Aalto's stoelen van gebogen berkehout, die vanaf 1937 bij Metz te koop waren, is bij alle modernisme toch ook een element van - Scandinavische - traditie te bespeuren, dat na zoveel kilte een verademing moet zijn geweest.

De beste ontmaskering van het beeld van triomferend modernisme dat uit deze tentoonstelling oprijst is het feit (het staat in Timmers boek) dat de meubelafdeling van Metz in al die creatieve jaren verlies heeft geleden. Iedereen sprak erover, maar niemand kocht er. Daardoor bleven de meubels ook te duur - wat weer een beletsel was voor hun verspreiding. Nooit zijn de ontwerpen van Rietveld en Breuer in trek geweest bij de gewone mensen voor wie ze eigenlijk waren bedoeld. Alleen de goedkope 'kratmeubels' van Rietveld, die bij Metz werden aangeprezen als meubels voor weekendhuisjes (!) en zelfs als bouwpakket te koop waren, maakten enige opgang onder studenten en andere minder gegoede - maar natuurlijk niet lager geschoolde - kopers.

De omzet die niet werd gehaald door de meubels werd echter ruim goedgemaakt door de stoffenafdeling. Ook op dit gebied, juist op dit gebied, heeft Metz in deze eeuw creatieve jaren gekend. Het verwerven van de exclusieve rechten op Liberty-artikelen in 1902 was al een geniale zet, waaraan Metz zijn reputatie te danken had. De peperdure Liberty-japonnen waren aan het begin van de eeuw een rage met een artistiek tintje. Toen de Liberty-meubels in 1918 uit de winkel verbannen waren, bleven Liberty-stoffen en -japonnen (die helaas ontbreken in het Stedelijk) verkrijgbaar.

Wel is op de expositie werk te zien van andere stoffen-ontwerpers uit binnen- en buitenland, die vanaf de jaren twintig ook opdrachten kregen. Zo zijn er grote stalenboeken van Sonia Delaunay (die in de loop van haar innige samenwerking met Metz door De Leeuw zelfs eens ten huwelijk is gevraagd). De zonnigheid van haar impressionistische ontwerpen steekt af tegen stoffen in de ernstige tinten die door Bart van der Leck werden uitgeroepen tot basis-kleurschema voor het interieur. Maar er was nog meer zonnigs, ook voor gordijnen; de verstrakking van de meubels deed de behoefte aan warme, soms ook ruige stoffen (zoals de weefsels van 't Paapje) alleen maar groeien.

Op de mode-afdeling van Metz gaven eigen coupeurs en coupeuses de internationale - tussen de oorlogen vooral de Franse - modetrends gestalte. Anders dan bij de meubels was de creativiteit hier duidelijk meer dan een symbool van progressieve gezindte: de klanten bewonderden niet alleen, zij kochten ook. Vanaf de jaren vijftig werd de Metz-couture geleidelijk verdrongen door confectie, wat aanvankelijk niet afdeed aan de kleurrijkheid van het aanbod. Ook op de stoffenafdeling werden naast de eigen ontwerpen allengs meer stoffen van derden (bijvoorbeeld Marimekko) verkocht.

Niettemin: zoals zoveel bedrijven die van exclusiviteit hun waarmerk hadden gemaakt, kreeg Metz het in de jaren zestig moeilijk. Het huidige Metz & Co is niet meer, zoals eens, toonaangevend. Het is een peperdure winkel waar een handjevol mantelpakken en truitjes hangt die je niet durft aan te raken uit angst dat de verkoper er iets van zegt. Wie een beeld wil krijgen van de zin en onzin van het èchte Metz & Co (alleen oude dames spreken nog van 'Liberty') komt beter aan zijn trekken in het Stedelijk.