Iers leed in Utrechtse pub

UTRECHT, 14 DEC. Een Ier in een shirt van Celtic. Zijn naam is Joe en hij heeft geen moeite om uit te leggen waarom het horizontaal gestreepte tenue van de Schotse voetbalclub op zijn plaats is in de Ierse pub O'Leary. “Celtic is katholiek, daarom is Celtic een Ierse club.”

De 20-jarige Joe is een fabrieksarbeider, afkomstig uit Dublin en sinds een paar maanden woonachtig in Maarn. Waarom is hij naar Nederland gekomen? “Dat weet ik eigenlijk zelf niet. Ik wilde er gewoon even uit en voordat ik er erg in had, was ik in Holland verzeild geraakt.” Waarom staat hij zich uit te sloven in het café? “Ik steun de jongens in het groen.”

Voor het beginsignaal luistert hij geconcentreerd naar het Wilhelmus. Vervolgens zingt hij uit volle borst het Ierse volkslied, met de rechterhand op zijn hart gedrukt. Hij zweet al voordat de wedstrijd begint. Zijn lange rode haar slingert in het rond wanneer hij met gebalde vuisten de Ierse spelers aanmoedigt.

Paul McGrath, de oude man met de versleten knieën, is zijn favoriete voetballer. “Voor mij is hij nog steeds de beste verdediger ter wereld. Niet trainen en dan zo spelen, wie doet hem dat na?” Als McGrath na een half uur spelen geen kans ziet Patrick Kluivert van een doelpunt af te houden, kijkt Joe vol ongeloof naar het televisiescherm. Om zich even later weer onvoorwaardelijk achter de ploeg van Charlton te scharen.

O'Leary is een Ierse pub in een Utrechtse volksbuurt. Eigenaar Adrian vertelt over de eerste dag dat hij achter de tap stond, op koninginnedag. Hij haast zich te zeggen dat de openingsdatum niets te maken heeft met een oranje-gevoel.De 23-jarige Adrian woont al vijftien jaar in Nederland, maar zijn geboorteland zal hij niet gauw verloochenen. Op zijn schoot zit een Utrechts meisje, in zijn hart is hij deze avond meer betrokken bij de voetbalwedstrijd.

Volgens Adrian telt Utrecht 82 inwoners met de Ierse nationaliteit. Hij weet niet meer hoe hij aan dat getal is gekomen. In het café is een telling lastig uit te voeren. Adrian en Joe vormen de minderheid in de uitpuilende kroeg, dat is in een oogopslag zichtbaar. Adrians moeder had eerder deze week nog een advertentie geplaats in een plaatselijk suffertje, ze was bang dat de Utrechtse voetballiefhebbers liever thuis zouden blijven.

Waarschijnlijk had ze buiten de tientallen studenten gerekend. Meisjes met oranje wangen en groene kleren suggeren een dubbele nationaliteit, maar met hun blonde haren zien ze er weinig Iers uit. Jongens met een groot glas bier in de hand drinken op z'n Iers, maar hun aanmoedigingen laten aan duidelijk weinig te wensen over.

De Nederlandse en Engelse spreekkoren wisselen elkaar in snel tempo af. Come on you Boys in Green klinkt dreigender dan Hup Holland Hup. Naarmate de wedstrijd vordert krijgen teksten als O, wat zijn die Ieren stil en We gaan naar Engeland de overhand.

Joe wordt steeds stiller. Hij ziet er uit zoals hij voor rust al heeft voorspeld. “Als de wedstrijd zo doorgaat ben ik na afloop tien jaar ouder geworden.” Na de tweede goal van Kluivert legt hij zich neer bij de onafwendbare nederlaag.

Na afloop vlucht hij de Utrechtse nacht in. De volgende ochtend moet hij al om vijf uur naar zijn werk. Op de fabriek zullen zijn Nederlandse collega's hem niet sparen. “Die praten de hele dag over voetbal, dus dan weet je het wel.”