PBO als ideologisch compromis in een verzuild en herrijzend land

Het kabinet-Kok neemt volgend jaar een besluit over de toekomst van de 38 produkt- en bedrijfschappen. Deze bolwerken van de overlegeconomie vormen met de SER sinds 1950 de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO). Na jaren van stilte is de discussie over de zin van deze organisaties nu in volle gang. Ideologische overwegingen hebben plaats gemaakt voor een praktische benadering.

Hoogdravende bewoordingen begeleidden de oprichting van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) in de naoorlogse jaren van de wederopbouw. KVP-leider C.P.M. Romme meende dat er een dam moest worden opgeworpen tegen 'de almacht van hetzij het kapitaal, hetzij van het collectief'. En de toenmalige fractieleider van de PvdA, M. van der Goes van Naters, vermoedde een structuurverandering, 'belangrijker dan wij de laatste honderd jaar hebben gekend'.

Prozaïscher zou later het taalgebruik worden van de bedrijfslichamen die de PBO vormen. 'Op de markt is uw gulden een daalder waard', vertellen zij de burger. Of: 'Uit goed voor u'. Het zijn de schaarse momenten waarop consumenten iets merken van de produkt- en bedrijfschappen, vermoedelijk zonder te beseffen dat deze slogans onderdeel zijn van collectieve reclame-campagnes die door deze bedrijfslichamen waren opgezet.

Bedrijven hebben des te meer met de produkt- en bedrijfschappen te maken. Bijvoorbeeld omdat de schappen heffingen innen, zoals boeren merken wanneer ze een rekening van het Landbouwschap in de bus krijgen. Of worden geconfronteerd met de superheffingsregeling die het Produktschap voor de Zuivel uitvoert.

De Nederlandse margarine-industrie zal het Produktschap Margarine, Vetten en Oliën eeuwig dankbaar zijn dat het in Brussel de benaming 'vetbroodsmeersel' die de Europse Commissie ten behoeve van de consument wilde voorschrijven, uit het woordenboek heeft weten te houden. Het woord 'light' op een pakje margarine kwam er voor in de plaats en dat verkoopt wel zo prettig. Produkt- en bedrijfschappen voeren 'Haags' en 'Brussels' beleid uit, behartigen de belangen van hun sectoren en vervullen dienstverlenende taken. Werkgevers- en werknemersorganisaties worden geacht samen de schappen te vormen.

De PBO was destijds in het verzuilde en herrijzende Nederland vooral het ideologische compromis tussen de katholieken en de socialisten, waarbij de protestanten zich aansloten. De liberalen, de VVD-fractie in de Tweede Kamer onder leiding van P.J. Oud, stemden in 1950 tegen de Wet op de Bedrijfsorganisatie, de basis voor de produkt- en bedrijfschappen. Vijfenveertig jaar later zegt Ouds erfopvolger, VVD-leider F. Bolkestein: “Wij zijn helemaal niet van mening dat die schappen moeten verdwijnen”.

Met de PBO is het sinds de jaren vijftig anders verlopen dan de ideologen van de overlegeconomie in die tijd dachten. Bedoeld als blauwdruk voor de gehele Nederlandse economie zijn de schappen uiteindelijk beperkt gebleven tot de agrarische sector, de visserij, de detailhandel, de horeca en ambachtelijke branches. Vooral sectoren dus van het midden- en kleinbedrijf. De produkt- en bedrijfschappen opereren voor anderhalf miljoen ondernemers en werknemers, bijna een derde van de werkzame beroepsbevolking.

Daar waar het marktmechanisme gebrekkig functioneert en ingrijpen van de rijksoverheid evenmin gewenst is, fungeert de PBO, aldus SER-voorzitter Th. Quené. Hij sprak gisteren op een symposium dat de vakgroep bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Leiden in Den Haag had belegd. Aanleiding was de presentatie van het boek 'Produktschappen en Bedrijfschappen Onderzocht', dat op initiatief van deze vakgroep is verschenen. Belangrijkste conclusie van de auteurs: produkt- en bedrijfschappen moeten blijven, maar ze moeten wel worden gemoderniseerd, geclusterd en gedemocratiseerd.

“Bij de VVD is sprake van voortschrijdend bestuurlijk inzicht”, constateerde CNV-bestuurder D. Terpstra (Industrie- en Voedingsbond) naar aanleiding van Bolkesteins woorden. De VVD gold sinds de dagen van Oud als fervent tegenstander van de PBO, maar Bolkestein maakte duidelijk dat het hem slechts om een heldere en controleerbare afbakening van verantwoordelijkheden gaat, met een beperking van taken en bevoegdheden voor de bedrijfslichamen. In de Tweede Kamer vatte hij dit standpunt eerder kernachtig samen: “De kerstboom kan fors worden afgetuigd”.

