Peddelen en roeien

Peddelen is waarschijnlijk zo oud als de mens zelf en is nooit 'uitgevonden', het roeien waarschijnlijk wel. Maar dit is dan wel op verschillende tijden en op verschillende plaatsen op aarde gebeurd.

In het Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 129, te Amsterdam loopt tot 10 maart 1996 de tentoonstelling 'Vechten, varen en verdienen' over scheepvaart, handel en oorlog in de Oudheid. In Egypte zien we op grafschilderingen van de 5de dynastie (2510 tot 2460) dat het roeien het peddelen begint te verdringen. In de tombe van de edelman Ti uit die periode is te zien dat de roeischepen van hout waren gemaakt, maar dat de gepeddelde schepen vlotboten waren die bestonden uit samengesnoerde papyrusbundels, waarschijnlijk het oudste type vaartuig in het Nijldal.

Het onderscheid in constructie is begrijpelijk: om te kunnen roeien moeten de riemen om vaste dollen draaien waar veel kracht op kan worden uitgeoefend. Bij een romp die uit papyrusbundels bestaat moet er voor het adequaat opvangen van deze krachten een speciaal raamwerk overheen gelegd worden waar de dollen aan zijn bevestigd. Dit soort boten wordt inderdaad soms afgebeeld in graftombes van het Oude Rijk. Het plaatsen van de dollen kan ook een probleem zijn bij smalle boten, zoals vrijwel alle boomstamkano's. Ook in dat geval maakte men wel gebruik van een raamwerk dat breder is dan het vaartuig, of van outriggers voor de dollen.

Peddelen is mechanisch te vergelijken met fietsen op een rijwiel met een een-op-een aandrijving. Daarentegen is roeien als fietsen met de vergrotende overbrenging van de moderne fiets. Door riemen te gebruiken waarvan de lengte van het blad van de riem tot de dol enige keren de lengte bedraagt van de handen tot de dol, beweegt het riemblad zich in dezelfde verhouding sneller dan de handen van de roeier. Is de overbrengingsverhouding bij de fiets ongeveer 3,5 op 1, bij het roeien is dit meestal 2,5 à 3 op 1. Opmerkelijk is dat deze verhouding in het Engels ook bij het roeien 'the gearing' wordt genoemd, letterlijk: de tandwieloverbrenging.

De Egyptische roeiers - of ze nu stonden, knielden of zaten - roeiden met het gezicht naar de roergangers van het schip, zoals de zittende roeiers in onze tijd. Dit in tegenstelling tot de staande roeiers in China en in Venetië, die met het gezicht naar de voorsteven staan. Enkele manieren van roeien in Egypte zijn afgebeeld in de offerkamer van Achethetepher in de graftempel uit de 5de dynastie die in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden staat opgesteld. Een opvallend punt is dat langsscheepse banken worden afgebeeld, geen dwarsscheepse doften. Een ander detail is dat de riemen niet alleen een touwlus als dol hadden, maar dat een touw vanaf de 'dol' langs de schacht van de riem naar het riemblad liep, waar het vastgemaakt was.

Deze riemen stonden nogal steil, wat op te maken is uit de ongewone houding van de armen der roeiers. Waarschijnlijk moesten de riemen bij de teruggaande slag wat opgetild worden; het touw maakte dit ook mogelijk. Dit soort roeien moet nog wel veel weggehad hebben van peddelen. Ook in andere opzichten moet het staand roeien van de Egyptenaren nogal hebben afgeweken van de moderne manier. Dat blijkt uit een opvallend detail, namelijk dat de lengteverhouding tussen de afstanden dol-handen en dol-blad bij de riemen nauwelijks de 1:1 te boven gaat.

Bij de riemen van moderne schepen waarin staand wordt geroeid wordt op verschillende manieren een hogere overbrengingsverhouding verkregen. Bij de Venetiaanse gondel wordt dit bereikt doordat het draaipunt van de riem is verhoogd tot ongeveer kniehoogte met de forcola, een kunstig gevormde sterke en hoge dol die men op de Egyptische schepen nimmer aantrof. In China zijn de riemen van de staande roeiers redelijk horizontaal doordat de dollen in het tegenover liggende boord zijn geplaatst. De riemen worden dus kruiselings geroeid, en de overbrengingsverhouding is vergelijkbaar met die van zittende roeiers.

