Kamer weer akkoord met prestatiebeurs

DEN HAAG, 14 DEC. De coalitiepartijen in de Tweede Kamer hebben gisteren opnieuw hun instemming betuigd met invoering van de prestatiebeurs. Vanmiddag protesteerden studenten in Utrecht tegen de prestatiebeurs en het hoger-onderwijsbeleid.

Minister Ritzen (onderwijs) had het wetsvoorstel in september nagenoeg ongewijzigd ingediend nadat de Eerste Kamer het in juni met één stem verschil had verworpen. Het vernieuwde stelsel van studiefinanciering, dat vanaf 1998 een miljard gulden per jaar aan bezuinigingen moet opleveren, zal nu gelden vanaf volgend studiejaar - als tenminste de Eerste Kamer er mee akkoord gaat.

Het wetsvoorstel beperkt het recht op studiefinanciering tot de officiële studieduur, meestal vier jaar. Nu nog krijgen studenten een jaar langer een beurs. Zowel CDA-Kamerlid Lansink als de GPV'er Schutte uitten ernstige twijfels over de mogelijkheid voor studenten om binnen die voorgeschreven termijn af te studeren. Ze verwezen daarbij herhaaldelijk naar het negatieve advies van de Raad van State over het wetsvoorstel.

Een andere belangrijke wijziging is dat de beurs eerst als lening wordt verstrekt en pas achteraf, bij voldoende prestaties, wordt omgezet in een gift. Bij de huidige 'tempobeurs' is dat andersom: bij onvoldoende prestatie achteraf wordt de beurs omgezet in een lening. Verder worden de prestaties van studenten niet zoals nu ieder jaar gemeten, maar slechts tweemaal. Een student moet in zijn propedeuse tenminste de helft van de examens halen en zijn einddiploma binnen zes jaar na aanvang van de studie behalen. Op aandringen van de coalitiepartijen is in de vorige Kamerbehandeling de mogelijkheid ingevoerd om tussendoor voor een jaar 'uit de studiefinanciering te stappen', zodat de termijn zeven jaar kan worden. Als na vier jaar het recht op een (voorwaardelijke) beurs is verstreken maakt de student nog wel drie jaar aanspraak op een 'echte' studielening, die niet kan worden kwijtgescholden. De hoogte van de beursbedragen verandert niet.

In de Tweede Kamer zijn de oppositiepartijen tegen de wet, vooral omdat ze menen dat het grotere accent op lenen de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar brengt. Maar Ritzen is die mening niet toegedaan. Volgens hem ligt de belangrijkste drempel voor de lagere inkomensklassen bij de overgang van basisschool naar de middelbare school. Wie eenmaal op havo of vwo zit, gaat meestal wel studeren. Ritzen zal niettemin eind 1997 rapporteren aan de Kamer over de mogelijke veranderingen in het studiekeuzepatroon.