De grootste tegenstander van de schappen buiten de VVD is te vinden in de persoon van de Amsterdamse PvdA-econoom A. Heertje. In het blad ESB noemde Heertje Tilburgse onderzoekers die het voortbestaan van de PBO hadden bepleit 'dienaren van een versleten ideologie'. De PBO kan worden afgeschaft, vindt Heertje. Het bouwwerk zal instorten als de Berlijnse muur, voorspelt hij: “Onverwacht voor de massa en plotsklaps voor het individu”. Heertje werd gisteren vanuit de wetenschap van repliek gediend. G. Dijkstra van de Leidse vakgroep bestuurskunde zei: “De stelling van Heertje is gebrekkig empirisch gestut en gebaseerd op vooroordelen uit de jaren 1946-1950”.

Tot zover deze wetenschappelijke twist. In het hedendaagse debat over de toekomst van de PBO valt vooral de breed levende wens op geen ideologische, maar praktische overwegingen te doen gelden bij de vraag of deze dochter van de overlegeconomie nog een rijke toekomst heeft. De protestantse topambtenaar van het ministerie van sociale zaken, H. Borstlap, zei gisteren op het symposium namens zijn sociaal-democratische minister Melkert, die van katholieke afkomst is, nog altijd een toekomst voor de PBO te zien. Mits de organisaties worden getoetst op legitimiteit, functionaliteit en effectiviteit. “Een dergelijke toets zal primair een pragmatisch en zakelijk karakter moeten dragen”, liet Melkert Borstlap verklaren.

Nederland telt 38 produkt- en bedrijfschappen. Produktschappen zijn verticaal van structuur, ze zijn er voor bedrijven van grondstof tot eindprodukt. Van rund tot vlees dus, of, zoals ze zelf graag roepen: 'van grond tot mond', 'van fok tot kok'. Dus zowel de grondstoffenleveranciers, de industrie als de handel hebben met bijvoorbeeld het Produktschap voor Bier te maken. Bedrijfschappen zijn horizontaal, dat wil zeggen dat ze voor verwante bedrijven opereren, zoals de detailhandel. In de hïerarchie staan produktschappen boven de bedrijfschappen.

Een voorbeeld van een bedrijfschap is het Landbouwschap. Voor de voorstanders van de PBO treft het dus niet dat deze organisatie op het punt staat te verdwijnen. De vakbonden zijn opgestapt uit verbittering over het verloop van de CAO-onderhandelingen voor de tuinbouw. CNV-bestuurder Terpstra maakte gisteren duidelijk dat zijn organisatie tegenwoordig primair de afweging maakt of het lidmaatschap van een produkt- of bedrijfschap het belang van de leden dient. “Dat is een zakelijke benadering. Het ideologische aspect verschuift naar de achtergrond.”

J. van der Veen, voorzitter van het Produktschap voor Groenten en Fruit, is er van overtuigd dat de taken van het Landbouwschap door andere PBO-organen zal worden overgenomen. Het alternatief is volgens hem veel slechter: een grotere overheid, te weten zeker 500 ambtenaren extra op het ministerie van landbouw.

De produkt- en bedrijfschappen moeten moderniseren. In dit werkwoord kunnen alle betrokkenen zich vinden. Maar hoe? De P in PBO van Publiek moet zo klein mogelijk worden, meent Bolkestein. Belangenbehartiging hoort niet thuis in publiekrechtelijke organisaties, vindt de VVD-leider en zodra zij met publieke gelden omgaan, hoort daar politieke controle bij. De bestuurders van de schappen dienen volgens hem rechtstreeks gekozen te worden.

“Ik zie niet veel in zulke verkiezingen”, zei Van der Veen. Hij voorspelt veel gedoe “en ik voorspel u dat het resultaat het zittende bestuur wordt”. Zijn produktschap opereert in een glazen huis, meent Van der Veen. “Wij worden drie keer gecontroleerd: door de SER, door het ministerie en door Brussel.” Maar wezenlijk is dat de overheid bedrijven dwingt tot deelname, zodra een bedrijfstak ervoor kiest een publiekrechtelijke organisatie te stichten. Want de grote vrees in PBO-kring is het ontstaan van free riders. Bedrijven die wel van het werk van produkt- en bedrijfschappen profiteren, maar er niet voor betalen. Dat is pas concurrentievervalsing, vinden de schappen.