In Liefde Bloeyende

LUCHTIGE LIEDJES

Zoude ik mijn liedjes

de vluchtige, lichte

Liedekens zingen

gelijk ik ze zing?

Zoude ik zo lustige

liedekens dichten

Zo het mij naar

mijn lust verging?

Zoude ik mij spelender-

wijze vermeiden

Dingen bezingend

die buiten mij zijn:

Vrede - van 't vee

in de vredige weiden

Vreugde - van bloemen

en zonneschijn?

Zoude ik van vreugdige

vredige dingen

Zingen, een lachje

van spot om den mond?

Zoude ik zo luchtige

liedekens zingen

zo ik hier binnen

de vreugde vond?

Jacqueline E. van der Waals (1868-1922)

Je moet over de lente zingen in de herfst, wil dit gedicht zeggen. Je moet over verdriet zingen in je harlekijnspak en over luchtigheid wanneer de volledige wereldbol op je rug drukt.

Dit gedicht van Jacqueline van der Waals dient een waarschuwing te zijn aan al de bewonderaars van haar Geitenweitje, dat inderdaad een vluchtig en luchtig Liedeke is, dat inderdaad de vrede van 't vee in de vredige weiden bezingt: Op het geitenweitje Staat het kleine geitje Als een wittigheidje In het prille groen want 't is niet zo dat de dichteres tot haar bewonderaars wil zeggen: ik ben af en toe ook wel eens droevig. Heus. Of: ik doe wel oppervlakkig maar ik ben eigenlijk erg serieus. Of: vandaag jubel ik, maar stel u gerust, morgen ben ik weer diep neerslachtig.

Wat ze zegt is: dit kan ik alleen maar dichten op hetzelfde moment dat ik iets tegenovergestelds voel - wanneer en omdat ik het niet meen. Het gaat me niet om de lieflijke of verbloemde waarheid, niet om het lichtrandje van de droevige wolken, niet om de verborgen noodkreet, het gaat me om de leugen van de kunst. Ik zing wel een luchtig lied, maar het heeft niets met mijn persoonlijke luchtigheid te maken.

Luchtige liedjes vormt letterlijk de achterkant van Het geitenweitje. Beide gedichten zijn op zo'n dun papier geschreven dat je ze door elkaar heen leest.

Het is zelf een luchtig liedje, dit Luchtige liedjes, met zijn trippelende herhalingen, zijn onbekommerde alliteraties en langs-de-neus-weg-geponeerde conclusie. Lichte liedekens, lustige liedekens. Dingen bezingend. Vrede van 't vee in vredige weiden. Vrede en vreugde. Vreugdige vrede. Spot om den mond. Zoude ik en zoude ik en zoude ik en zoude ik. De dichteres tokkelt op één snaar, met wat simpele woorden en een simpel idee, en dan plotseling Zoude ik zo luchtige liedekens zingen, Zo ik hier binnen de vreugde vond? 't Is of we een klap krijgen met een gewatteerde handschoen. Er heerst ineens een heel andere luchtigheid. Een luchtigheid die ons duidelijk maakt dat een al even trippelend geval als - zeg nog maar eens - Het geitenweitje geen tear jerker is over een aandoenlijk geitje, een ulevellevers om te declameren bij kaarslicht, maar een oefening in emoties, een bewuste simpelheid. Een list van de kunst om de chaos in te dammen.

Dit gedicht maakt Jacqueline van der Waals tot een groter dichteres dan waar haar bewonderaars haar voor houden. Want als ik me niet vergis, is het juist onder het geitenweitjes-publiek dat we een hoog percentage lieden aantreffen voor wie poëzie iets als 'het uiten van je gevoelens' is. Lieden die gebroken regels neerkrabbelen als het hart overloopt en die met dat verbrokkelde hart ons meegevoel proberen op te wekken. Wat zulke mensen produceren zijn met de hand van de ziel en de voet van het gemoed geschilderde klankportretjes, die niets met poëzie hebben uit te staan.

Dat je een gedicht zou maken om 'iets van je af te schrijven', 't is een bij dat soort publiek onuitroeibaar idee. Jacqueline van der Waals veegt er op superieure wijze de vloer mee aan. Simpeler en tegelijk ondubbelzinniger kan het niet gezegd worden - dat poëzie geen therapie is en geen laxeermiddel, maar een kunstvorm van de contradictie, van de veelheid in eenheid, van de balancerende excessen, van de veinzerij, van de dubbelzinnigheid.