Nostalgische beelden in Deurne; Wanhopige zoektocht naar het 'pure' handwerk

Tentoonstelling: Het geheugen van de hand. De Wieger, Oude Liesselseweg 29, Deurne. Di. t/m zo. 12-17u. T/m 7 januari. Catalogus: ƒ 29,50

In een vitrine in het museum van Deurne staan twee oude wandelstokken. Ze staan daar wat misplaatst. In ieder geval valt de linker met de houten vogeltjes nauwelijks op. De tweede kijkt je echter nadrukkelijk aan: de knop is een uil, zijn nagels vastgeklemd in een breed grijnzend doodshoofd dat met holle ogen naar de toeschouwer tuurt. Daaronder hangen twee gekruiste beenderen (zodat een klassieke piratenvlag ontstaat), een paar doodskisten, een slang en een hagedis. Iemand die erg handig was met mes en tak heeft hier nadrukkelijk geprobeerd de dood zo mooi mogelijk te verbeelden. En hij moet blij zijn geweest met het beeld dat uit het hout oprees - beter kon hij niet, wat blijkt uit allerlei mislukte details en slordige afwerkingen. Alles wat het museale bordje naast de vitrine vermeldt is 'Wandelstok, hout, hoogte ca. 80 cm.' Geen titel en al helemaal geen maker.

Onder de titel Het geheugen van de hand heeft beeldhouwer Eduard Wind in De Wieger in Deurne een tentoonstelling van beelden uit verschillende tijden en culturen ingericht. In totaal zijn er zo'n veertig beelden en voorwerpen te zien, die in tijd en plaats variëren van een kalkstenen Man met offertafel uit 1250 voor Christus tot het beeld Last Supper in Africa van Steef van der Ende uit 1992. In dat mer a boire heeft Wind een markeringspunt aangebracht: 1913, het laatste jaar voor de Eerste Wereldoorlog en het jaar waarin bijna alle ontwikkelingen in de beeldende kunst die de rest van die eeuw zouden domineren zichtbaar werden. Om dat te illustreren zijn in één zaaltje het Liebespaar van Käthe Kollwitz en de Mercurius van August Gaul neergezet, beiden in 1913 vervaardigd, in het zaaltje ernaast de Cellospeler van Oto Gutfreund (1912-13) en op de verdieping daarboven de Vis verslindende vogel van Henri Gaudier-Brezeska (1913).

Wie de tentoonstelling doorloopt, begrijpt al snel waarom juist dat symbolische jaar 1913 voor Wind zo belangrijk is: het is het jaar waarin de beeldende kunst definitief afscheid nam van 'de oude tijd'. Dat is voor Wind de tijd van de wandelstokken uit de vitrine; de tijd dat het in kunst nog vooral op het 'handwerk' aankwam. Vanaf '1913' deed het concept zijn intrede en werd de hand steeds minder belangrijk - voor steeds meer beeldend kunstenaars was het idee voldoende.

Wind heeft duidelijk weinig op met conceptuele beeldende kunst. Zoals de titel Het geheugen van de hand aangeeft, is hij op zoek naar de traditie van goede oude, ambachtelijke beeldhouwkunst. Zijn keuze uit werk van de laatste twintig jaar is daardoor nogal mager. Eén mooi beeld zit erbij, het Laatste zelfportrtet van Mari Andriessen, maar verder zoekt Wind wanhopig naar een soort nijverheid dat de laatste jaren maar weinig goede beeldende kunst heeft opgeleverd.

Het is veelzeggend dat Wind onder die weinige moderne beelden op zijn tentoonstelling Yola van Peer Veneman heeft neergezet. In zijn teleurstelling over de ondergang van de rol van de hand in de Westerse kunst richt Wind zijn blik op Afrika, waar de kunst (in nostalgische Westerse ogen) nog 'puur' is en de kunstenaars, als waren ze Rousseaus 'nobele wilden', nog nauwelijks zijn geïnfecteerd door het virus van het conceptualisme. De anonieme wandelstokken lijken opvallend veel op de Afrikaanse beelden op de expositie. Daardoor wordt Het geheugen van de hand een nostalgische tentoonstelling, die helaas ook een nogal rommelige is, want behalve dat magische jaar 1913 is er in Winds concept weinig consistentie te bespeuren.

Dat neemt niet weg dat de beeldhouwer één beeld heeft uitgezocht dat een bezoek aan Het geheugen van de hand al de moeite waard maakt. Het Liebespaar van Käthe Kollwitz, afkomstig uit een Duitse privé-collectie, is een prachtige, weifelende omstrengeling dat Rodin-achtige aanzetten tot abstractie vertoont. Het is dan ook vooral spijtig dat Wind zo'n beeld alleen maar gebruikt om terug te kijken en niet vooruit, wat op basis van dit sublieme beeld evengoed mogelijk zou zijn geweest.