Zoals het roeien, kende ook het peddelen in Egypte verschillende methoden en stijlen. Zeer vermoeiend moet het peddelen zijn geweest zoals afgebeeld in de tempel van Weserkaf in Saqqara, ongeveer 2500 jaar voor onze jaartelling. De kunstenaar heeft de ritmiek van dit soort atletisch peddelen prachtig weergegeven. Of de peddelaars werkelijk in een soort golfbeweging peddelden, dus of de afbeelding een soort momentopname was, of dat dit het resultaat was van een kunstgreep van de kunstenaar om het dynamische van deze beweging vast te leggen, is een vraag die voor ons niet oplosbaar is.

Voor het eerste zou een technische overweging pleiten, namelijk dat het 'golvend' peddelen het mogelijk gemaakt zou hebben dat het verstoorde water tot vrij kleine plekjes langszij beperkt kon blijven. Dit verstoorde water zou door volgende peddelaar bij voorkeur zijn vermeden, en dat kon dan ook, zelfs als er in verscheidene 'golven' tegelijk door de lange rij peddelaars liepen.

Voor de tweede mogelijkheid pleit de kunstzinnigheid die bij de overige voorstellingen in deze tempel blijkt. Het is voorstelbaar dat de afbeelding niet een momentopname is, maar een projectie van verschillende fasen van de peddelslag die door alle peddelaars tegelijkertijd werden uitgevoerd.

Merkwaardig is dat de onderste stand van Weserkafs peddelaars terug te vinden is bij de peddelaars op de schepen van Thera uit de 17de eeuw v. Chr. Op het Griekse eiland Thera werden tijdens een enorme vulkaanuitbarsting in 1628 v. Chr. enkele gebouwen in het plaatsje Akrotiri 'toegedekt' met vulkanisch as waardoor sommige fresco's in redelijke staat geconserveerd bleven. Een van deze fresco's geeft een processie van schepen weer, die bijna alle werden gepeddeld. Het wonderlijke is dat de schilders van deze fresco's blijkbaar hun best deden dit te verdoezelen; men moet de afbeeldingen nauwkeurig bezien om de overboord hangende peddelaars op te merken.

Als we de afbeeldingen letterlijk zouden nemen, hanteerden ze hun peddels vlak boven het wateroppervlak. Vermoedelijk was dit een afbeeldingsconventie die nogal verschilde van die welke duizend jaar eerder werd toegepast in Weserkafs tempel te Saqqara, maar die dezelfde stijl van peddelen voorstelde. Overigens is het duidelijk dat de afgebeelde vaartuigen sterk verwant waren aan Egyptische roeischepen. Roeien had in de tijd dat de fresco's op Thera ontstonden, in Egypte het peddelen al grotendeels verdrongen als wijze van voortbewegen.

Roeien was ook op Thera niet onbekend, want aan het eind van de processie van schepen vaart ook een door acht man geroeid scheepje mee, zoals er ook een alleen door een zeil voorbewogen schip meevaart. Het lijkt wel of de voorstelling de boodschap bevat dat men deze methoden om een schip voort te bewegen heus wel kende. De gepeddelde schepen zijn alle door ongeveer veertig man bemand.

De vraag is waarom voor deze, ook toen al ouderwetse manier van voortbeweging werd gekozen. De historicus Lionel Casson, een specialist op het gebied van de vroegere scheepvaart in de Middellandse Zee, komt met een verklaring die waarschijnlijk lijkt. Hij argumenteert dat de processie een onderdeel vormde van een archaïsche cultus en dat bewust archaïserende elementen, zoals het peddelen in plaats van roeien een essentieel onderdeel hiervan uitmaakten, zoals ook de uitbundige scheepsversiering. De bedoeling zou zijn geweest deze schepen zo veel mogelijk te laten lijken op de schepen die van oudsher aan deze cultische optocht deelnamen. Ofschoon we verder niets afweten van de cultische handeling die op het fresco is afgebeeld, kan Casson zijn interpretatie ondersteunen met voorbeelden van andere archaïserende scheepsoptochten uit de Griekse Oudheid.

Zoals door de scheepsarcheoloog Shelley Wachsmann in een recente (1995) publikatie is opgemerkt, vindt deze interpretatie verder nog steun in het feit dat deze schepen op allerlei punten overeenkomsten vertonen met Minoïsche schepen uit de Bronstijd, een half millennium eerder. Jammer genoeg is over deze vroegere schepen veel minder bekend, daar ze alleen als afbeeldingen van zeer klein formaat op zegels voorkomen.