Nederlandse en Indiase kunstenaars werken samen; Struise majorettes in New Delhi

NEW DELHI, 14 DEC. “Het oosten is het oosten en het westen is het westen, en nooit zullen beiden samenkomen”, luidde de sombere conclusie van de Britse schrijver Rudyard Kipling, die een groot deel van zijn leven in het koloniale India doorbracht. Maar drie Nederlandse en drie Indiase kunstenaars lieten zich in deze multiculturele tijden niets gelegen liggen aan Kiplings wijsheid en trokken twee maanden lang bijna dag en nacht met elkaar op in een kunstenaarscentrum even buiten de Indiase hoofdstad New Delhi. Het doel van het experiment was van elkaar te leren. De resultaten van de kruisbestuiving zijn sinds een week zaterdag te zien in de National Gallery of Modern Art in New Delhi.

Het was wel even wennen aan elkaar. “Ik vond het soms lastig om met de Indiërs te discussiëren”, geeft Berend Strik toe. “Je kreeg lange verhalen, maar het was vaak niet echt een gedachtenwisseling.” Een andere Nederlander, Rob Birza, ergerde zich er aan dat hij slechts met veel moeite klei kon krijgen, die dan bovendien nog een week met water moest worden behandeld voor ze bruikbaar was. De Indiërs houden zich meer op de vlakte over hun Nederlandse collega's. “We hebben veel van elkaar geleerd”, vindt de schilder Bhupen Khakhar, die er aan toevoegt geen communicatiestoornissen te hebben gekend. “Wij kennen Europa immers goed.”

De wederzijdse beïnvloeding komt op de tentoontstelling niet altijd even goed uit de verf. Vooral de Indiase kunstenaars, die gemiddeld aanzienlijk ouder zijn dan hun Nederlandse collega's, lijken op de hun vertrouwde manier te hebben doorgewerkt. Dat geldt in het bijzonder voor Khakhar met zijn aquarellen vol homoseksuele toespelingen en voor de beeldhouwer N.N. Rimzon.

Dit ligt anders bij de Nederlanders. In het bijzonder Birza heeft dankbaar van allerlei Indiase onderwerpen en technieken gebruik gemaakt. Zo is er een geboetseerd beeldje van de olifantsgod Ganesh te zien, een bamboe-trap en met bloemenslingers omhangen figuren van papier maché, die ook met klei en - hoe Indiaas - met koeiemest was vermengd.

Hoewel hij zich duidelijk heeft opengesteld voor de Indiase omgeving, denkt Birza niet dat hij hier wezenlijk door zal worden beïnvloed tijdens zijn verdere loopbaan. “Je kunt niet aan de gang blijven met het schilderen van Ganesha's”, aldus Birza. “Ik heb er thuis al een hele hoop. Daar krijg je gauw genoeg van. Nee, als ik thuis ben, zal ik weer snel andere dingen doen en daarbij door een andere omgeving worden beïnvloed.”

In de werken van Strik, die voor deze tentoonstelling een laat twintigste eeuwse versie van gobelins heeft gemaakt, valt de Indiase invloed minder te bespeuren. Op zijn grootste werk, dat liefst vier bij drie meter meet, stappen struise door en door Hollandse majorettes op ons af. Model hiervoor stond een carnavalsvereniging in de Achterhoek. De meisjes torsen voor een kleurrijke, bonte achtergrond een groot wapen mee met twee half geopende sluisdeuren. Een erotische toespeling, die weer enigszins wordt getemperd door een vreemde, gnoom-achtige baby, die voor de majorettes kruipt.

De wordingsgeschiedenis van dit kunstwerk, dat Strik al in Nederland ontwierp, is wel nauw met India verweven. In een jurkenfabriek in New Delhi oefende hij de supervisie uit over niet minder dan 23 jongens, die allemaal een stukje van het borduurwerk met zijdedraad, kraaltjes en wol voor hun rekening namen. “Het was vaak een ontroerende ervaring om zo met Indiase handwerkers samen te werken”, zegt Strik. “Af en toe had ik gewoon de behoefte om te huilen, wat me in Nederland niet gauw overkomt.”

De voornaamste bijdrage van Bastienne Kramer, de derde Nederlandse deelnemer aan het project dat werd opgezet door de Foundation for Indian Artists uit Amsterdam, is een zilverkleurige tent in de vorm van een kathedraal. Dit werk is, te oordelen naar de geringe publieke belangstelling, niet bijzonder aan de Indiërs besteed en inderdaad valt er afgezien van het aardige idee betrekkelijk weinig over op te merken.

Het feit dat de bijdragen van de Indiase kunstenaars weinig Nederlandse elementen vertonen, betekent niet dat ze niet interessant zouden zijn. Vooral Khakhars aquarellen ademen een geheimzinnige sfeer. Het opvallendst is wellicht zijn werk getiteld Een oude man uit Vasad die vijf penissen en een snotterende neus had. De penissen zien er meer uit als een bloem of een half gepelde banaan en de naakte man, met grote starende ogen, heeft ook de eerste aanzet van een vrouwelijke borst en lange haren.

De openlijke manier waarop de 61-jarige Khakhar homoseksuele thema's behandelt maakte hem al vroeg tot een buitenbeentje in het door een door preutse India. “Vroeger was dat inderdaad wel eens lastig”, zegt de kunstenaar, “maar de laatste tien jaar is die homoseksuele thematiek in kunstkringen wel tamelijk aanvaard.”

Hoewel Mrinalini Mukherjee, de derde Indiase deelneemster, in haar thematiek niets Nederlands heeft, heeft ze bij de uitvoering van haar in sombere kleuren uitgevoerde Lotus-vijver, bestaande uit verdorde bloemen van papier maché op een ondergrond van zandsteen, naar eigen zeggen veel geleerd van Rob Birza.

De tentoonstelling, die van 18 mei tot 23 juni ook in het Stedelijk Museum in Amsterdam zal zijn te zien, heeft als titel meegekregen The Other Self. De gedachte daarbij is dat de zes kunstenaars en in het algemeen mensen die zich blootstellen aan een andere cultuur vooral zichzelf op een andere wijze gaan zien.

Of die invloed veel dieper gaat, lijkt ook na dit experiment de vraag. De Indiase publicist Ashis Nandy merkte hierover in een essay in de catalogus: “Het is twijfelachtig of de Nederlandse dan wel de Indiase kunstenaars zich uit hun eigen wereld hebben losgemaakt. Ze hebben elementen in hun eigen wereld opgenomen die ze uit de andere wereld hebben gehaald.” Maar, voegt Nandy hier direct aan toe: “Dit is echt geen tragedie, want dit is nu juist de bron van zelfverzekerde creativiteit.”